Home

Met gespreide armen liep ik op hem af. Overal zweet, op mijn voorhoofd, armen, borst en buik. ‘Wietz!’, riep ik

Julien Althuisius is schrijver en voor de Volkskrant columnist over het dagelijks leven.

Aan het eind van mijn rondje hardlopen kwam ik Wytze tegen. Het was warm en zou nog warmer worden. De zon beukte op mijn rug, die bloot was omdat ik zonder shirt had gerend. Ik zweette hevig en hijgde. Wytze had ik lang niet gezien (althans, ik was hem een paar weken geleden nog tegengekomen bij het voetbalstadion en daar hadden we elkaar even vluchtig gedag gezegd, maar voordien hadden we elkaar jaren niet gezien).

We zijn nooit close geweest. Ik weet bijvoorbeeld wel dat hij kinderen heeft, maar niet hoeveel het er zijn, laat staan hoe ze heten. Toch, als we elkaar zien, ervaar ik altijd een zeker gevoel van warmte, van verbinding. We lachen en aan het eind van ons weerzien denk ik altijd: wat is het toch een leuke vent.

Daarom was ik blij Wytze te zien. Hij stond aan het eind van het duinpad met het stuur van zijn bakfiets in zijn handen en zocht een plekje om te parkeren. Hij riep iets naar iemand die ik niet kon zien, waarschijnlijk zijn vrouw of een van zijn – onbekend aantal – kinderen.

Over onze columns
Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.

Mijn lievelingsherinnering aan Wytze dateert van een jaar of twintig terug, toen we met een groep vrienden oudjaar vierden in een gehuurd huis in Noord-Brabant. Niemand wilde uiteindelijk de pasta met zalm de schuld geven, maar feit was dat vrijwel iedereen geveld werd door een voedselvergiftiging. Tijdens wat later ‘De Nacht van de Lege Magen’ zou worden genoemd, renden lijkbleke mensen heen en weer naar de toiletten en klonk er een symfonie aan wc’s die werden doorgetrokken, gekreun, geschraapte kelen, luidkeels gebraak en incidenteel wanhopig geschreeuw.

Ook Wytze moest eraan geloven. Maar onderweg naar het toilet werd het hem, halverwege de woonkamer, duidelijk dat hij het niet zou gaan redden. In een reflex greep hij naar een emmer die – toevallig – naast een bankje bij de muur stond. Hij draaide om zijn as, landde op het bankje en ging toen netjes over zijn nek. Het zag er allemaal buitengewoon professioneel en geoefend uit.

Met gespreide armen liep ik op hem af. Overal zweet, op mijn voorhoofd, op mijn armen, mijn harige borst en buik. ‘Wietz!’, riep ik en theatraal begon ik te strompelen, alsof ik twee dagen achtereen door de woestijn had gerend op de vlucht voor iets. Dat zou hij vast grappig vinden. Wytze keek in mijn richting, maar toonde geen enkele blijk van herkenning.

Misschien kwam dat omdat hij niet Wytze was, maar iemand die ik niet kende. Deze onschuldige man had net een waanzinnige met ontbloot bovenlijf, hijgend en gutsend van het zweet, op hem af zien strompelen als een zombie. En wat zei hij nou? Fiets?

Er zat voor mij niets anders op dan niet-Wytze voorbij te strompelen en te doen alsof er niets was gebeurd. Story of my life.

Geen column meer missen?
Volg uw favoriete columnisten via de app.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next