Home

Alleluja, alleluja – wat is (in hemelsnaam) de lol van zingen in het gregoriaans?

Het gregoriaans heeft een hardnekkig muf imago: vroom geneuzel voor oude mannen. Liefhebbers – ook jongeren en vrouwen – blazen de middeleeuwse kerkmuziek nieuw leven in. Maar wat trekt hen zo aan?

schrijft voor de Volkskrant over klassieke muziek en opera.

Eind mei, een late zondagmiddag. Serene zang golft door de Basiliek van de Heilige Nicolaas, vlak bij Amsterdam Centraal. Alleluja, alleluja, jubelt een handvol mannen in wit gewaad. Surrexit Dominus vere, de Heer is waarlijk opgestaan! De melodie beweegt plechtig voort, in de muziekstijl die het christendom al 1.200 jaar begeleidt, het gregoriaans.

Een luisteraar of veertig schuift aan bij de vespers, het avondgebed. Vandaag zingen de mannen van Schola Cantorum Amsterdam, Latijn voor ‘Amsterdams zangkoor’. Volgende week zijn de vrouwen aan de beurt. Om en om bestrijken de koren het kerkelijk jaar, de rijk opgetuigde kalender met feestdagen en heiligendagen, Mariaverering en meditatie.

Als Rens Tienstra (37) op een feestje vertelt dat hij hier gregoriaans zingt, wordt hij vaak vragend aangekeken. ‘Middeleeuwse kerkmuziek, zeg ik er voor de zekerheid dan maar bij.’ Tienstra is een ‘gregofiel’: hij zingt, dirigeert, ademt, vréét gregoriaans. Hij leidt niet alleen de mannen in het wit, maar is ook artistiek directeur van het Nederlands Gregoriaans Festival. Dat zoemt vanaf vrijdag door Den Bosch, met cursussen en concerten, een sing-in en een middeleeuwse maaltijd.

Ruim baan dus voor de oudste muziek van Europa, tevens de bron van alle muziek die later kwam. Want hoe ging dat in de loop van twaalf eeuwen: uit eenstemmig gregoriaans groeide meerstemmige kerkzang. Bach kwam, Mahler verscheen. Zelfs in een simpel popakkoord sluimert nog altijd een piepklein strengetje gregoriaans DNA.

Hardnekkige clichés

Maar wanneer hoor je het nog in onverdunde vorm? In kerken en kloosters, gezongen door priesters, monniken of nonnen? Gregoriaans levert tegenwoordig vooral sfeer. Het waait in stemmige flarden door films. Het duikt op in popmuziek, al dan niet vergothict. En altijd fijn om bij zo’n mystiek klankbehang te ontstressen.

Maar verder: muf imago, vroom geneuzel, oude mannen. Is het gregoriaans niet op sterven na dood?

‘Haha!’, lacht Laine Tabora. ‘Hardnekkige clichés, vooral dat van die mannen. Wist je dat er in de middeleeuwen meer vrouwen- dan mannenkloosters waren waar men gregoriaans zong? En dat een vrouw sinds kort de scepter zwaait over het gregoriaans aan het Pauselijk Instituut voor Kerkmuziek in Rome?’

Tabora (34) kan het weten. De Letse studeerde zelf in het Vaticaan en leidt in de Nicolaasbasiliek het vrouwenkoor. Ze hoorde de lokroep van het gregoriaans voor het eerst bij een cursus oude kerkmuziek in de Letse hoofdstad Riga. ‘Ik was meteen verkocht. Het scheelde misschien dat ik als kind al gek was op films over de middeleeuwen.’

In Amsterdam deelt ze kopietjes uit. Woensdagavondrepetitie van de ‘vrouwenschola’. Uit acht kelen klinkt Exaudi Domine, luister, o Heer. De smeekbede zweeft als herfstdraad door de ruimte. Tabora zingt mee, dirigeert, stopt soms voor een aanwijzing. ’Kan dit alleluja vreugdevoller?’

Ziel van het gregoriaans

Een van de zangeressen is Juliet Oldenburger (57). Ze werd door het gregoriaans geraakt tijdens haar studie. ‘Met een studiegenoot bezocht ik de Abdij Sint Benedictusberg in Vaals. Daar zag ik hoe de kerkzang in de praktijk functioneert. Ik voelde me ter plekke opgetild en dat spirituele is voor mij nog steeds belangrijk.’

‘Ik val voor het muzikale’, zegt Katherina Ohm-van der Leeden (60). ‘Gregoriaans zingen is eenvoudig en complex tegelijk. In de ritmen en accenten zit veel subtiliteit. Het voelt zo fijn als het allemaal samenvalt. Bovendien gáát het ergens over. 80 procent van de teksten zijn Bijbelse psalmen over geloof en liefde, leven en dood.’

De ziel van het gregoriaans, zegt Rens Tienstra. ‘Zingend mediteer je op de Heilige Schrift. Wat zegt de tekst, wat betekent dat? Gregoriaans getuigt van een diepe omgang met het geloof waar we tegenwoordig niet meer bij kunnen.’

Corpus

Tienstra promoveerde met de hoogste lof op een onderzoek naar het gregoriaans in Nederland. Hij schetst een wereld waarin kloosterlingen acht keer per dag, jaar na jaar, samenkwamen voor zang en gebed. Rond de 9de eeuw ontstond er zoiets als een gregoriaans corpus, een min of meer omlijnde verzameling teksten en melodieën. ‘En verder tasten we in het duister.’

Wacht even. Paus Gregorius I gaf er in de 6de eeuw toch z’n naam aan? ‘Een legende’, zegt Tienstra. Het ging toch terug op joods gezang in de synagoge? ‘Een aanname.’ De traditie liep al die twaalf eeuwen toch naadloos door? ‘Welnee, in de 18de eeuw zieltoogde het.’

Tienstra haalt adem. ‘En wat we nu gregoriaans noemen, is het resultaat van een grootscheepse restauratie in de 19de eeuw, door monniken in het Noord-Franse Solesmes. Hét gregoriaans bestaat niet, het waren altijd lokale praktijken.’

In Nederland krijg je het niet authentieker dan in het Zuid-Limburgse Vaals: echt gregoriaans door echte monniken. In andere kloosters – de trappisten van Koningshoeven bij Tilburg, de benedictinessen van Oosterhout – lengt men de Latijnse kerkzang aan met Nederlandse teksten en nieuwe melodieën. Die weg werd vrijgemaakt door het Tweede Vaticaans Concilie in de jaren zestig van de vorige eeuw. Tot dorpskerken drong sindsdien zelfs de beatmis door.

Katholieke kerkmuziek in crisis

En nu is de katholieke kerkmuziek in crisis, zegt Laine Tabora. Behalve gregoriaans studeerde ze in Rome ook theologie en liturgie, oftewel de gebruiken rondom een kerkdienst. ‘Sinds de jaren zestig is het niveau van kerkmuziek gestaag gedaald. Veel beslissingen zijn genomen door priesters zonder muzikale scholing. Met een popaanpak dachten ze meer volk te trekken, maar het tegendeel bleek waar.’

‘Sindsdien nemen liefhebbers van het gregoriaans het heft in eigen hand’, zegt Tienstra. ‘In Nederland is het aantal koren in een halve eeuw flink gegroeid. Op de website gregoriaans-platform.nl vind je er tientallen. Dat loopt van parochiekoren tot projectkoren en schola’s zoals de onze. Een ander sprietje groen is het Nederlandse vrouwenkwintet Wishful Singing. Dat geeft online cursussen en maakte met Herman Finkers zelfs een gregoriaanse meezingmis.’

Maar of de oude kerkzang op die manier nog eens 1.200 jaar overleeft? Tienstra twijfelt. ‘In Nederland kun je gregoriaans op het conservatorium enkel nog als bijvak studeren. Van de andere kant: door de digitalisering hebben gregofielen wereldwijd contact, nieuwe inzichten verspreiden zich snel.’

Ook Laine Tabora houdt hoop. ‘Ik ken genoeg jonge mensen die gefascineerd zijn door het gregoriaans. Ze zoeken inhoud, iets authentieks, dat hoor ik ook van de vrouwen die al googelend onze schola vinden.’

Tienstra: ‘Het gregoriaans is vandaag de dag een tabula rasa, een blanco vel: alles kan, alles mag.’

Gregoriaans met ballen

Oké, maar als dat zo is: waarom klinkt het dan vaak zo bloedeloos, zo bleek? ‘Die voorbeelden ken ik ook’, zegt Tabora. ‘Uiteindelijk gaat het natuurlijk ook om muzikaliteit. Dat je kunt spelen met de klank, met articulatie, met timing.’

Tienstra: ‘Het bestaat wel hoor, gregoriaans met ballen. Dirigenten als de Fransman Marcel Pérès halen inspiratie uit mediterrane en Byzantijnse tradities. Dat klinkt reuze aantrekkelijk, lekker viriel, maar historisch gezien blijft het drijfzand.’

Na de vespers staat Tienstra met een collectebus bij de uitgang. Luisteraars bedanken hem, munten vallen. Laurens (56) bekent eerlijk dat hij voor zijn bezoek vooral een toeristische drijfveer had. ‘We hebben een nieuwe paus, ik zag de film Conclave en dacht: hoog tijd om eens een kerk binnen te lopen. Het gregoriaans beviel zeker, al werd ik meer geraakt door de muziek dan door het Woord.’

Bij Carla (55) begon het met nieuwsgierigheid naar het koor, maar al luisterend herdacht ze ook haar vader. ‘Hij is onlangs overleden en daar stond ik even bij stil. De gregoriaanse zang vond ik prachtig. Het voelt diep.’

Nederlands Gregoriaans Festival, Den Bosch, 13/6 t/m 15/6.

Gregoriaanse horror

Geen melodie uit het gregoriaans is zo vaak geciteerd als het Dies irae, ‘de dag van toorn’. Sinds de noten in de 13de eeuw werden gecomponeerd, trokken ze een woelig spoor door de Europese muziek. Een beetje hoekig zijn ze, wat natuurlijk goed past bij de verschrikkingen van het laatste oordeel waarover de tekst spreekt.

Het Dies irae zit verpakt in menig requiem, de dodenmis. Vooral vanaf de 19de eeuw, met z’n gevoeligheid voor horror, strooien componisten ook elders met het motief. In de Symfonie fantastique (1830) van Hector Berlioz steekt het Dies irae de kop op tijdens een lugubere heksensabbat. Franz Liszt gebruikte de noten in zijn onheilspellende Totentanz (1849). Sergej Rachmaninov grossierde erin, hij verstopte het motief bijvoorbeeld in het symfonische gedicht Het dodeneiland (1909).

Het Dies irae valt ook in de smaak bij filmcomponisten. Het palet is breed, van The Rightful King uit The Lion King tot de horrorfilm The Shining.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next