Home

Schrijver Forugh Karimi: ‘Als ik ooit Nederland word uitgegooid, heb ik niets meer. Helemaal niets’

Als 25-jarige vluchtte ze hoogzwanger uit Afghanistan en kwam in Westerbork terecht. Forugh Karimi werd psychiater en oogst lof als schrijver. ‘In mijn werk droom ik mezelf terug in het land van mijn jeugd, toen de zorgen er nog niet waren.’

Ze was al 50 toen in 2022 haar eerste roman De moeders van Mahipar verscheen. Met recht een late debutant. Forugh Karimi (54) zal de eerste zijn om dat te beamen. Ook niet zo gek, voor iemand die naast het schrijverschap een fulltimebaan heeft als psychiater. In haar praktijk in Den Bosch behandelt Karimi onder meer patiënten met transculturele problematiek, zoals kinderen van vluchtelingen. Met De moeders van Mahipar won Karimi de Hebban Debuutprijs.

Ook haar nieuwe boek In mijn ogen draag ik wolken, dat vorige maand verscheen, werd welwillend onthaald. ‘Karimi weet diep te raken’, schreef Het Parool. Het is opnieuw een roman over de diepe sporen die trauma’s kunnen achterlaten bij mensen die de oorlog in hun land zijn ontvlucht. Maar ook een verhaal over veerkracht en wilskracht. Daar weet Karimi zelf alles van: een kleine dertig jaar geleden vluchtte ze uit haar geboorteland Afghanistan, waar toen al bijna twintig jaar het ene gewapende conflict het andere opvolgde.

Er was een goede reden voor dat late debuut in 2022. ‘Als vluchteling ben je je taal kwijt. Ik was 25 toen ik hier kwam, mijn taal was het Farsi. En dan weet je: ik ga die nieuwe taal nooit zo beheersen als iemand die hier is geboren. Ineens ben je wat taal betreft weer een kind. Dat is een beklemmend en ingewikkeld besef. Ik heb jaren geworsteld met de vraag: welke taal ga ik kiezen voor dit boek? Uiteindelijk koos ik voor het Nederlands. Ik wil dat ik bemind word door beide talen. En ik wil laten zien dat ik erbij hoor in Nederland.’

U bent niet in het Farsi begonnen?

‘Nee. Ook om te bewijzen: dit is evengoed mijn taal. En ik heb een heel goede redacteur.’

Het boek is niet één op één autobiografisch, zegt Karimi. Al staan sommige scènes wel heel dicht bij haar eigen geschiedenis. ‘Zeker die over de oorlog in Afghanistan, over hoe wij in de kelder moesten schuilen tijdens bombardementen. En hoe mijn oma dan vloekte als er weer een raket insloeg.’

Forugh Karimi had al sinds haar kindertijd een overdaad aan fantasie. Ze bracht haar omgeving vaak in verlegenheid met vragen die te ingewikkeld waren om te beantwoorden. ‘Ik vroeg bijvoorbeeld: welke taal spreekt God? Dat vonden andere mensen zondig. Zulke vragen stél je niet. Maar mij hield het bezig. Want zou God echt alle talen begrijpen, inclusief alle dialecten? Of toch alleen Arabisch?’

Ze groeide op in Kabul, als oudste van vier kinderen. Haar vader was landbouwkundig ingenieur, haar moeder lerares wiskunde. Ze behoorden tot de Hazara’s, een etnische minderheid. Een groot deel van haar jeugd woonde ze in Kabul, in een klein huisje, waar ze haar slaapkamer moest delen met de andere kinderen. En dan woonde haar oma ook nog bij het gezin in. Ze had veel meer ruimte nodig dan ze kreeg. Dus kroop ze steeds meer in haar hoofd. ‘Ik bedacht voortdurend verhaaltjes, zocht troost in de fantasie. We hadden zelf amper boeken, romans waren schaars, maar ik fantaseerde dat ik een hele bibliotheek had. En ik dagdroomde dat ik prachtige schriften bezat.’

Had u een gelukkige jeugd?

‘Op de beperkingen van armoede en oorlog na wel. Alleen werd ik altijd geacht om voor mijn broertjes en zusje te zorgen. Mijn ouders lieten me als een vechthond over hen waken. Naar de normen van nu denk ik: ik heb te weinig kind kunnen zijn. Ook omdat ik voortdurend vanuit twee perspectieven dacht. Als ik boos was op mijn moeder, begreep ik tegelijkertijd waarom ze iets deed. Dan ga je je automatisch aanpassen. Parentificatie heet dat. En dan ben je niet echt een kind natuurlijk.’

Oorlog en geweld tekenden een groot deel van haar jeugd. Eigenlijk waren alleen de eerste zeven jaar van haar leven zonder rimpeling. ‘Toen voelde ik me nog echt veilig. Totdat in 1978 de coup plaatsvond, werkte mijn vader voor het ministerie van Landbouw, hij was bezig met een project in de provincie Herat, waardoor we een jaar daar woonden. Er zou in die provincie zelfs een mooi huis voor ons worden gebouwd. Ik zie ons nog staan bij de fundamenten. Mijn vader wees met een stok aan waar mijn kamer zou komen. Het leek mij geweldig. Het is er nooit van gekomen. Na de coup werd hij teruggeroepen en moesten we verplicht weer in Kabul wonen. We reisden terug met de auto. Een paar maanden later had dat al niet meer gekund. Het was te onveilig geworden. Er werden bussen in brand gestoken, politieke tegenstanders werden opgepakt.’

De Russen vielen in 1979 Afghanistan binnen in een poging orde op zaken te stellen. ‘Daarop ontstond er fel verzet tegen de Russen. Binnen een week besloot het Westen om de moedjahedien (islamitische jihadisten, red.) te steunen in hun strijd tegen de Russen. En die moedjahedien waren degenen die bussen in brand staken.’

Wat herinnert u zich als de angstigste tijd?

‘Vooral die eerste tijd na de coup van 1978, en daarna de jaren onder de Russen. Je moest continu op je tellen passen. Overal sloegen raketten in. Dat was angstaanjagend.’

Toch voelde ze zich op dat moment eigenlijk niet eens zo onveilig. ‘Als je er midden in zit, ga je niet reflecteren. Anders word je gek. Je leeft van dag tot dag. En het leven ging ook gewoon door; met feesten, bruiloften en winkelen. Toen de Russen zich na jaren terugtrokken, omsingelden de moedjahedien alle steden. In 1992 trokken ze Kabul binnen. Die periode was heel lastig. Alles werd schaars. Voor het Westen was het probleem opgelost, de Russen waren weg. Maar wij voelden ons enorm in de steek gelaten. Overal in Kabul vonden straatgevechten plaats tussen milities en krijgsheren.’

De hoofdstukken in haar boek die daarover gaan, waren voor haar het zwaarst om te schrijven. ‘Ik was weer helemaal daar.’

Alsof u het herbeleefde?

‘Eigenlijk wel, ja. Je opent luikjes in je hoofd naar al die nare herinneringen. Ik liet het boek aan een Afghaanse vriend lezen. Die vertelde dat hij sindsdien weer elke nacht nachtmerries heeft.’

U ook?

‘Nee, ik heb weinig nachtmerries. Ik droom niet over de oorlog.’

Waarover wel?

‘Ik droom vaak dat ik in een auto zit en dat de remmen het niet doen. Kennelijk ben ik bang om de controle te verliezen.’

Lag het voor de hand dat u geneeskunde ging studeren?

‘Zeker. Als je goed kunt leren is het in onze cultuur logisch dat je gaat studeren. Dan word je advocaat, ingenieur of arts.’

U zei een keer: ‘Ik ben ook arts geworden om mijn ouders trots te maken’.

‘Dat was voor mij een vanzelfsprekendheid. Een essentieel deel van mijn leven.’

Al was de relatie met haar moeder moeizaam. ‘Ze was zo dominant. Ze is al een jaar dood, maar ik hoor nog regelmatig haar stem. Als ik een keer een dagje zit te luieren hoor ik: ‘ga ’ns iets doen, luilak’. Pas toen ik bij mijn studie psychiatrie leerde over hechting, zag ik in hoe vervlochten ik met haar was. Ik heb me echt van haar moeten losmaken. Dat is pas gebeurd toen ik al in Nederland was.’

Hoe maak je je los van je moeder?

‘Ik weet eigenlijk niet of dat helemaal gebeurd is. Ik was jarenlang geneigd haar overal bij te betrekken. Toen ik me eindelijk los begon te maken, was ze al aan het dementeren. Toen was het eigenlijk te laat.’

Ze was vroeger vaak bang voor haar moeder. ‘Haar wil was wet. In de puberteit kregen we flinke ruzies, omdat ik volgens haar een grote mond had. Of zoals wij dat noemen: een lange tong. Ze vond me brutaal. ‘En nú stop je!’ Als ik toch doorging, kreeg ik weleens een klap. Van mijn vader herinner ik me dat veel minder. En als hij een keer een klap gaf, dan maakte hij het daarna weer goed. Mijn moeder zei nooit sorry. Toen ik er jaren later een keer over begon, ontkende ze het allemaal. Ze werd er verdrietig van, waardoor ik me juist weer schuldig begon te voelen.’

Heeft u er nooit een goed gesprek met haar over kunnen voeren?

‘Nee, dat kon ze niet. Dat was veel te pijnlijk.’

Ze buigt voorover naar de salontafel, pakt een tissue om haar ogen te deppen. ‘Dat is zo gek: bij patiënten kan ik prima duiden hoe zoiets zit. Bij mijn eigen verhaal is dat moeilijker. Aan de andere kant: aan mijn vader alléén hadden we weinig. Een kind hecht zich niet alleen aan een warme, lieve persoon, maar bij voorkeur aan een sterke figuur. En mijn moeder was de sterke van de twee. Mijn vader leunde in alles op haar. Zij nam alle belangrijke beslissingen. Dat voelt veilig voor een kind: er worden verstandige beslissingen genomen, er is iemand die voor me vecht.’

Uw vader is ook overleden. Wat hebben uw ouders nog van uw loopbaan meegemaakt?

‘Best veel. Alleen mijn schrijverschap niet. Ik heb mijn moeder nog wel de dikke stapel uitgeprinte velletjes van m’n eerste boek laten zien. Ze vroeg: echt? Maak je een boek? Bij de daadwerkelijke publicatie was ze al dement. Mijn vader zou het prachtig hebben gevonden. Sinds ik een meisje was hadden ze het idee dat ik een schrijver zou worden. Ik kon al jong goed en mooi schrijven. Maar ja, dan kom je hier als asielzoeker en lijken die dromen heel ver weg. Als je vlucht, verlies je veel. Als vluchteling word je heel snel ontmenselijkt. Mijn ouders hebben ons altijd meegegeven dat we de moeite waard zijn. Maar dan nog is het moeilijk om in je eigen waarde te blijven geloven. Je bent volledig afhankelijk van de genade van anderen.’

Ze was 25 toen ze Afghanistan in 1996 ontvluchtte. Hoogzwanger ging ze een onzekere toekomst tegemoet. Ze belandde met haar man in een asielzoekerscentrum. Eerst in Eindhoven, daarna in Westerbork.

Voelde dat als een nieuw begin of eerder als een definitief afscheid?

‘Dat zijn vragen die je je op dat moment niet stelt. Als je er middenin zit, heb je de tijd niet om te reflecteren. Je bent alleen maar bezig met nieuwe dingen. Je hoort: dit is je kamer, dit zijn de regels, en dit en dat moet je doen. Aan andere gedachten kom je niet toe. Je hebt geen enkele zekerheid over je toekomst. Over niets heb je controle, je moet je overgeven aan wat je overkomt. Elke dag kon je te horen krijgen dat je de volgende dag zou worden overgeplaatst. Het is overleven. Echt overleven.’

Wat miste u het meest van thuis?

‘Vooral mijn taal. Met het beperkte aantal Afghanen hier heb je al snel een band, terwijl je in normale omstandigheden totaal geen aansluiting met ze zou hebben. Zij spreken jouw taal, zij begrijpen jouw grappen. Die saamhorigheid heb je in het begin hard nodig. Het gaat om vanzelfsprekendheid, om de context waar jij bij hoort. Ik voelde de eerste tijd aan alles dat ik niet bij de Nederlanders hoorde.’

Hoe is dat nu?

‘Dit is inmiddels mijn land, mijn nieuwe thuis. Al kan de ene plek nooit concurreren met de andere. Het zijn parallelle universums.’

Als een nieuwe geliefde, nadat je vorige geliefde is overleden?

‘Nee, mijn geliefde is niet overleden. Maar door de oorlog ben ik mijn thuis kwijtgeraakt. Ik ben eruit gegooid. Door dat lot ben ik hier. Ons land is zoveel aangedaan. Ik weet niet hoeveel boeken ik zou moeten schrijven om ook maar iets van troost te kunnen bieden. Ik verkeer voor altijd in de condition migrante; ik hoor nergens echt bij.’

Op de plek waar haar asielzoekerscentrum ooit was gevestigd, is inmiddels een villawijk verrezen. Laatst reed ze erlangs en zat ze er vanuit haar geparkeerde auto minutenlang naar te kijken. ‘Ik durfde de wijk niet in, dus ik keek van een afstandje. Ik zag weer voor me hoe we met de kinderwagen van mijn zoontje door Westerbork naar de winkel liepen. Elk moment was ik bang dat er iemand op het raam van de auto zou kloppen: ‘Kan ik iets voor u doen?’ Want dat was precies hoe ze je in winkels altijd aanspraken. Omdat ze asielzoekers niet vertrouwden. ‘Die komt zeker iets pikken.’ Dat was in de tijd dat er in winkels borden verschenen: ‘Slechts één asielzoeker tegelijk.’ Dat ging direct door m’n hoofd. Straks staat er iemand naast de auto; ‘wat doe jij hier in onze villawijk? Wat hou je in de gaten?’’

Waar moest u het meest aan wennen in Nederland?

‘De vele regels hier vond ik fijn. Het maakt mensen voorspelbaar. Je wist: afspraak is afspraak. Over andere dingen maakte ik me soms wel boos. Bijvoorbeeld over het onvermogen van mensen die hier geboren zijn om zich te verplaatsen in het perspectief van anderen. Ik kan mensen eindeloos vertellen over mijn afkomst en geschiedenis. En dan nóg vragen ze: ‘Hoe vindt je man het eigenlijk dat je werkt?’ Ze nemen klakkeloos aan dat je een ondergeschikt vrouwtje bent. Daar zit toch iets van superioriteit in: wij snappen het, wij kunnen beter nadenken over dingen. Wij in het Westen zijn beschaafder, rationeler. Daarom vond ik het best een troost om te zien hoe irrationeel sommigen hier reageerden in de coronatijd. Ik dacht: zie je nou wel; mensen zijn overal ter wereld hetzelfde.’

Karimi wond zich mateloos op over het asielbeleid van voormalig minister Faber. ‘Ik was verbijsterd dat die vluchtelingenkinderen niet naar de Efteling mochten. Dat past zo totaal niet bij het beeld van medemenselijkheid dat ik altijd van Nederland had. Hoe kun je in een fijn en mooi land als dit zo onmenselijk zijn?’

Wat is het antwoord op die vraag?

‘Het heeft alles met macht te maken. Macht brengt het slechtste in mensen naar boven. Het misbruiken van emoties van stemmers. Dat maakt het in mijn ogen zo pervers.’

Een vluchteling moet van heel veel afscheid nemen. Wat doet dat in je hoofd?

‘Dat proces loopt parallel aan het opbouwen van een nieuw bestaan. Pas veel later snapte ik dat mijn vertrek uit Kabul zo abrupt was dat ik eigenlijk geen afscheid heb kunnen nemen.’

Hoe is die vlucht precies verlopen? Via welke route?

Ze verstart, zegt dan afwerend: ‘Dat is een verhaal dat ik liever niet vertel. Je blijft altijd de angst voelen dat iemand als mevrouw Faber zegt: ‘Laten we dat IND-dossier er nog maar eens bijpakken.’ Niet dat daar onwaarheden in staan, maar er zijn altijd onzekerheden: nam ik nou die bus of toch die bus? En hoeveel nachten zat ik daar ook alweer? Altijd blijft de diepgewortelde angst dat iemand op een dag zegt: verdwijnt u maar weer.’

‘Toen ik anderhalf jaar geleden hoofdredacteur van vakblad De Psychiater werd, ging dat ook door mijn hoofd: zo’n hoofdredacteurschap is best belangrijk, nu mag ik vast wel blijven. Ik weet dat het volslagen irrationeel is, maar het zit zó diep... En in mijn fantasie hoor ik mezelf dan zeggen: Ja, maar ik ben psychiater. Ik doe mijn best voor mensen met een vluchtelingentrauma. ‘Precies’, hoor ik dan roepen, ‘en daarom sturen we de mensen die u behandelt ook allemaal weg.’ ‘Ja, maar ik heb ook Nederlandse patiënten’, probeer ik dan wanhopig, ‘ik ben ook nuttig voor Nederlanders.’ Volstrekt idiote dialogen. Gevoed door het besef: als ik er hier ooit word uitgegooid, heb ik niets meer. Helemaal niets.’

‘Ik ben niet eens bang voor mezelf, maar vooral voor mijn kinderen. (Karimi heeft een dochter van 20 en een zoon van 28, red.). Het gaat gelukkig heel goed met ze. Maar stel dat mijn zoon ooit een psychose zou krijgen en in zijn verwarring met zijn auto op mensen zou inrijden, dan zal niemand hem als een verwarde man beschouwen, maar vanwege zijn afkomst direct als een terrorist. Dat ik tot mijn dood vluchteling zal blijven is tot daar aan toe. Maar dat mijn kinderen niet het recht zullen hebben op het voordeel van de twijfel vind ik hartverscheurend.’

Is de sfeer in Nederland echt anders dan tien, vijftien jaar geleden?

‘O zeker. Dat vind ik angstaanjagend. Ik weet uit eigen ervaring hoe oorlogen beginnen: met het normaal worden van racisme, van nationalisme, van ontmenselijking. Met grote monden, lange tongen en megafoons.’

Denkt u soms: waar ben ik naartoe gegaan?

‘Nee, nooit. Want in Afghanistan is het veel erger. Ik hecht enorm aan Nederland. Maar van beschaafde mensen als de Nederlanders verwacht ik wel iets anders dan van de Taliban.’

Een van de hoofdfiguren in uw boek zegt: ‘Op een gegeven moment hadden we geen contact meer en waren we allemaal druk met ons eigen leven. Zo gaat dat nou eenmaal als je je eigen land kwijt bent en iedereen ergens anders terechtkomt. Het is als een kralenketting waarvan de draad knapt, de kraaltjes springen alle kanten op en rollen door tot ze ergens in een willekeurige gleuf belanden en zich daar nestelen. Sommige kraaltjes blijven rollen, die vinden nergens een plek om te rusten. Zo zijn wij, als kraaltjes uitgestrooid over de hele wereld, hopend dat we ooit weer aan elkaar geregen zullen worden. Maar die hoop vervaagt steeds meer.’

Ze knikt. ‘Zo voelt het. Ik ben rationeel, weet dat die kralen nooit meer aan elkaar geregen zullen worden. Die hoop heb ik opgegeven. We krijgen nooit meer alles bij elkaar.’

Maar in uw boeken loopt u nog altijd in Afghanistan rond.

‘Nog steeds, in mijn werk droom ik mezelf terug in het land van mijn jeugd, toen de zorgen er nog niet waren.’

Bent u ooit terug geweest?

‘Twee keer kort, in de jaren dat het rustiger was.’

Hoe was het om Kabul terug te zien?

Ze zwijgt lang, zegt dan: ‘Het was eigenlijk heel verdrietig. Het wrange is dat je er ook daar niet meer bij hoort. Het Kabul van toen bestaat niet meer. De stad is enorm veranderd, de mensen zijn veranderd, het dagelijks taalgebruik is veranderd. En toch blijft de stad me dierbaar. Heel dierbaar.’

Opnieuw geëmotioneerd: ‘Daar ben ik geboren, daar liggen mijn vroegste herinneringen. Toen ik nog geen vluchteling was, toen ik nog niet hoefde na te denken over de vraag bij wie ik hoor.’

Ligt uw hart nog steeds daar?

‘Ja. Maar ook hier. Dit is het land waar mijn kinderen zijn opgegroeid.’ Ze denkt opnieuw lang na, vervolgt dan ernstig: ‘Mijn hart is daar begraven, zoals ik mijn ouders heb begraven. Mijn ouders komen nooit meer terug. En Kabul evenmin. Ik kan de plattegrond van die stad uit mijn hoofd tekenen. Maar het is een niet meer bestaand decor van vroeger.’

In haar werk als psychiater behandelt Karimi vooral volwassen kinderen van vluchtelingen. ‘Ze zijn vaak heel jong gekomen of hier geboren. Ogenschijnlijk functioneren ze prima. Intellectueel doen ze het goed, maar in intieme relaties lopen ze vast. Want de echte last dragen zij, vaak meer dan hun ouders. Ze hebben moeten leven alsof ze hier altijd hebben gewoond. Tegelijkertijd hebben ze gezien hoe moeilijk hun ouders het hadden. Een kind wil zich hechten aan sterke ouders. Je kijkt als kind naar je ouders, in de hoop dat je in hun ogen troost en veiligheid vindt. Dat is ze afgenomen. Deze kinderen hebben de machteloosheid van hun ouders gezien, ze zagen hoe hun ouders geen enkele controle over de situatie hadden. Logisch, want ook hun ouders waren in het aanmeldcentrum van Ter Apel angstig. Voor een kind is het ondraaglijk om dat mee te maken.’

Wat voor uitwerking heeft dat op een kind?

‘Zo’n kind gaat afstand nemen van zichzelf. Dat gaat denken: mijn vader is wél sterk en goed, ík ben zelf slecht. Het slaat naar binnen. Die kinderen gaan veel te veel voor hun ouders zorgen. Dat gaat ten koste van henzelf. Of ze ontsporen en accepteren geen enkel gezag meer.’

Dus dan blijkt de oorlog van hun ouders hún oorlog te zijn geworden.

‘Zo gaat dat, ja. Dan zie je dat ze hun ouders op een overdreven manier gelukkig proberen te maken. Omdat ze het niet kunnen verdragen dat hun ouders zo verdrietig zijn. Het probleem is alleen dat je je ouders niet gelukkig kúnt maken.’

Herkent u dingen van uw patiënten in uzelf?

‘Niet zozeer qua verhaal, wel qua eigenschappen. Vaak denk ik: mijn God, wat lijk ik op ze. Ik snap goed waarom ze zo perfectionistisch zijn, chaotisch of behulpzaam.’

Is dat ook helend voor uzelf?

‘Zeer helend. Zoals ik ook vaak van mijn kinderen leer. Laatst zei mijn dochter: ‘mama, het draait niet allemaal om jou’. Ik dacht: hè? Ik ben toch juist degene die zich altijd voor anderen inzet? Dan pas ga je nadenken. Ik wéét het vanuit mijn vakgebied. Maar pas als je eigen kinderen je dat voorhouden besef je: ik doe precies hetzelfde als wat ik mijn moeder vroeger verweet. Als ik mijn moeder vertelde wat me dwarszat, zei ze de volgende dag: ik heb er de hele nacht niet van kunnen slapen. Vervolgens voelde ik me schuldig en ging ik haar troosten. Dat mechanisme zie ik zo vaak bij mijn patiënten.’

Vertelt u uw patiënten over uw eigen geschiedenis?

‘Afghaanse patiënten gaan automatisch van zo’n verhaal uit. Bij Nederlanders kan het negatief werken. ‘Vergeleken met wat u hebt meegemaakt stelt mijn probleem niets voor.’ Dat is uiteraard niet zo. De context is misschien wat anders, maar trauma is trauma. En oorlog is niet het ergste. Relationeel trauma is veel erger: dat je ouders je verwaarloosd hebben, dat je niemand vertrouwt. Relaties bepalen of je je betekenisvol voelt als mens.’

Helpt het om erover te schrijven?

‘Oh ja. Ik had het verschrikkelijk gevonden als het niet gelukt was om die boeken te schrijven. Psychiatrie is mijn baan, maar schrijven komt van nog veel dieper. Op alle moeilijke momenten tijdens mijn vlucht en later hier in Nederland heb ik me getroost met de gedachte: op een dag ga ik erover schrijven.’

Zodat het niet voor niks is geweest?

‘Het belangrijkste is dat de oorlog in mijn land in de vergetelheid is geraakt. Daar probeer ik iets tegen te doen. Ik voel het als een plicht. Er is een liedje in het Farsi waarin de zinnen voorkomen:

Ik ga je stem worden, je verdriet schreeuwen
Ik ga jouw tranen huilen.

Door te schrijven huil ik de tranen van de mensen daar. Het is mijn getuigenis. Niet om mezelf te eren, maar omdat dit het enige is dat ik terug kan doen voor mijn land.’

CV FORUGH KARIMI

1971 Geboren in Kabul, Afghanistan.
1988 Studeert geneeskunde in Kabul.
1996 Vlucht naar Nederland.
1998 – 2004 Studie geneeskunde aan de UVA.
2006-2010 Opleiding tot psychiater in Nederland.
2011 Vrijgevestigd psychiater.
2022 Publicatie debuutroman De moeders van Mahipar, Meridiaan Uitgevers.
2022- heden Lid van de Raad voor de Nederlandse Taal en Letteren.
2020-2023 Voorzitter afdeling transculturele psychiatrie (NVvP).
2024 – heden Hoofdredacteur De Psychiater
2025 Publicatie In mijn ogen draag ik wolken.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Lees hier alle artikelen over dit thema

Source: Volkskrant

Previous

Next