Home

Tijdens mijn maand zonder big tech ontdekte ik een alternatief internet, waar gebruikers zelf de regels bepalen

Hoe afhankelijk zijn we van big tech? Techredacteur Frank Rensen maakte een maand geen gebruik van Amerikaanse techgiganten als Google, Microsoft en Meta. Het was even wennen, maar de Europese alternatieven voelden al snel redelijk normaal.

is nieuwsverslaggever van de Volkskrant, met tech als specialisme.

Mijn broer had me nog zo gewaarschuwd: bel maar niet aan, dan maak je de baby wakker. Maar ja, dat meldde hij op WhatsApp, en ik zat op Signal. Die keuze was onderdeel van mijn maand zonder big tech. Ik had wel verwacht dat ik tegen praktische problemen ging aanlopen, maar dat mijn neefje zijn middagdutje zou mislopen door mijn techdieet, had ik niet durven voorspellen.

Het dagelijks leven is verweven met technologie, en technologie is verweven met vijf bedrijven: Meta voor WhatsApp, Facebook en Instagram, Google voor de populairste zoekmachine ter wereld, Apple én Google voor onze smartphones en hun besturingssystemen, en Microsoft voor het computerbrein Windows. De ‘Big Five’ is compleet met Amazon, dat naast een webwinkel de belangrijkste verhuurder van computerkracht is – talloze instanties, sites en apps zijn afhankelijk van deze digitale landheer.

Politieke verschuiving

Recentelijk hebben de techgiganten toenadering gezocht tot de Amerikaanse president Donald Trump, die inmiddels zijn stempel op de techwereld heeft gedrukt: in navolging van Trumps beleid versoepelde Meta moderatieregels, beëindigde Google diversiteitsprogramma’s en door Trumps sancties op de hoofdaanklager van het Internationaal Strafhof, Karim Khan, is hij volledig buitengesloten van het Microsoft-systeem waarop het strafhof leunt. Deze precieze dreiging hangt zowat de hele Rijksoverheid boven het hoofd.

Sommige Nederlanders zien deze politieke verschuiving als reden om een nieuw, niet-Amerikaans techdieet aan te nemen. Anderen vinden de grootschalige privacyschendingen en vele gevallen van machtsmisbruik door big tech reden om alternatieven te zoeken. Ook de Rijksoverheid tracht los te komen van big tech, om de ‘digitale autonomie’ van Nederland te stimuleren.

Maar, zoals mijn neefje kan bevestigen: het Amerikaanse techinfuus lostrekken kan niet zonder wat spetters op de vloer. Wat dat precies betekent, is alleen op te maken uit ervaring. Daarom gebruikte ik een maand lang zo min mogelijk diensten en producten van Google, Meta, Amazon, Apple en Microsoft.

Fase 1: De offers van het nieuwe techdieet

‘Dit is niet de bedoeling.’ Met die mededeling begint de maand, en de toon is gezet. Het zijn de woorden van een ICT’er die mijn verzoek afwijst voor een alternatieve webbrowser en tekstverwerker op mijn werklaptop. ‘Het is een vreemde keus om een beheerd toestel van DPG (de uitgever van de Volkskrant, red.) te gebruiken voor dit experiment, omdat dat al volledig is doordrenkt van big tech.’

Hij heeft gelijk: ook al vervang ik mijn webbrowser, dan nog gebruik ik die op een laptop waarvan het computerbrein, Windows, is gemaakt door Microsoft. Hetzelfde geldt voor mijn smartphone: die draait op Android, een besturingssysteem dat Google in 2005 aanschafte. Mijn werklaptop valt dus af. Ik haal mijn eigen studielaptop maar weer van stal, maar moet ook daar Windows op den duur vervangen.

Techexperimenten zijn mij niet vreemd. Eerder leefde ik al een maand zonder smartphone. Maar al op de eerste dag besef ik dat die uitdaging een peulenschil is vergeleken met mijn huidige experiment, waarbij mijn héle digitale bestaan op de helling komt te staan.

Even ‘valsspelen’

Ik accepteer maar dat ik even moet ‘valsspelen’ terwijl ik zoek naar alternatieven. Eerst maar het laaghangende fruit: de onvermijdelijke migratie naar Signal, het privacyvriendelijke alternatief van een gelijknamige non-profitorganisatie. Op mijn verboden telefoon open ik WhatsApp en vervang ik mijn profielfoto met het logo van Signal en de tekst ‘Ik ben niet bereikbaar via WhatsApp. Wel telefonisch, via sms of op Signal.’

In mijn privé- en werkmail laat ik ‘out of office’-mails achter, om mensen die mij via Gmail benaderen erop te wijzen dat ik nu alleen bereikbaar ben via een mailadres van het Zwitserse bedrijf Proton.

Naaste vrienden en familieleden attendeer ik op mijn migratie. Ik krijg geïnteresseerde vragen en enthousiasme terug, zij het met een knipoog: ‘Succes ermee, ik stuur wel een postduif.’

Weinig enthousiasme

Niet iedereen is enthousiast. Er zijn vrienden en familieleden die weigeren om Signal te gebruiken. Eén collega lanceert een salvo berichten over alle aanpassingen die ik zal moeten maken, uit twijfel over de haalbaarheid en validiteit van het experiment. ‘Je maand zonder smartphone was interessanter.’

Werken voor de Volkskrant is onmogelijk zonder Google. We videovergaderen, schrijven en internetten met Google, en ik kom er op dag één ook achter dat het systeem waarmee artikelen online komen te staan, alleen werkt met Google Chrome.

Mijn collega’s schieten te hulp. Ik schrijf mijn artikelen in de Franse online tekstverwerker cryptpad.fr, waar collega’s inloggen en eventueel aanpassingen maken. Vervolgens plakken ze de tekst namens mij in het publicatiesysteem.

Brakke apps

Het is tenenkrommend – Cryptpad laadt tergend langzaam. Mijn collega’s en leidinggevenden hebben wel iets beters te doen dan worstelen met brakke apps. Gelukkig helpen de meesten me zonder klachten.

Dat moet niet afleiden van de lessen van deze fase: bedrijven kiezen voor goedkope en gebruiksvriendelijke digitale platforms, en komen dan haast automatisch uit bij de grote vijf. Werknemers hebben dat maar te accepteren, en zelfstandig loskomen is op de lange termijn onmogelijk – zelfs niet met de hulp van collega’s.

De eerste week was verschrikkelijk vermoeiend: big tech is zó vanzelfsprekend, dat ik continu op mijn hoede moet zijn of ik niet wéér een verboden app gebruik. Het zit ’m in de meest geroutineerde handelingen: pas als ik mijn telefoon tegen de pinautomaat houd om mijn boodschappen te betalen, zie ik het logo van Google Pay verschijnen in mijn ING-app.

Fase 2: Bye bye Windows

Hoe frustrerend de zoektocht naar alternatieven ook is, na een dag of tien merk ik dat die wel zo’n beetje is afgerond. Het kost energie om te wennen, maar tegen het einde van de tweede week voelt mijn nieuwe techarsenaal al best normaal.

Met schaamte moet ik toegeven dat er één dienst is waar ik niet omheen kon: Amazon Web Services. Sites als NOS.nl, Netflix en Slack blijven in de lucht omdat ze net als zestig miljoen andere pagina’s computerkracht huren bij Amazon. Het gaat om ongeveer 31 procent van alle actieve pagina’s.

Ik stop mijn frustratie in het vervangen van alle andere stukjes tech. Windows, bijvoorbeeld, het computerbrein van mijn laptop (en waarschijnlijk dat van u).

Handige vriend

Een concurrent van Windows (Microsoft) en macOS (Apple) is Linux, een familie van ‘open-source’, gratis besturingssystemen. Dat klinkt goed, maar ik vind het best intimiderend om een nieuw besturingssysteem te installeren: wat als ik iets fout doe, kan ik dan programma’s corrumperen of bestanden verliezen? Ik kan Linux tegen betaling laten installeren, maar dat is niet bepaald leerzaam. Gelukkig heb ik een zeer handige vriend die me stap voor stap kan helpen.

Onderweg naar hem maak ik met de nodige zenuwen back-ups van mijn belangrijkste bestanden. Eenmaal aangekomen, overhandig ik mijn laptop en ga ik er goed voor zitten.

Mijn vriend steekt een USB-stick in de laptop, waardoor een keuzemenu op het scherm verschijnt. Hij vraagt voor de zekerheid nog even of ik back-ups heb gemaakt en drukt met mijn akkoord op ‘installeren’. Dat was het.

Na een uur is de boel geïnstalleerd. Mijn vriend had van tevoren alleen Linux gedownload, net zoals elk ander bestand op het internet, en het op een huis-tuin-en-keuken-USB gezet.

