Home

Je eigen stad even als ‘buitenstaander’ ervaren: ‘De wereld is ingericht voor wie binnen de standaard valt’

Hoe is het om je eigen stad te beleven als hangjongere, vluchteling, nachtloper, stiltezoeker of iemand met een beperking? Tijdens een stadswandeling stappen deelnemers in andermans schoenen – en leren zo met nieuwe ogen kijken naar inclusie, afhankelijkheid en menselijke ‘bubbels’.

is verslaggever van de Volkskrant. Hij schrijft over cultureel-maatschappelijke onderwerpen als identiteit, polarisatie, extremisme en het levenseinde.

‘Het is heel beklemmend’, zegt Paul Splinter. ‘Je trekt je als vanzelf terug.’ Splinter is een vijftiger met een lichaam dat naar behoren werkt, maar vandaag heeft hij een meervoudige beperking – voor even dan. Hij zit in een rolstoel, draagt een bril met vlekken waardoor hij nauwelijks iets kan zien en heeft een koptelefoon op die hem afsluit van zijn directe omgeving én waarop hij harde stadsgeluiden hoort: getoeter, geschreeuw, gezaag, geraas van de wind.

‘Ik ging helemaal naar binnen’, zegt hij als hij weer bevrijd is van zijn beperking. ‘En ik was totaal afhankelijk van een ander.’ Iedereen zou het eens moeten meemaken hoe het is om beperkt te zijn, zegt Splinter. ‘Dan heb je pas door dat de hele wereld is ingericht voor mensen die binnen de standaard vallen.’

Dat is precies het doel van de ‘De wandelclub der stadslezers’, een reeks stadswandelingen georganiseerd door zestien bureaus. Kijk door de ogen van een ander naar de stad en breek uit je bubbel – zo omschrijft programmamaker Jesse Jörg het concept. Hij werkt bij Raum, een cultureel ontmoetingsplein in de Utrechtse nieuwbouwwijk Leidsche Rijn. In opdracht van Raum ontwikkelde ontwerpstudio Kars en Boom de wandeling.

Meer begrip voor elkaar

De inzet van de wandelclub is hoog: segregatie tegengaan en meer begrip voor elkaar kweken. ‘We blijven vaak binnen onze eigen, homogene kringen’, zegt Jörg, verwijzend naar recent onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP). ‘Daardoor leren we elkaar niet écht kennen, wat sneller leidt tot misverstanden en onterechte aannamen. Elke wandeling die onze blik verruimt, is een stap richting verbinding en tegen polarisatie.’

Tot eind oktober zijn er nog veertien van zulke wandelingen, verspreid over het land en een deel van België; twee wandelingen zijn in Gent. De eerstvolgende is op 20 juni in Eindhoven en gaat over het vraagstuk waarom meisjes van 9 en 10, vooral in de sociaal kwetsbare en grootstedelijke wijken, de publieke ruimte steeds meer mijden en te weinig buitenspelen. Verder zijn er wandelingen vanuit het perspectief van hangjongeren, vluchtelingen, nachtlopers, stiltezoekers, stickeraars en zelfs vanuit dieren: de stadsduif en de paling staan ook een keer centraal.

Het leven van Nuri

Op deze tocht in Leidsche Rijn proberen de wandelaars zich in te leven in buurtbewoner Nuri. Omdat hij niet kan praten, luisteren de deelnemers via een draagbaar speakertje naar de stem van zijn moeder Saida: ‘Ik heb autisme. Ik ben 11 jaar. Ik ben groot en sterk, maar in mijn hoofd ben ik nog maar 2 jaar. Ik ben vaak angstig, omdat ik veel dingen niet snap.’

Nuri vermijdt de binnenstad, omdat het daar te druk is. ‘Als ik in paniek raak, ga ik soms aan mensen trekken. Daar schrikken ze van, waardoor ik nog meer stress krijg.’ Het liefst gaat hij naar rustige plekken waar mensen hem kennen en begrijpen, zoals de schaapskooi of de speeltuin in de wijk. Die tweede is de volgende stop op de wandeling.

De groep wandelaars beweegt zich rollend en schuivend over straat. Een deel heeft een slechtziendenbril op en wordt aan de arm begeleid. Weer anderen worden voortgeduwd in een rolstoel. ‘Hij rijdt best soepel’, zegt Daantje over de rolstoel waar haar collega Coco in zit. ‘Ik dacht dat hij als een winkelkarretje zou rijden.’

‘Ik voel me wel snel buitengesloten van het gesprek’, zegt Coco. ‘Je zit op een andere hoogte en mensen praten vaak achter je. Het is moeilijk om mee te doen.’

‘Ik vergat haar net ook naar het gesprek te draaien’, zegt Daantje. Ze kijkt naar de obstakels voor zich in de speeltuin. ‘Kunnen wij om die plas heen? Door het gras duwen is wel zwaar.’

Taal, maar geen stem

In de speeltuin kijkt Nuri vaak naar hoe de andere kinderen met elkaar spelen, vertelt Saida. ‘Ik zou heel graag meespelen. Maar dat lukt niet altijd.’ De stem van zijn moeder breekt. ‘Kinderen van mijn leeftijd vinden mij niet leuk, want ik snap het spel niet. En kleine kinderen vinden mij eng, omdat ik soms wild en druk ben.’

Nuri heeft wel ‘taal, maar geen stem’, zegt Saida. ‘Ik kan niet uitleggen wat ik voel of denk. Dat leidt vaak tot misverstanden. Ik kan alleen met gebaren praten.’

Door zich in te leven in Nuri en andere mensen met een beperking, realiseert Bas van Geuns, vormgever van beroep, zich opeens wat een ‘inbreuk op je mentale ruimte’ een handicap is. ‘Als ik die bril en koptelefoon op heb, kan ik maar één ding tegelijk: zorgen dat ik niet word aangereden. Nu alles af is, kan ik om me heen kijken, praten, vrij rondlopen, nadenken.’

Naast hem loopt Natasja, die in het onderwijs werkt. ‘Ik houd me vaak bezig met de vraag: hoe kun je onderwijs toegankelijk maken voor alle uiteenlopende kinderen? Met deze wandeling hoopte ik meer inzicht te krijgen in die vraag. Wat me tot dusver vooral opvalt: dat ik sneller vermoeid raak.’

Tegen het einde van de wandeling begint het opeens te stortregenen. Dikke druppels plenzen uit de hemel. ‘Aaah, rijd me naar het afdakje!’, klinkt het vanuit een van de rolstoelen. Paul Splinter zit in de andere rolstoel en heeft ook een koptelefoon en bril op. ‘Ik had niet eens door dat het begon te regenen’, zegt hij. ‘Ik hoorde en zag het niet. Pas na een tijdje voelde ik de druppels op mijn broek.’

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next