Julien Althuisius is schrijver en voor de Volkskrant columnist over het dagelijks leven.
Soms ben je halverwege en krijg je spijt. In dit geval is het spijtobject een gin-tonic. Ik zit aan de bar van het café waar ik net een envelop heb opgehaald. Vannacht slaap ik in het huis van een vriendin en de sleutels waren achtergelaten bij haar stamkroeg. Nu ik er toch ben, dacht ik, waarom niet wat drinken?
Maar de gin-tonic smaakt niet. Met name omdat ik alleen ben en daar constant aan word herinnerd door de spiegel aan de muur van de bar. Dat ik net mijn middelvinger naar mezelf heb opgestoken helpt niet. Met lange tanden neem ik nog een slok en mijn gedachten dwalen af naar de serie op Apple TV die ik veel liever nu zou willen kijken.
Over onze columns
Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
Alleen klinkt alles duidelijker. Het geroezemoes van het volle terras, het tikken van glazen die worden opgestapeld, de bierspatel die steeds weer opnieuw in een stalen emmertje valt en het stel naast me dat in een geanimeerd gesprek verwikkeld is. Ze zijn een jaar of tien jonger en hebben uitsluitend oog voor elkaar.
‘Ik zeg niet dat jij daardoor...’
‘Wat is dit nou weer?’
‘Died is breed geïnteresseerd, hij is alleen niet zo ondernemend.’
Zoals bij ongeveer alles in het leven had ik me ook deze avond anders voorgesteld. In mijn fantasie zou het stel me aanspreken. In het Engels. ‘Hey stranger. What’s your poison?’
Zwijgend tik ik op mijn glas en zij gebaren de barman me bij te schenken. Daarna raken we in gesprek. Een paar uur later staan we in een karaokebar, omringd door hun vrienden. Ik weiger te zingen, maar na eindeloos aandringen stap ik toch het podium op en geef een weergaloze vertolking van Freddie Mercury’s The Great Pretender. ‘Nog nooit zoiets gehoord’, zegt de barman en hij trakteert me op een drankje.
De nacht eindigt in het park, als de zon opkomt. Nadat ik vriendelijk en nederig bedank voor alle oneerbare voorstellen die me worden gedaan, neem ik afscheid. ‘Hoe heet je eigenlijk?’, vraagt een vrouw met kaneelbruine amandelvormige ogen en dikke, donkere krullen. Ik kijk haar aan, steek mijn wijsvinger uit en druk die tegen haar zachte, volle lippen. ‘Sssst’, fluister ik.
Maar ik struikel en mijn vinger schiet in haar neus, waardoor ze hevig begint te bloeden. Haar vrienden kijken me woedend aan, radeloos zet ik het op een lopen. Ik kom niet ver, omdat ik geen 32 meer ben, maar 42 en op het moment dat ik een sprint inzet, ik mijn hamstring afscheur. Hulpeloos lig ik op de grond, schreeuw en huil verontschuldigingen. Hoofdschuddend loopt de groep bij me weg en ik blijf alleen achter, op de grond. Een hond plast over me heen.
Ik ben er bijna. Een laatste slok. Met een ferme tik zet ik het glas neer op de bar. Het is volop licht buiten, de avond is nog lang. Apple TV lonkt.
Geen column meer missen?
Volg uw favoriete columnisten via de app.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant