Steeds meer vaders streven naar een gelijke verdeling van arbeid en zorg. Toch lukt het slechts een minderheid om dit in de praktijk te brengen. Dat niet ligt aan onwil bij vaders, maar aan structurele barrières.
Zondag is het Vaderdag, en er is reden tot vieren. Vaders zijn steeds meer betrokken bij de opvoeding van hun kinderen. Ruim de helft maakt inmiddels volledig gebruik van het sinds 2020 beschikbare geboorteverlof van zes weken. Ook willen steeds meer ouders de zorg gelijk verdelen (van 59 procent in 2018 naar 71 procent in 2024).
Dat is positief: vaderbetrokkenheid bevordert het welzijn van vaders, kinderen én koppels. Een gelijkwaardigere vorm van vaderschap komt stap voor stap dichterbij.
Toch is de praktijk weerbarstig. In 2024 verdeelde slechts 35 procent van de ouders de zorg echt gelijk, een percentage dat sinds 2018 niet steeg. Het is verleidelijk om deze kloof tussen wens en werkelijkheid toe te schrijven aan de keuzes van vaders. Vrouwen worden als ‘deeltijdprinsesjes’ bekritiseerd, maar de focus komt nu ook op vaders: als zij echt gelijk willen bijdragen, waarom blijven zij dan als ‘voltijdprins’ zoveel werken en laten ze het grootse deel van de zorg aan hun partner over?
Is hun wens tot gelijk ouderschap slechts een loze belofte?
Over de auteurs
Belle Derks is hoogleraar Sociale en Organisatiepsychologie aan de Universiteit Utrecht. Lianne Aarntzen is universitair docent aan de afdeling Sociale, Gezondheids- en Organisatiepsychologie van de Universiteit Utrecht. Jens van Tricht is directeur van Stichting Emancipator en auteur van boeken over mannenemancipatie. Zij werken samen in het onderzoeksproject Economische Veerkracht van Vrouwen.
Dit is een ingezonden bijdrage, die niet noodzakelijkerwijs het standpunt van de Volkskrant reflecteert. Lees hier meer over ons beleid aangaande opiniestukken.
Eerdere bijdragen in deze discussie vindt u onder aan dit artikel.
Op basis van ons onderzoek zeggen wij: nee. Als vaders wíllen zorgen, maar de zorg toch vooral bij moeders blijft liggen, wijst dat op barrières tussen intentie en praktijk. De ongelijke verdeling van zorg ligt niet aan onwil, maar aan een systeem dat vaderbetrokkenheid ontmoedigt.
In Nederland leeft nog steeds de norm dat moeders de primaire verzorgers zijn. Hoewel we inmiddels gewend zijn aan zorgende mannen en werkende vrouwen, blijft de impliciete verwachting dat mannen hun werk voorrang geven. Deze norm zit diep in onze samenleving verankerd, waar zorg structureel minder wordt beloond dan betaald werk en geldt als ‘niet mannelijk’.
Zolang zorg wordt gezien als iets bijkomstigs dat vooral vrouwen doen, en mannelijkheid gekoppeld blijft aan prestatie, competitie en autonomie, blijft betrokken vaderschap eerder uitzondering dan norm.
Vaders ontmoeten deze norm overal: in beleid, op de werkvloer, bij consultatiebureaus, scholen, en onder familie en vrienden.
Deze ongelijkheid begint al bij het verlof. In vergelijking met andere Europese landen is het geboorteverlof voor vaders in Nederland beperkt. Moeders hebben recht op 16 weken betaald verlof, vaders slechts één week volledig betaald en vijf weken tegen 70 procent van het loon. Dit beperkt vaders in hun aanwezigheid in de cruciale eerste maanden waarin de verdeling van zorg sterk bepaald wordt. Minder tijd om te leren zorgen draagt vervolgens bij aan het idee dat vaders ‘van nature’ minder geschikt zijn dan moeders.
Ook op de werkvloer worden vaders minder aangemoedigd om werk en zorg te combineren. Werkgevers gaan vaak uit van traditionele rolpatronen en benaderen vooral moeders over verlof en oudervriendelijke regelingen. Veel vaders voelen sociale druk om voltijd te blijven werken en verlof te laten schieten, omdat ze – vaak onterecht – denken dat collega’s en leidinggevenden zulke keuzes afkeuren.
Ook in contact met zorgprofessionals voelen veel vaders zich niet serieus genomen. De verloskundige zorg richt zich vooral op moeders: partners worden zelden betrokken. Later is dit niet anders – bij consultatiebureaus, kinderopvang en scholen
communiceren professionals vooral met moeders en geven hun meer informatie. Complimenten aan vaders die meegaan op schoolreis benadrukken juist hoe uitzonderlijk hun betrokkenheid is. Dit leidt ertoe dat vaders zich minder welkom voelen en het signaal krijgen dat zij minder belangrijk zijn in de opvoeding.
Daarnaast ontmoedigt ook de sociale omgeving vaderbetrokkenheid. Familie, vrienden en andere ouders op school richten zich meestal vooral op moeders, bevestigen dat moeders zorgen en dat vaders hooguit ‘helpen’. In heteroseksuele relaties ervaren mannen vaak druk om maatschappelijk hoger te scoren dan hun partner. Mannen die minder verdienen dan hun partner worden gezien als minder aantrekkelijk, ook door hun eigen partner. Dit versterkt de druk om zich vooral op werk en status te richten en de zorg grotendeels aan de partner over te laten.
Willen we dat vaders echt in gelijke mate betrokken kunnen zijn bij de zorg voor hun kinderen, dan moeten we stoppen met doen alsof vaderbetrokkenheid een vrije keuze is. Onderzoek toont overtuigend dat vaders willen, maar de mogelijkheden missen. Daarom moeten we het systeem veranderen: van gelijke verlofrechten en vadervriendelijk hr-beleid tot zorgprofessionals die vaders vanaf het eerste contact serieus nemen.
En we spelen zelf ook een rol: als vriend, familielid of collega bevestig je soms onbewust traditionele rolpatronen door je aannames, vragen en complimenten. Bewustwording hiervan is cruciaal om sociale normen te doorbreken en echte verandering mogelijk te maken.
Veel vaders willen zorgen en veel moeders willen de zorg delen. Toch houdt het systeem vast aan een ander verhaal. Het is tijd dit verhaal te herschrijven – een mooi streven om mee te beginnen op Vaderdag.
Wilt u reageren? Stuur dan een opiniebijdrage (max 700 woorden) naar opinie@volkskrant.nl of een brief (maximaal 200 woorden) naar brieven@volkskrant.nl
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant