Home

Vroem! Brad Pitt stapt weer in een racewagen in ‘F1, The Movie’. Daarom: een duik in het genre van de racefilm

Een goede racefilm is meer dan alleen maar een reeks flitsende beelden. Wat zijn de ijzeren wetten van het racefilmgenre, en: voldoet de nieuwe racefilm F1, The Movie met Brad Pitt aan deze vereisten?

schrijft voor de Volkskrant over film, non-fictie, thrillers, muziek en graphic novels.

Vroooaaammmm. Daar scheurt Brad Pitt al in een zwarte bolide door een haarspeldbocht. Hij doet dat in dienst van het (fictieve) team APXGP, dat wanhopig op zoek is naar een paar wedstrijdpunten. En het mag wat kosten, zo’n 200 miljoen dollar, daaromtrent. Althans, dat is het filmbudget.

Als de comebackkid Sonny Hayes speelt Brad ‘voor altijd jong’ Pitt (61) de hoofdrol in F1, The Movie – de meest ambitieuze racefilm in jaren. Door regisseur Joseph Kosinski gedraaid op echte circuits, met heuse raceauto’s, geholpen door de nieuwste camerasnufjes, op de huid van de realiteit en met Pitt zelf achter het stuur.

Juist door die camerasnufjes zal F1, The Movie zijn weg naar de raceliefhebbers wel weten te vinden (op rottentomatoes.com, die online smaakbarometer voor nieuwe films, is 88 procent alvast enthousiast). En het is waar: ook bij de tv-uitzendingen rijden de wagens rond met boordcameraatjes (ter grootte van een mobieltje), maar die zijn slechts toegerust voor het kleine scherm.

Haarscherpe beelden

Ditmaal moeten ze het Imax-formaat aankunnen, dat vroeg nogal om een upgrade. Haarscherpe beelden vanuit een gezichtspunt of twaalf per auto, bij snelheden van 320 kilometer per uur, dat mag je revolutionair noemen. Niet sinds Grand Prix (1966) van John Frankenheimer maakte de racefilm zo’n grote sprong voorwaarts.

Mooi verhaal is dat wel, Grand Prix. De Amerikaanse regisseur John Frankenheimer (1930-2002) had met The Manchurian Candidate (1962) al een klassieke politieke paranoiathriller afgeleverd, toen hij zich waagde aan een sportfilm, maar alleen als hij all the way mocht gaan. Dat mocht, van producent Edward Lewis, en dat hebben we geweten. Net als F1 werd Grand Prix in 1966 ook al gedraaid op officiële wedstrijdcircuits, vol echte raceauto’s, en met een hoofdrol voor de Franse vedette Yves Montand.

Er bestaan heel instructieve werkopnamen van Frankenheimers eigenwijze aanpak. Zo zette hij de professionele coureur Phil Hill – in 1961 wereldkampioen F1 voor Ferrari – in een raceauto vol camera’s, waarmee hij zich vrijelijk tussen de filmrijders op de circuits van Monaco en Spa-Franchorchamps kon bewegen. Soms met de neus op het asfalt, dan weer boven op de bumper van een achtervolger, voor het eerst zat de kijker echt op het stoeltje in de cockpit, was hij feitelijk zelf de bestuurder.

In lijn met de raceontwikkelingen op het circuit, gedraaid door de onverschrokken cameraman Lionel Lindon vanuit een laagvliegende helikopter, als een drone avant la lettre, werd Grand Prix een luid bejubeld spektakel, goed voor drie (technische) Oscars.

Neppe beelden

Zoveel vertelt de filmgeschiedenis, maar hoe vernieuwend die aanpak werkelijk was, begrijp je pas echt goed als je twee racefilms van vóór Grand Prix nog eens bekijkt: Johnny Dark (1954), met Tony Curtis, en The Racers (1955) waarin Kirk Douglas de hoofdrol speelt.

Ook klassiekers, maar je ziet regelmatig de achtergrondprojecties in de studio, met de raceauto op de voorgrond. Veel verwrongen gezichten van de piloten en zweten en zwoegen en schokken in de bochten, maar het gros van die beelden is dus fake. Dat was de norm, die door Frankenheimer met Grand Prix radicaal werd doorbroken.

Technische ontwikkeling, voor die kick ga je toch in de eerste plaats naar een racefilm, niet per se voor de (vaak wat voorspelbare) verhaaltjes. Dat gold al voor Grand Prix, en het geldt nog steeds voor F1, The Movie, en erg is dat niet. Racefilms zijn een genre op zich, een heel vermakelijk genre, met zijn eigen ijzeren wetten. En als je er in een week tijd een stuk of tien doorheen jast, herken je de formule: dit is wat je naast technische vernieuwing nog meer aantreft onder de motorkap van de betere racefilm.

The Walk

Eerst maar eens te voet. Voorafgaand aan de vrije training zien we coureurs wandelend het circuit afleggen, zodat ze iedere oneffenheid, valkuil of potentiële bananenschil op het asfalt alvast hebben gespot. In vaktermen: the walk. Dat gebeurt in het echt, en het zit in de films. Nu ook weer, met Brad Pitt in F1, The Movie. Het is een mooie vorm van spanningsopbouw. Straks, als de startlampen van kleur verspringen, breekt een pandemonium los, maar nu zien we de coureurs nog even in serene rust hun weg zoeken. Zie ook: Rush (2013) en Le Mans ’66 (2019). Bij Bobby Deerfield (1977) is the walk de opening als Al Pacino in zijn jarenzeventigcolbert en cowboyboots het circuit stap voor stap verkent, en wij samen met hem zo het verhaal binnenstappen.

De onvermijdelijke voice-over

De hectiek van een race is voor een kijker moeilijk te volgen. Wie ligt op kop, welk team doet een bandenwissel, waarom krijgt juist die auto een tijdstraf? Binnen de filmwereld bestaat daar een (weinig elegante) oplossing voor. De voice-over – niet alwetend, volgestopt met feitjes, nee, als een leven, vaak verbaasd personage binnen het verhaal. Die stem kan zijn van een radiocommentator, een tv-reporter met een stand-upper in de camera, een spreekstalmeester op de baan. Een hele tribune vol opgewonden reporters, in alle talen door elkaar. Simpel, maar wel functioneel, zo’n tetterende stem onder de beelden en boven het geluid van grommende motoren uit. Ook in F1 zit-ie weer, er werd al mee begonnen bij The Racers (1955).

Snoeiharde rock-’n-roll

Om de adrenaline bij de kijker nog wat meer op te jutten hebben de makers van racefilms er een handje van om vanaf de start snoeiharde rockmuziek in te zetten. Zo opent F1 met Led Zeppelins Whole Lotta Love, op vol volume. In andere racefilms komen Thin Lizzy en Guns N’ Roses voorbij, Gimme Some Lovin’ van Steve Winwood blijkt ook een favoriet, net als flarden van de Elvis-versie van Polk Salad Annie.

Noem dit maar even het Miami Vice-effect. Voorheen werden deftige filmcomponisten als Maurice Jarre (Grand Prix) of Michel Legrand (Le Mans) voor grote producties gevraagd, totdat ze bij de populaire politieserie uit de jaren tachtig begonnen met het invoegen van pophits. Dat sloeg aan, en prompt kreeg het idee navolging in de bioscoop. Een van de eerste voorbeelden was het Tom Cruise-racevehikel Days of Thunder (1990). Sindsdien zijn rockhits niet meer weg te denken uit het genre.

Herkenbare gezichten

Altijd leuk, échte coureurs in je film. Bedoeld om de geloofwaardigheid van het verhaal op te krikken. In F1 is dat zevenvoudig wereldkampioen Lewis Hamilton, maar dat kan ook zijn omdat hij zelf adviseur en coproducent is van de film. Viervoudig wereldkampioen Max Verstappen komt eveneens voorbij. Hij lijkt wat minder onder de indruk van de filmwereld, en hij bezocht onlangs ook niet de speciale coureursscreening van F1 in Monaco. Toch staat de cameo – zo’n leuk, klein gastrolletje van een vipcoureur – bij racefilms in een lange traditie. Alleen al bij Grand Prix (1966) tellen we een hele generatie (legendarische) sixties-rijders, onder wie Graham Hill, Jack Brabham, Jim Clark, Bruce McLaren en Jochen Rindt.

De auto boven het meisje

Als er nu iets duidelijk wordt uit al die racefilms, is dat toch altijd weer de auto voor het meisje gaat. Want een autocoureur – althans in de films – is in zijn diepste wezen een eenling. Hij wil helemaal geen vaste relatie, want dat beperkt je maar in je roekeloosheid. Niki Lauda (Daniel Brühl) zegt het in Rush zo: ‘Gelukkig zijn is je grootste vijand. Het maakt je zwak. Het zaait twijfel in je geest. Plotseling heb je iets te verliezen.’

En Steve McQueen, de coole filmcoureur met zijn staalblauwe ogen, weet in Le Mans (1971): ‘Racen is het leven zelf. Alles daarvoor en daarna is wachten.’

