Ooit zong de Britse popartiest Morrissey liedjes voor onzekere jongeren en minderheden. Nu steunt hij politieke partijen die minderheden willen uitzetten.
schrijft voor de Volkskrant over popmuziek en jazz.
Wat heeft Morrissey eigenlijk verkeerd gedaan?
Volgende week is de Britse popzanger na jaren eindelijk weer in Nederland voor een concert in Amsterdam. En voor het eerst twijfel ik om te gaan, terwijl mijn liefde voor zijn zang, liedjes en teksten onvoorwaardelijk leek.
Ik was erbij toen hij in april 1984 zijn uiteindelijk enige concert met The Smiths in Nederland gaf. Daarna heb ik hem solo talloze keren zien optreden in binnen- en buitenland.
Waarom nu dan die twijfel? Aan zijn muziek ligt het niet. Nog altijd word ik blij van het idee Morrissey nog een keer liedjes te horen zingen als How Soon Is Now?, Everyday Is Like Sunday of There Is a Light That Never Goes Out. Is hij dan verwikkeld in een onverkwikkelijke MeToo-affaire, of wordt hij anderszins beschuldigd van grensoverschrijdend gedrag? Nee, dat is het allemaal niet. Maar Morrissey heeft openlijk zijn steun uitgesproken voor de politieke partij For Britain: een onguur gezelschap dat zelfs volgens Nigel Farage louter bestaat uit neonazi’s en racisten.
Reputaties veranderen continu. In deze rubriek kijken we hoe de betekenis van denkers en kunstwerken, van schrijvers en hun personages kantelt en evolueert.
Nu staat het iedereen vrij er zijn eigen politieke standpunten op na te houden, maar dat juist Morrissey in 2019 met een For Britain-speldje in de Amerikaanse talkshow van Jimmy Fallon ging zitten, voelde als verraad.
Natuurlijk, hij was pro-Brexit geweest en met zijn verdediging van anti-islam-activist Tommy Robinson had hij zich onder veel van zijn oude fans ook niet populair gemaakt. Maar dit was een stap te ver.
Een groot deel van de Britse pers, The Guardian voorop, distantieerde zich van Morrissey. Met vlammende commentaren werd hij van het voetstuk gehaald waar ze hem decennia eerder deels zelf op hadden gehesen.
De afkeur werd venijnig. Toen recensent Laura Snapes Morrissey’s coveralbum California Son (2019) besprak in The Guardian (één ster), beoordeelde ze niet zozeer de muziek, maar de maker. Morrissey was een slecht mens en moest daarvoor boeten.
Ik deelde dat sentiment, maar vond een recensie niet het middel om je onvrede met de politieke overtuiging van een kunstenaar te uiten. Alleen hoe dan wel? Met grote interesse las ik twee jaar geleden Monsters – Dilemma’s van een fan, waarin cultuurcriticus Claire Dederer een aantal kunstenaars onder de loep neemt die zich in meer of mindere mate aanstootgevend hebben gedragen. Kon of mocht je nog wel houden van de films van Roman Polanski en Woody Allen, de schilderijen van Picasso en de muziek van Michael Jackson, nu je van hun wangedrag op de hoogte was?
Eerlijk gezegd kon ik met Morrissey in mijn hoofd maar weinig met Dederers voorbeelden. Die waren allemaal al verkeerd bezig toen ze hun veelgeprezen werk maakten.
Het probleem met Morrissey is juist dat hij zich pas vrij recentelijk heeft ingelaten met racisten, terwijl hij het in zijn werk juist altijd opnam voor minderheden, of het nu hun huidskleur, geloof of seksuele geaardheid betrof. Wat Morrissey vanaf zijn entree in de popmuziek ook zo geliefd maakte, was dat veel jongeren, ook onder immigranten, zich konden identificeren met zijn liedjes.
The Smiths kwamen op in de vooral voor minderbedeelden barre Thatcher-jaren in Groot-Brittannië. Een band die anti-Tory en anti-koningshuis was met een zanger die claimde een celibatair leven te leiden. Dat laatste gaf talloze seksueel onzekere jongeren troost. Liefde en seks waren, anders dan de toen opkomende videoclipcultuur deed vermoeden (MTV was in opkomst), niet voor iedereen vanzelfsprekend.
The Smiths deden niet aan videoclips en Morrissey ook niet aan seks. Hij hunkerde wel naar liefde: ‘I am human and I need to be loved, just like everybody else does’, zong hij als ‘the son and the heir of a shyness that is criminally vulgar’ in How Soon Is Now? (1984), een van de beroemdste liedjes van de band.
Ik krijg nog altijd kippenvel als ik het donkere, intense gitaarintro van Johnny Marr hoor. In de slechts vijf jaar (1982-1987) dat The Smiths bestonden, was Marr het muzikale genie van de band. Morrissey schreef de teksten, hij de muziek, die toen met niks vergelijkbaar was. Ik was 20 toen ik in oktober 1983 voor het eerst hun (tweede) single This Charming Man hoorde.
Het was tot dan toe een slap muzikaal jaar geweest. Michael Jacksons hitalbum Thriller werd op de radio hooguit afgewisseld met Doe Maar, waarvoor ik me minstens vijf jaar te oud voelde. Het net verschenen album Swordfishtrombones van Tom Waits was de soundtrack bij mijn leven geworden, maar ik had dringend behoefte aan een jonge band die het popfan-vuurtje weer kon aanwakkeren.
In die behoefte voorzagen The Smiths. Liedjes met hemelbestormend mooie gitaren, gezongen met een soms jodelende kopstem die bepaald niet voor iedereen was. Met prachtige zinnen als ‘Spending warm summer days indoors/ Writing frightening verse to a buck-toothed girl in Luxembourg’ zouden ze vijf jaar lang mijn muzikale leven kleur geven.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant