Voorheen aten de inwoners van een dorpje in Papoea graag paradijsvogels (‘smaakt naar kip’). Totdat ze ontdekten dat toeristen bereid zijn te betalen om de dandy van het regenwoud te bewonderen. ‘Er is nu werk voor iedereen.’
Door Noël van Bemmel
Fotografie Hendra Eka
De voorstelling kan beginnen in het regenwoud van Papoea. Halverwege een mistige berghelling – oeroude bomen met hun toppen in de wolken, reusachtige varens en woeste klimplanten – bereidt een koddige zwarte vogel zijn podium voor op de bosgrond. Met korte snavelbewegingen verwijdert hij de laatste blaadjes en takjes. Dan buigt de vogel statig voorover en vouwt traag zijn vleugels uit tot een soort rok. ‘Jaaa, hij gaat dansen!’, fluistert de gids.
Bezoekers uit de hele wereld komen naar Papoea om de betoverende dans van de paradijsvogel te zien. De dandy van het regenwoud is een extraverte kraai die alles uit de kast haalt om indruk te maken op zijn vrouwelijke soortgenoten: elegant verenpak, extreem lange staartveren, kokette sluiers, capes, waaiers, schouderpluimen en zwaaiende antennes op het hoofd.
Bijna alle 45 soorten leven op het reusachtige eiland Nieuw-Guinea, dat voor de helft in Indonesië ligt (Papoea). Het gebied wordt geplaagd door armoede, geweld en ontbossing, maar de cenderawasih (paradijsvogel) zorgt hier en daar voor een lichtpuntje. Zoals in Kampung Kwau, een dorpje in het Arfak-gebergte in het westen van Papoea, waar bewoners ecotoerisme hebben ontdekt als inkomstenbron.
De zwarte paradijsvogel (een Arfakparotia) richt zich plechtig op. De zilveren vlek op zijn fonkelt in het schemerige bos. Dan dribbelt hij elegant van links naar rechts over het podium, als een ballerina in een zwarte tutu, gevolgd door een serie pirouettes; als een dansende derwisj hallucineert de vogel een vrouwtje dat vanaf een tak neerkijkt. Klapstuk van de voorstelling: de paradijsvogel beweegt zijn hoofd heen en weer als Michael Jackson en laat zijn iriserende keelveren koperkleurig opflitsen. Terwijl de vogels haastig paren, merk je als toeschouwer, in een schuilhut op 5 meter afstand, dat je mond al een tijd openstaat.
Een mannelijke paradijsvogels danst voor zijn vrouwelijke soortgenoot.
‘Vroeger doodde ik wel tien van die vogels op een dag’, zegt de 42-jarige gids Hans Mandacan met spijt in zijn stem. Zijn donkere huid en kroeshaar laten zien dat hij behoort tot de inheemse bevolking van Papoea. Wijzend op de open plek in het regenwoud: ‘Dan wachtte ik gewoon tot de cenderawasih begon met dansen en schoot ik er een pijl doorheen. Ze smaken als kip.’ Dat was toen, benadrukt de zachtmoedige Mandacan op de terugweg door het bos, een normale manier om aan eten te komen. ‘Daar heb ik nu wel spijt van.’
Als 17-jarige vond Mandacan, die alleen een lagereschooldiploma heeft, een baantje als drager voor een touroperator elders in Papoea. Zo ontdekte hij tot zijn verbazig dat rijke buitenlanders geïnteresseerd waren in paradijsvogels. ‘Niet om op te eten, maar om foto’s van te maken!’ Mandacan leerde zichzelf Engels uit een boekje en probeerde ook gids te worden. ‘Ik dacht: die vogels kan ik makkelijk vinden rond ons dorp.’
Gids Hans Mandacan in Kampung Kwau.
Een dorpsgenoot met pijl-en-boog. Er worden nu veel minder paradijsvogels afgeschoten.
Het vergde vele jaren, en hulp van een ngo, voordat Mandacan een touroperator had gevonden die het aandurfde klanten naar Kampong Kwau te sturen en voordat hij zijn dorpsgenoten had overtuigd te stoppen met jagen op paradijsvogels. ‘Ik beloofde dat iedereen zou verdienen aan de buitenlanders; als chauffeur, kok, schoonmaker, boer.’
Inmiddels staan er vijf guesthouses rond het dorp en halen kloeke terreinwagens buitenlandse gasten op, onder wie veel vogelaars uit Nederland, van de luchthaven van provinciehoofdstad Manokwari. ‘In het hoogseizoen zitten we dagelijks vol. Er is nu werk voor iedereen.’ Het concept past binnen de wens van de overheid om een betere kwaliteit toerist te lokken. Minder strandtoeristen en feestgangers en meer bezoekers met belangstelling voor de natuur en cultuur van Indonesië.
Kampung Kwau blijkt een verzameling eenvoudige huizen en een geelgeverfd kerkje langs een smalle asfaltweg op 1.600 meter hoogte. In de voortuinen bloeien bougainvillea en hibiscus, in de achtertuinen groeien zoete aardappels en wortels. In een rokerige houten keuken (elektriciteit of gas ontbreekt) schilt de vader van Mandacan, een hardhorende zestiger, een grote rode vrucht met een geslepen bot van de kasuaris: de kolossale loopvogel van Papoea. Een huis verder laat een tante zien hoe je een tas knoopt van houtvezels: de befaamde Noken-tas uit Papoea. Een tienermeisje slentert langs met een bungelende kikker in haar hand. Mandacan: ‘Een kleine snack.’
‘We hebben hier niet veel geld, maar we hebben genoeg te eten’, zegt dorpssecretaris Mesak Ullo, een 32-jarige koffieboer met een volle zwarte baard. ‘Schoolgeld, toiletartikelen en simkaarten betalen we door groente te verkopen in de stad en door toerisme.’ Met een knikje naar vogelgids Hans: ‘Hij heeft ons uitgelegd wat buitenlanders willen.’ Ook Ullo jaagde ooit op paradijsvogels, maar nu niet meer. ‘We koken nu samen met toeristen, leren hen boogschieten op een rollende sinaasappel en ze kunnen selfies maken in onze traditionele kleren.’ Over de negatieve gevolgen van het toerisme maakt de secretaris zich geen zorgen. ‘Het is hier nog lang geen Bali.’
Dorpssecretaris Mesak Ullo.
In het omliggende regenwoud, waar zelfs de pisangbomen doorgroeien tot 20 meter hoogte, laat Mandacan een tweede beroemde bosbewoner zien: de bruine tuiniervogel. Die bewoont een omvangrijk prieel van takjes waaraan duidelijk maanden is gewerkt. Voor zijn deur fatsoeneert de bruine vogel nog even zijn kunstverzameling: een stapeltje blauwe waterflesdoppen, een selectie glanzende kevervleugels, een rijtje oranje bloemen. Maar de meeste indruk maakt de zangvogel met zijn imitatievermogen – een passerende scooter, of spelende kinderen op een schoolplein kunnen tot het repertoire behoren.
De bruine tuiniervogel.
Op de vraag hoe vogelaars reageren als ze eindelijk een paradijsvogel in actie zien, antwoordt Mandacan beteuterd: ‘Ze hebben vooral haast. Ik krijg van tevoren een lijst met tientallen vogels die ze binnen een paar dagen willen zien. Als ik ze naar een bepaalde vogel breng, vinken ze die af en willen ze snel door.’ Daar staat volgens hem tegenover: de buitenlanders weten echt alles over de vogels en herkennen elke zangtoon meteen.
Vorig jaar verdiende Mandacan ruim 5.000 euro met ecotoerisme. ‘30 procent gaat naar mijn guesthouse, 40 naar arme ouderen in het dorp, 20 naar de school en 10 naar de kerk.’ Vier dorpen in de omgeving hebben Mandacan gevraagd te helpen met het opzetten van een vergelijkbare operatie. ‘Ze benijden ons. Ik heb uitgelegd dat een van hen eerst Engels zal moeten leren. Anders kun je niet gidsen.’
Zijn oudste zoon Obaja, een opgewekte twintiger die met zijn jonge gezin naast het guesthouse woont, is net terug uit Bali, waar hij toerisme studeerde aan de universiteit. Nu heeft hij grootse plannen voor Kampung Kwau. 'Het eerste wat ik ga doen is een website bouwen, zodat klanten ons kunnen vinden.'
Daarna, stelt Obaja, wil hij de overheid overtuigen zijn dorp te gaan promoten als ecotoerisme-bestemming. 'En elektriciteit zou ook handig zijn.' Daarna, hoopt de zoon, kan er begonnen worden met de bouw van extra kamers.
Een dorpsbewoner plukt een kalkoen.
Afgelopen jaren werd er ongeveer 1 miljoen hectare oerwoud omgehakt in Papoea. Vrouwen willen de ontbossing een halt toeroepen en zoeken in Europa steun voor hun strijd. De mannen bezitten het bos en verkopen het liever.
De Indonesische overheid heeft, na veel verontwaardiging op internet, alle mijnbouwlicenties ingetrokken in het natuurgebied Raja Ampat. De exploitatie van een grote nikkelmijn daar net buiten, mag echter doorgaan.
Separatisten in Papoea hebben een Nieuw-Zeelandse helikopterpiloot doodgeschoten. De piloot werd gedood nadat hij zijn helikopter aan de grond had gezet. De vier passagiers zijn volgens de Indonesische politie in veiligheid.
Source: Volkskrant