Andersom werkt het trouwens ook zo. In de kleine cultfilm Lady Driver (2020) gaat Grace Van Diens auto boven alles, en in de strip Michel Vaillant dumpt coureur Julie Wood nota bene haar collega en hunk Steve Warson om dezelfde reden.

De eeuwige rivaal

Het gegeven van de eeuwige rivaal zit in talloze speelfilms, maar in die over sport wel in het bijzonder. In Rush (2013) draait het om een Britse dandy versus een Oostenrijkse perfectionist. De tegenvoeters in kwestie zijn James Hunt en Niki Lauda. In de pits van het Hesketh Racing Team wordt champagne en kaviaar geserveerd. Lauda van Ferrari gaat juist vroeg naar bed – alles voor de sport, nietwaar? De twee kennen elkaar al vanaf begin jaren zeventig uit de Formule 3. Halverwege de jaren zeventig komen ze elkaar weer tegen in de Formule 1, als James Hunt inmiddels voor McLaren rijdt. Goed, hier en daar zal deze veelbekroonde biopic van Ron Howard een tikkeltje overdreven zijn. Maar als het gaat om rivaliteit binnen de autosport is dat hier bijzonder goed getroffen, met die spreekwoordelijke ‘the guy you love to hate’, en dat dan vice versa.

Focus op teamwerk

Wat is veranderd binnen de traditie van de racefilm is dat de focus langzaamaan is verlegd naar het teamwerk achter de schermen. Dat heeft alles te maken met de langlopende Netflix documentairereeks Formula 1, Drive to Survive (sinds 2019 zeven seizoenen) waarin wordt ingezoomd op de hersens en handen áchter de coureurs. Teamleiders, technici, monteurs, ontwerpers, persvoorlichters, zo’n racestal is een compleet bedrijf. Het is een van de aardige dingen aan F1, The Movie dat dit aspect naar de voorgrond wordt getrokken.

De narrige teameigenaar

Ook daaraan mag het in een racefilm niet ontbreken, de man met de centjes. Teambazen financieren de boel, vaak ter meerdere glorie van zichzelf, maar het gaat ze zelden naar de zin, en dan dreigen ze weer eens met ontslag. Dat is het hoofdthema in bijvoorbeeld Le Mans ’66. Henry Ford II, kleinzoon van de grote Henry Ford, wil Ferrari een hak zetten door met een vijandig overnamebod te komen. Enzo Ferrari trapt er niet in, en vanaf dat moment zweert Henry Ford II wraak. Hij wil Ferrari totaal vernietigen, te beginnen tijdens de 24 uur van Le Mans in 1966.

Hij geeft oud-kampioen Matt Damon carte blanche om een topteam samen te stellen, en Damon kiest op zijn beurt de vrij onhandelbare Christian Bale als zijn kopman, de coureur die de prijzen moet gaan pakken. Uiteraard gaat het Henry Ford II allemaal niet snel genoeg, en dat leidt tot vele spanningen en complicaties. Zeker niet de slechtste racefilm van de laatste jaren, eigenlijk leuker dan de eigen biopic die Enzo Ferrari in 2023 kreeg. In de regie van Michael Mann zag de Mille Miglia uit 1957 – de 1.000 kilometer-race dwars door Italië – er geweldig uit, maar het levensverhaal van Enzo Ferrari bleef wat vlak, mede te wijten aan het wel heel onderkoelde acteerwerk van hoofdrolspeler Adam Driver.

De Dodemansbocht

Geen racefilm zonder rampen en slachtoffers, en het is heus niet alleen maar effectbejag. Tot in het midden van de jaren zeventig waren de rijders in hun ‘vliegende benzinebommen’ nauwelijks beschermd. Ieder jaar startten er 25 coureurs in de Formule 1, en elk seizoen verongelukten er minimaal twee dodelijk. En toch stapten ze allemaal weer in. Een flirt met gevaar van ‘rebellen, idioten, romantici’ zoals Niki Lauda dat noemde.

Een van de krankzinnigste opgaven voor een coureur was lang de Curva Parabolica op Monza, Italië. Net als een bocht bij het baanwielrennen loopt de curva omhoog, waarmee de snelheid enorm toeneemt en de middelpuntvliedende krachten al evenzeer. Het is in deze bocht dat Yves Montand in Grand Prix als favoriet Jean-Pierre Sarti van de baan vliegt, zó de rand over, het bos in: dood. In het laatste shot zien we James Garner als de grote rivaal van Yves Montand the walk ondernemen, richting de plaats des onheils, om uit te vinden wat er precies is gebeurd.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next