Thomas Erdbrink doet opnieuw verslag uit Teheran, waar hij jarenlang werkte als correspondent voor Nederlandse en internationale media.
Onze vriend Afshin is zo iemand die iedereen mag. Hij is oncoloog en kunstenaar. Als je hem om 3 uur ’s nachts belt met een probleem, staat hij even later voor je deur. Iedere maand geeft hij wel een feestje, waar hij dan rustig voor vijftig man kookt. Maar bovenal is hij lief en te vertrouwen.
Afshin kent hierdoor enorm veel mensen – artsen, patiënten, de kunstscene van Teheran en ga zo maar door. Met iedereen houdt hij contact. Tijdens de Israëlische bombardementen belde hij vanuit Teheran om te vragen hoe het met mij ging, daar in het veilige Nederland. Zo is Afshin. Liefde geven, is liefde krijgen. Tijdens de oorlog komt iedereen bij hem zijn hart uitstorten. Allemaal verschillende mensen.
Gisteren kwam Afshin op bezoek, hij was geschokt over hoe verdeeld iedereen nu is in Teheran.
‘Er is een groep die zegt: laat Israël maar generaals vermoorden en militaire bases bombarderen’, zegt Afshin terwijl hij een kers in zijn mond stopt. ‘De vertegenwoordigers van de Islamitische Republiek bezetten ons land’, vindt deze groep. Ze vinden de kwaal erger dan het middel.’
Iraniërs met deze mening hopen op regime change, zien de geestelijken liefst zo snel mogelijk vertrekken en wat er daarna komt, dat zien we dan wel, zegt Afshin. Hun enige optie voor nieuw leiderschap is de zoon van de voormalige sjah van Iran, Mohammad Reza Pahlavi, die voor de revolutie van 1979 het land verliet. ‘Zijn zoon woont bijna zijn hele leven in Amerika, wat weet die nou van het leven hier?’
Dan zijn er de Iraniërs – Afshin denkt: de grootste groep – die juist enorm nationalistisch zijn geworden door de Israëlische bombardementen. ‘Zij zeggen: een aanval op mijn land, is een aanval op mij.’ Ze scharen zich, voor nu, achter de leiders – of beter gezegd: achter hun land – en zijn woest op Israël. ‘Wtf, komt Israël hier de veranderingen afdwingen die we zelf moeten maken? Het is aan ons om de toekomst van dit land te bepalen, niet aan een stelletje religieuze gekken in Israël’, is de mening daar.’
Deze discussie tussen ruwweg die twee groepen vindt momenteel in Iran overal plaats; aan de keukentafels, in taxi’s, in de wachtkamer bij de huisarts. Vaak leidt het tot ruzie.
Mijn vriendin Kimia was met haar man Armin de stad ontvlucht naar ‘Shomal’, het groene gebied rond de Kaspische Zee, waar bergen met dichte bossen het water van het grootste binnenmeer ter wereld raken. Maar ja, ze kon haar moeder niet thuislaten.
‘Al in de auto begon het gekibbel tussen mijn man en mijn moeder. Hij is fel tegen Israël, zij denkt dat Israël alle problemen voor ons oplost’, zegt Kimia. Na tien dagen reden ze boos weer terug naar Teheran. ‘Ik was blij om terug te zijn in de stad; liever bommen dan deze twee.’
Een andere kennis van me, Mohammad Reza, is nog veel radicaler. Zijn ouders zijn overtuigd aanhangers van de geestelijken, zijn zus is getrouwd met een man die zijn geld verdient door aan te schuren tegen de leiders. Hij wil dat Israël doorgaat met bombarderen. ‘Ik heb mijn ouders en mijn zus geappt dat ze wellicht zullen worden opgehangen na de regime change’, zegt hij. Sindsdien heeft Reza geen contact meer met zijn familie. ‘Dat is hun probleem, zij moeten inzien dat ze fout zitten.’
Afshin maakt zich grote zorgen over de toekomst. ‘Iedereen wil wat anders, niemand weet wat te doen en iedereen heeft ruzie met elkaar’, zegt hij. ‘En kijk naar de wereld: tegenwoordig zijn het overal de radicaalste stemmen die winnen. Dat zal hier niet anders zijn.’
Source: Volkskrant