Binnen een dag of twee ben ik wel gewend aan het nieuwe besturingssysteem, ook dankzij mijn vriend: hij had ‘Linux Mint’ voor me uitgekozen, het gebruiksvriendelijkste lid van de Linux-familie. Er is gewoon een bureaublad met icoontjes van apps; het navigeren van de instellingen gaat net zoals ik gewend ben van Windows.

Behulpzame gemeenschap

Dit anticlimactisch korte epos leert me dat loskomen van big tech juist niet in sociaal isolement hoeft te gebeuren. Niet iedereen is bevriend met een Linux-kenner, maar met elke stap verder weg van big tech, krijg ik meer te zien van een enorme, hoogst behulpzame gemeenschap waarin ‘alternatieve’ diensten de standaard zijn.

De kennis van die gemeenschap ligt voor het oprapen. Al dat zoeken naar alternatieve diensten, bijvoorbeeld, had helemaal niet zo vermoeiend hoeven zijn: na twee weken ontdek ik op het forum van techsite Tweakers een uitputtende lijst van niet-Amerikaanse tech. Die wijst me onder meer op OpenStreetMap, dat prima Google Maps kan vervangen, en Collabora Online, een alternatief voor Google Docs dat vele malen beter werkt dan Cryptpad – godzijdank.

Gefedereerde sociale media

Ik ontdek veel over de ‘small tech’-wereld via de zogeheten ‘Fediverse’: de verzameling van gefedereerde sociale media waar gebruikers zelf de regels van het platform bepalen. Bijvoorbeeld Pixelfed heeft, in tegenstelling tot tegenhanger Instagram, geen eigenaar: alle gebruikers maken PixelFed samen. Net zo is YouTube te vervangen door PeerTube en X – niet van ‘de grote vijf’, maar toch relevant – door Mastodon.

Hoewel ik de Fediverse graag gebruik, laat geen van mijn vrienden zich roeren om foto’s op PixelFed te plaatsen. Het is er daarom stil, maar niet eenzaam: daar is het internet te groot voor. Op een bepaalde manier vind ik de Fediverse fijner – míjn Fediverse heeft geen ophefstimulerend, met winstoogmerk geprogrammeerd algoritme dat me aanzet tot eindeloos doemscrollen.

Fase 3: Exit Android (en op zoek naar een vriendelijke cloud)

‘Het is gewoon een rij kasten die veel herrie maken’, schrijft Kay Eeftink, directeur van The Good Cloud, in een mail. Het Utrechtse bedrijf is een aanbieder van cloudopslag, ik sla er deze maand mijn foto’s en werkdocumenten op. Ik mailde Eeftink omdat ik met eigen ogen wilde zien waar mijn bestanden verblijven. Dat gaat niet gebeuren, antwoordt Eeftink: zo’n bezoek schendt de privacy van zijn klanten. Om me gerust te stellen, voegt hij toe dat het bezoek toch niet zo veel zou opleveren – ook al klinkt ‘de cloud’ haast magisch, het is en blijft een verzameling ronkende computers.

Eeftinks nuchtere mail charmeert me direct. Aan de term ‘the cloud’ erger ik me al langer: het maakt van gigantische, vervuilende dataparken iets ontastbaars – iets waar consumenten geen eigenaarschap over kunnen claimen.

Keuzevrijheid

Het is enigszins deprimerend, maar The Good Cloud vertegenwoordigt een radicaal product: keuze. Ik ben er gekomen via het Duitse Nextcloud, aanbieder van een online softwarepakket voor onder meer dataopslag, videoconferencing en de tekstverwerker Collabora Online. De diensten draaien allemaal op cloudservers. Bij het aanmaken van mijn Nextcloud-account mag ik besluiten aan welke cloudaanbieder ik mijn bestanden wil overhandigen.

Deze keuzevrijheid grijpt naar het hart van dit hele experiment. Als klant van de bigtechcloud heb ik geen enkele controle over waar mijn bestanden zijn opgeslagen – bij The Good Cloud wel, en is mijn privacy gegarandeerd. Boven de Amerikaanse cloud hangt altijd een donkere wolk: het Witte Huis kan dankzij de beruchte ‘Cloud Act’ altijd inzage afdwingen in bestanden die ik bij Amerikaanse cloudbedrijven heb staan.

Privacy

Privacy en big tech staan fundamenteel op gespannen voet met elkaar: veel van de diensten van de grote vijf zijn alleen ‘gratis’ omdat gebruikers in feite betalen met hun persoonsgegevens. De grote vijf weten veel meer dan alleen je adres, je politieke overtuigingen en de route die je aflegt van huis naar werk. Afgelopen januari bleek Apple via de Siri-stemassistent op iPhones ‘per ongeluk’ audio te hebben opgenomen van seksende klanten, om maar iets te noemen.

Het is logisch dat bigtechconcurrenten zoals The Good Cloud, Signal en Proton zich zo actief richten op privacyvriendelijke producten en diensten: daar zit het gat in de markt.

Neem mijn nieuwe smartphone, het vijfde en nieuwste model van het Amsterdamse Fairphone. Net als Nextcloud laat Fairphone me kiezen welk besturingssysteem ik op de telefoon wil. In plaats van Googles Android kies ik voor /e/OS van het Franse Murena (niet te verwarren met iOS van Apple).

Trackers

Dit besturingssysteem laat met ingebouwde privacyfuncties zien hoe lek mijn eigen telefoon eigenlijk is: zo blokkeert Murena alle ‘trackers’ van apps. Deze houden details over mijn activiteit op apps bij, zoals internetcookies mijn doen en laten op browsers opslaan en doorsluizen naar derde partijen. /e/OS beschermt me en laat zien hoeveel trackers het besturingssysteem voor mij heeft geblokkeerd – bijna honderd, gedurende mijn maand.

De Fairphone heeft nog een truc achter de hand. Anders dan een iPhone of een Google Pixel kan ik het apparaat openmaken en onderdelen vervangen. Een uitgebluste batterij kan ik zo vervangen, waarmee ik reparatiekosten of de aanschaf van een nieuw apparaat vermijd. Fairphone geeft me het ‘recht op reparatie’, wat big tech mij juist actief ontneemt.

Fase 4: Terug naar de realiteit

Op dag 32 mag ik weer aan het infuus van Google, Microsoft, Amazon, Meta en Apple. Ik ben opgelucht om verlost te zijn van de nogal strikte leefregels van de afgelopen maand. Het voelt als thuiskomen om de apps weer te kunnen gebruiken waarvan ik elk schermpje en elke instelling door en door ken.

Maar door het experiment staat de techwereld waar ik naar ben teruggekeerd me niet meer aan. Ik wil helemaal geen klant zijn van bedrijven die eigenaarschap opeisen over mijn data. Ik wil de vrijheid hebben om gebruiksvoorwaarden te stellen in plaats van ze lukraak te moeten accepteren. En waarom zou ik een telefoon kopen die is gebouwd om te worden vervangen?

Ik kan maar beperkt naar deze overtuigingen leven. Zo werk ik liever bij de Volkskrant mét Google dan ergens anders zonder. In de privésfeer gebruik ik nu Nextcloud, maar ik heb minder controle over de beleidskeuzes van mijn werkgever.

Achterblijvers

Ook gebruik ik nu zowel WhatsApp als Signal. Signal is weliswaar privacyvriendelijker, maar sommige WhatsApp-contacten weigeren simpelweg om over te stappen. Ook al zie ik Signal als mijn ‘standaard’ chatapp, ik gebruik WhatsApp voor gesprekken met hen. Ik accepteer dat Meta weet dat ik gesprekken voer met deze achterblijvers.

Iedereen heeft andere opvattingen over tech, waardoor het aanpassen van techconsumptie maatwerk vereist. Als ik uit politieke overwegingen zou weigeren om geld te betalen aan techmonopolisten, dan moet ik ook accepteren dat ik bijvoorbeeld NOS.nl nooit meer open – die maakt immers gebruik van Amazon. Dat gaat mij te ver. Voor mij zijn privacy en autonomie het belangrijkst, en de apps en apparaten die ik nu gebruik weerspiegelen dat.

Toch durf ik één harde conclusie op te schrijven na mijn experiment, ongeacht alle verschillende persoonlijke opvattingen: ‘Hoe kun je ooit leven zonder big tech?’ is geen retorische vraag – er zijn antwoorden.

Mijn techdieet

Laptop: Dell XPS 13 met Linux Mint

Smartphone: Fairphone 5 met Murena /e/OS

Mail: Proton Mail

Privécommunicatie:Signal Messenger, SMS

Cloudopslag:Nextcloud, via The Good Cloud

Sociale media:Pixelfed, Mastodon, PeerTube

Browser:Mozilla Firefox

Zoekmachine:Ecosia, Mojeek, Marginalia Search

Authenticator:Duo

Appwinkel:Murena App Lounge, F-Droid

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next