Home

Reizen is een illusie: één lange, tot mislukken gedoemde poging jezelf ergens achter te laten en er dan stiekem vandoor te gaan

Gemak op reis is overschat, evenals schoonheid. De reiziger kan niet zonder ontberingen. Het zijn de tegenslagen (van de ideale omvang) die je herinnering vormgeven.

Frank Heinen is schrijver en columnist voor de Volkskrant.

Slechts één keer was ik in mijn eentje op reis. Een hele week. Naar Lapland. Daar bezocht ik het wereldkampioenschap voetbal voor niet-bestaande landen. Het klonk avontuurlijk, maar pakte uit als een werkvakantie die maar niet van de grond kwam. Ik was de enige niet-lokale journalist, en bij veel wedstrijden bovendien de enige toeschouwer. Omdat het niveau van de deelnemende niet-landen nogal uit elkaar lag (Darfur tegen Zuid-Ossetië eindigde in 0-19), en ik geen van de deelnemers durfde aan te spreken, sleepten de dagen nogal aan.

’s Avonds at ik bij de Thai in de hoofdstraat, ’s nachts lag ik wakker en las ik, bij het daglicht dat maar niet wilde wijken, White Sands van Geoff Dyer. In een van de verhalen uit die bundel reist de schrijver met zijn vrouw naar Lapland. Hij belandt met haar in een soort berghut. Ze wachten eindeloos op een onbewolkt moment zodat ze het noorderlicht kunnen zien. En raken uiteindelijk het wachten beu.

Aangename ontnuchtering

Destijds vormde dat verhaal een aangename ontnuchtering. Een knusse (beklemmende) ontnuchtering. Net het leven zelf. Zo kon je dus ook reizen. Niet staren naar het al dan niet opdagende noorderlicht, maar verbaasd kijken naar wat zich allemaal tussen jou en het noorderlicht wringt. Het grootste deel daarvan is, hoe kan het ook anders, onzin. Onzin die je ondergaat, doorstaat, onzin waarin je berust of waar je je vergeefs tegen verzet. Samen. Want alleen, drong het geleidelijk tot me door, zou ik nooit ergens komen. En als ik onverhoopt toch eens alleen ergens kwam, zou ik niets meemaken. Met andere woorden: om alle onzin aan te kunnen en die onzin in reisverhalen te gieten, had ik versterking nodig.

Want ik geloof dat ik dat wilde: reisverhalen schrijven. Of, secuurder: ik wilde reisverhalen hebben geschreven.

Ik wist wel het een en ander van reisverhalen – al las ik de meeste, vol opschepperij en uitputtende beschrijvingen van landschappen waarvan ik me toch geen beeld kon vormen, met naar tegenzin riekend plichtsbesef. En ik schreef. Wat heet: ik las en schreef zo veel dat ik nauwelijks toekwam aan nadenken over de reizen die ik zelf kon maken, laat staan dat ik ze daadwerkelijk maakte. Op dat weekje Lapland na dan.

Eenzaamheid

Mijn eerste bundel reisverhalen zou Reizen is onzin gaan heten, dat wist ik vrij zeker. Ik was benieuwd naar alles wat ik zou meemaken, alles wat die titel ruimschoots zou rechtvaardigen, maar daarvoor zou ik op reis moeten en dat zag ik eigenlijk niet zo zitten. Ik zag op tegen het gebrek aan comfort, de vermoeienis, de puur voor mijn eigen (gebrek aan) plezier vergrote ecologische voetafdruk, het geregel, het gehannes, de heimwee en de eenzaamheid. Want, dat werd wel duidelijk uit de reisliteratuur: reizen doe je, behalve lang en ver en oncomfortabel, vooral alléén. Zelfs een van de minst avontuurlijke beoefenaars van het genre, Bob den Uyl, wiens reisverhalen ik bewonderde, opereerde op eigen houtje. Eenzaamheid leek een minimumeis; zodra je met meer dan één persoon op pad ging, liep een reis onvermijdelijk uit op een vakantie.

Alleen dus. Solo. Leek me niks: ik ben graag alleen, maar toch vooral als ik er zelf voor kies – en daarmee hangt samen dat je dat alleen-zijn op zeker moment weer kunt opheffen. Voor mijn reisverhalen zou ik langdurig tijd met mezelf moeten doorbrengen; geen vooruitzicht waar ik direct warm voor liep. Sinds ik met iemand samen was, was ik nog maar zelden lang alleen. We woonden samen, we aten samen, we leefden samen. Dat kan beklemmend klinken, maar zelfgekozen beklemming kan heel knus aanvoelen.

Maar toen, in Lapland, begreep ik uit White Sands dat je best samen kunt reizen, en daarover kunt schrijven. Je hoeft niet eens wat mee te maken. Liever niet, zelfs.

(Bij het schrijven van Reizen is onzin bleek vervolgens dat mijn eigen geheugen in het geheel niet te vertrouwen is en voornamelijk uit onzin – of: ‘vervormingen van de werkelijkheid’ – bestaat. Zo verscheen White Sands pas twee jaar ná mijn week in Lapland, wat de hele ontstaansgeschiedenis van mijn eigen boek op de helling zet.)

Lang uitgesmeerde vakanties

Sinds de zomer van 2016 maakte ik diverse reizen, altijd met mijn vriendin, die in Reizen is onzin haar opwachting maakt onder de naam dr. Pompsky. Waarom ik haar zo noem, ben ik vergeten – ik weet alleen nog dat het heel belangrijk was. Een deel van het personage dr. Pompsky is verzonnen, maar het deel dat niet verzonnen is, heeft liever dat ik er zo weinig mogelijk over uitweid. Zij ziet meer in de mystificatie binnen de mystificatie, een soort baboesjka van onzin. Dyer in zijn inleiding bij White Sands, over de vraag of zijn boek fictie of non-fictie is: ‘My wife, for example, is called Rebecca. Whereas in these pages the narrator’s wife is called Jessica. So that’s it really.’

Maar terug naar die reizen.

In het begin leken die reizen nog op lang uitgesmeerde vakanties, en wij hadden meer weg van toeristen dan van de reizigers uit klassieke reisverhalen. Later veranderde dat niet, maar toen had ik daar niet zo’n last meer van. Onze manier van reizen bleek niet veel meer dan je ‘al vakantie vierend verplaatsen’.

Was het überhaupt wel reizen wat we deden? Volgens Natalia Ginzburg niet. In haar essay Onhandige reizigers schrijft zij dat er mensen zijn die kunnen reizen, en anderen die het niet kunnen: ‘Het is niet gezegd dat mensen die niet kunnen reizen bij hun zeldzame reizen geen subtiel plezier kunnen beleven. Maar dat plezier is verborgen onder een deken van mist zodat ze het niet opmerken; pas later zullen ze er in hun geheugen een schim van zien.’

Ja, mist ja. Ginzburg bedoelt ‘onzin’, maar ze is te elegant om het op te schrijven.

Onverwachte problemen

Lang was reizen een privilege voor ‘reizigers’ (‘handige reizigers’, in Ginzburgs licht beledigende dichotomie), mensen voor wie het reizen een vanzelfsprekend onderdeel van hun persoonlijkheid is, mensen die weinig geven om gebrek aan comfort of gezelschap. Met dat voorrecht maakt Reizen is onzin korte metten: ook mensen die niet kunnen reizen kunnen reizen!

De vraag is alleen: hoe? En welke verwachte en onverwachte problemen doemen op uit de mist die het subtiele plezier van het reizen bedekt? Ik dacht daar tijdens onze reizen geregeld over na, en dat was nodig, omdat ik wist dat de herinnering aan allerhande ongemakken door de tijd met een vals gevoel van weemoed zou worden gevuld. Kijk, er zijn vast mensen die er daadwerkelijk van genieten om een hele middag onder het afdakje van een Decathlon net buiten Arras te wachten tot een zwijgzame zonderling een nieuwe ketting op je fiets heeft gelegd, maar die mensen hoef ik niet te leren kennen. Wie evenveel geniet van tegenslag als van meeval, heeft een stomvervelend bestaan. Beter is het, volgens mij, om ook op reis kopje-onder te gaan in de grauwe momenten, zodat de mooie er feller bij afsteken.

En, belangrijk, houd als onhandige reiziger ieder moment in gedachten dat je dit zelf wilde. Het is nauwelijks voor te stellen, maar dit is de tijd die je zelf mocht indelen, dit zijn de weken waarin het gebeurt, dit is het moment waarop je je soms al jaren voorbereidt, waarvoor je hebt gespaard. En dan, als het moment daar is, hebben ze, ik noem maar wat, alleen nog maar staplaatsen voor de sneltrein tussen Beijing en Pingyao. Prima, dachten de dr. en ik toen ons iets vergelijkbaars overkwam: doe ons twee staplaatsen.

Twee verhitte Europeanen

Alleen: de sneltrein tussen Beijing en Pingyao hád helemaal geen staplaatsen. Nergens was plaats voor onze koffers, nergens was plaats voor ons. Niemand anders stond, we waren een pre- of post-staplaatsuniversum binnengewandeld en manoeuvreerden ons maar in een smal compartiment tussen twee coupés. Elke keer dat iemand naar de wc moest of de trein wilde verlaten, drukten wij ons uit alle macht tegen de treinwand, waarop de ander zich over onze koffers hees. Dat ging prima. Kennelijk deed al gauw het gerucht de ronde dat in een tussenstuk twee verhitte Europeanen op hun koffers zaten te lezen, want er kwamen opvallend veel medereizigers een kijkje nemen. De meesten lachten alleen even en vertrokken weer.

Tot op een zeker moment de treinleiding was ingeseind en een vrouwelijke conducteur zich in het halletje meldde. Zij lachte niet. Zij schatte de situatie in, wees op de koffers en barstte uit in wat wij maar interpreteerden als een directieve tirade. Die uitbarsting hield meerdere stops aan. Het enige wat wij konden doen, was ons staplaatsticket als een schild voor ons houden en onnozel lachen. Dat lukte, maar het leverde weinig op. Achter het raampje van de deur naar de coupé verschenen steeds nieuwe, nieuwsgierige hoofden. Had ik al vermeld dat het in dat hokje minstens 40 graden was?

Wanneer je veilig thuis jezelf op reis voorstelt, denk je echt niet alleen aan de momenten waarop je met je voeten in het zand achter een bord spaghetti alle vongole zit terwijl de zon in de zee zakt, of dat je heel even helemaal alleen op de Chinese Muur staat, door toverachtige stilte omringd, maar heus ook wel even aan momenten als deze, momenten van afzien, maar altijd op een geromantiseerde, zon-in-de-zee-zak-platgeslagen manier. Je herinnert je de ellende, maar niet de dimensies van de ellende. Met een bus Chili doorkruisen, van noord naar zuid bedoel ik dan, iets verkeerds gegeten in Mumbai, de groep kwijtraken op Zuidpoolexpeditie – je wéét dat je je ellendig gaat voelen, of hebt gevoeld, maar je voelt het niet, niet werkelijk.

Buitenaards optimisme

Bij dat weten komen allerlei gedachten. Gedachten die getuigen van een buitenaards optimisme waarover je weleens hebt gelezen, in verhalen over anderen. Gedachten die je belevenissen in een breder perspectief plaatsen, een perspectief waarin ruimte is voor opluchting en foto’s terugkijken en feestjes waarop je de rest van je leven een goed verhaal hebt. Maar op het moment zelf kun je alleen maar voelen. Een gevoel van ergens niet willen zijn neemt je op die momenten zó over dat iedere afstand tot de situatie wordt opgeheven. Je zit er zo in dat je je niet kunt voorstellen dat je er ooit niet meer in zult zitten, dat die conducteur ooit nog weg zal gaan, met medeneming van je angsten voor een arrestatie, dat je ooit nog uit dat compartimentje zult komen, dat het ooit nog eens níét 40 graden zal zijn.

Voor de onhandige reiziger bestaat elke reis uit een keten van tegenvallers die met elkaar verbonden zijn door mensen die je niet begrijpen. En tuurlijk: af en toe blaast de wind in de rug. Best vaak eigenlijk, als je eerlijk bent. Maar wat blijkt: wind mee voel je niet. Bij wind mee denk je dat je zelf heel lekker gaat, dat je ‘goeie benen’ hebt. Pas als de wind draait, merk je: o, het was de wind die lekker ging, niet ik.

Gemak op reis is overschat, evenals schoonheid. Fiets maar eens dagen langs de meest pittoreske stukjes van de Rijn en weet: ook schittering verliest zijn glans, als je er maar lang genoeg aan wordt blootgesteld. De reiziger, zelfs de onhandige, kan niet zonder ontberingen, bij voorkeur van het overzichtelijke soort. Tot op zekere hoogte zijn tegenslagen meevallers, want het zijn de tegenslagen die je herinnering vormgeven, ook al kun je je daar op dat moment weinig bij voorstellen.

Overigens: ik schrijf ‘tot op zekere hoogte’, want ook tegenvallers hebben een ideale omvang. Een muis in het pension is goed, een kakkerlakkenfamilie in de gootsteen is beter, een beer in je tent is té. Hetzelfde geldt voor het weer: mooi weer is te vermijden, slecht weer is top, noodweer dan weer te vermijden.

Dat de grootste, ingecalculeerde tegenvaller van de reis het bereiken van de eindbestemming is, behoeft geen toelichting. Daar eindigt immers niet slechts de reis, maar ook het droomachtige gevoel dat de reis nooit zou hoeven eindigen, dat je altijd zo zou kunnen doorboemelen, je neus of het voorwiel achterna. Op weg naar een eeuwig op weg zijn. De finish berooft je van die illusie, hij herinnert je eraan dat het allemaal één grote constructie was, één lange, tot mislukken gedoemde poging jezelf ergens achter te laten en er dan stiekem vandoor te gaan.

Dr. Pompsky: ‘En stel: er zijn mensen die het nog niet begrijpen? Ikzelf vind het om eerlijk te zijn allemaal nog tamelijk abstract.’

Ik: ‘Nou, ik zou, als onhandige reisexpert, nog enkele van de meest prangende vragen omtrent dit thema kunnen beantwoorden. Misschien helpt dat?’

Dr. Pompsky: ‘Ik betwijfel het, maar wie weet.’

Ik overweeg een verre reis, maar ik vrees voedselvergiftiging.

Geen vraag, maar afijn.

Anekdote: Vóór onze eerste verre reis legden de dr. en ik aan bij een GGD-dame die sprekend leek op oud-nieuwslezeres Henny Stoel. Ze had een streng kapsel en informeerde zuchtend waar de reis naartoe ging, terwijl ze de juiste computerfile erbij zocht.

‘Azië’, zei ik.

‘Het Verre Oosten’, zei dr. Pompsky.

‘Ik heb hier ‘China’ staan.’

We knikten. China ja, China.

Henny Stoel zuchtte nog eens. Ze kondigde aan dat we ‘hoe dan ook’ ziek zouden worden. Maagklachten, als het aan haar lag.

‘Diarree?’, had de dr. meteen gevraagd. Als het op haar eigen stoelgang aankomt, gaat zij voor naad en kous tegelijk.

‘Da’s zacht uitgedrukt’, zuchtte Henny, opgewekter nu. Het leek of ze niet kon wachten tot onze stoelgang zich op gewelddadige wijze tegen ons zou keren.

Uiteraard informeerden we wat we konden doen om dat te voorkomen. Beslist schudde Henny haar hoofd. Voor iemand die over vaccinaties ging, had ze erg weinig vertrouwen in het voorkomen van ziekten.

‘Niets?’

Nou, zei Henny, niet helemaal niets natuurlijk. Ze boog voorover.

‘Coca-Cola’, fluisterde ze. Aan elke lettergreep hing het gewicht van duizenden jaren medische wetenschap. ‘Elke dag een blikje.’

Einde anekdote.

Welk type bezienswaardigheden mag ik op reis beslist niet overslaan?

Geen. Je bent niet op vakantie. Bezienswaardigheden worden overschat. Met name door schrijvers van reisgidsen en samenstellers van wandel- en fietsreizen, die krijgen er geen genoeg van. Tijdens onze eerste fietsreis naar Italië volgden de dr. en ik nauwgezet de route van ene Hans, die ons in het bijgeleverde boekje voortdurend wees op niet te missen bezienswaardigheden langs de route. Stadsmuren vooral, daar kreeg Hans geen genoeg van. Hoe nieuwsgierig je ook bent, voor wie langdurig ergens héén fietst, is de fiets geen vervoermiddel, maar een verblijfplaats.

Elk moment dat je onderweg afstapt om een monument of een likeurstokerij of een middeleeuwse burcht te bestuderen, is een moment van ongeduld opwekkend oponthoud. De angst iets onmisbaars te missen drijft mensen richting bezienswaardigheden, om na bezichtiging vast te stellen dat ze dat best hadden kunnen missen. Laat de bezienswaardigheden aan de vakantieganger. Voor de reiziger schuilt het bezienswaardige in dat wat verder nooit door iemand bezichtigd wordt: buitenwijken, saaie bossen, metrostations, humeurig hotelpersoneel, kiosken, snackbars, gevlekte menukaarten en modderige, door junks en daklozen gefrequenteerde plantsoenen. Het voordeel is dat je geen tijd kwijt bent aan het zoeken naar die dingen; ze dienen zich vanzelf aan.

Stel: ik heb last van een niet nader te noemen ongemak. Kan ik toch op reis?

Juist dan! Ongemak hoort bij reizen. Beschik je zelf al over een ongemak – in de vorm van een hardnekkige huidaandoening, of een sociaal onvermogen – dan hoef je je nooit af te vragen of jouw reis wel een echte reis is, en niet stiekem een vakantie. Het grote voordeel van een reis boven een vakantie is dat een reis niet leuk moet zijn. Je hoeft alleen maar wat mee te maken. Wie op vakantie gaat, wil te allen tijde voorkomen dat hij een hele middag bij een apotheek of op een poli zit te wachten op een ‘arts’ die geen Engels spreekt. Wie op reis is, omhelst de onvermijdelijkheid van de ellende, en verheugt zich op het moment dat de ellende achter de rug is.

Vrienden (van vrienden) zijn ook op reis en zijn stomtoevallig op hetzelfde moment in dezelfde stad/regio/woestijn. Afspreken?

Een ingewikkelde kwestie. Afspraken op vakantie dienen tegen iedere prijs vermeden te worden. Ieder normaal mens begrijpt dit. Bij reizen ligt dit anders: reizigers lijken voortdurend op zoek naar een reden om hun reis te onderbreken, bijvoorbeeld door af te spreken met mensen met wie ze thuis nooit zouden afspreken. Hier ontkom je, zelfs als onhandige reiziger, nooit helemaal aan. Leg je neer bij het ‘leuke tentje’ dat deze mensen voorstellen en concentreer je op het voorkomen van het ‘misschien samen verder reizen’, een mogelijkheid die onder reizigers altijd wordt aangeroerd en die vroeg of laat leidt tot ellende (namelijk: samen verder reizen).

De dr. en ik ontmoetten ooit bekenden die in Nederland bij ons om de hoek woonden en met wie we pas afspraken in een ‘leuk lunchtentje’ toen we toevallig allemaal tegelijk in Xi’an verbleven, een Chinese miljoenenstad. Waarom? Dat zijn de raadsels van het reizen.

R. was nog ziek ook.

‘Ik ben ziek’, zei hij, direct nadat we elkaar hadden omhelsd.

‘Niets ernstigs hoop ik’, vroeg dr. Pompsky.

‘Daar gaan we niet van uit’, zei P. ernstig.

‘Is dit dan wel goed?’, vroeg de dr. ‘We kunnen ook een andere keer afspreken.’

‘Waar we wonen bijvoorbeeld’, suggereerde ik, ‘aangezien we daar allemaal wonen.’

‘Nee joh’, zei R., en hij bewoog zijn hoofd heen en weer als iemand voor wie het allemaal toch niet meer uitmaakt.

‘Je ziet er ook echt beroerd uit’, zei dr. Pompsky.

‘Dankjewel’, zei R.

‘We kunnen het ook een andere keer doen’, benadrukte ik.

‘Let maar gewoon niet te veel op mij.’

‘Op wie?’, vroeg ik.

‘Op R.’, zei P.

‘Ik ben niet helemaal fit’, zei R.

We aten en het gesprek kwam op ‘eerdere reizen’. Onvermijdelijk, wanneer je op reis bent. ‘Reizen’ is een thema voor op reis, zoals ‘voetbal’ een onderwerp is voor in het stadion en ‘het weer’ voor als je buiten bent, of binnen. Overal ter wereld kletsen mensen honderduit over hun eerdere reizen, waarop ze een groot deel van de tijd in hostels over hun eerdere reizen kletsten.

‘Wij waren twee jaar geleden in Peru’, zei P.

‘Cavia gegeten?’, vroeg ik.

‘Ja! En naar Machu Picchu geweest.’

‘Heel vroeg zeker, vanwege de zonsopgang?’

‘Ja!’

‘En de mensen? Gastvrij?’

‘Belachelijk gastvrij.’

‘Wij zijn nog nooit echt op reis geweest’, biechtte dr. Pompsky op.

‘Wat deden jullie dan ’s zomers?’, vroeg R. met volle mond.

‘We gingen op vakantie’, bekende ik. ‘In hotels.’

R. en P. wisselden een korte blik, van mensen die dankbaar zijn dat zij de kansen hebben gepakt die anderen hebben laten liggen.

Ga ik af op Google Reviews of andere recensies?

Groot gevaar bij reizen is dat men afgaat op Google Reviews of andere recensies. Ga niet af op Google Reviews of andere recensies: de hoogste gemiddelden zijn op die platforms gereserveerd voor plekken waar niets op aan te merken valt. Terwijl: na verloop van tijd ben je blij met ieder gespreksonderwerp. Een reis duurt al lang zat, en samen zeuren brengt je ver van huis dichter bij elkaar. Dit geldt met name voor plekken of activiteiten die veel te duur zijn voor wat ze bieden.

Een vaak veronachtzaamde meevaller bij belachelijk hoge prijzen: je lacht je geld er zo uit. Een normale prijs reken je zonder bijgedachten af, een te hoge prijs betaal je in de gistende irritatie van iemand die zichzelf niet wil laten kennen, maar een veel te hoge prijs heeft amusementswaarde. Opgelicht worden is een belevenis, een ervaring waar je gerust geld voor over zou hebben, als je dat niet al net hebt uitgegeven.

Is reizen onzin?

Natuurlijk is reizen onzin. Maar het gáát in het leven om onzin. We hebben niets anders. En in die onzin gaat datgene schuil wat er werkelijk toe doet. Al het andere is... precies.

Frank Heinen: ‘Reizen is onzin’ verschijnt bij uitgeverij Das Mag en ligt nu in de winkel.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Lees hier alle artikelen over dit thema

Source: Volkskrant

Previous

Next