Toen Alex Burghoorn twintig jaar geleden correspondent in Israël werd, was de herinnering aan de Shoah nooit ver weg. Nu, met de verwoestingen in Gaza, voelt hij de betekenis van de Holocaust verschuiven.
is kunstverslaggever van de Volkskrant. Hij was correspondent in Israël en Palestina tussen 2005 en 2010.
Twintig jaar geleden ging ik naar Jeruzalem om als correspondent te schrijven over de open wonden van Israël en Palestina. Vanzelf kreeg ik er de verwerking van de genocide op de Europese Joden tussen 1933 en 1945 bij. Geen dag ging voorbij of ergens klonk een verwijzing naar de Shoah. Soms ook onverwacht persoonlijk.
‘Ik vraag me af of ik bij je zou kunnen onderduiken’, zei een natuurbeschermer van het Joods Nationaal Fonds tegen me.
Ik ontmoette haar voor een verhaal over de miljoenen trekvogels die jaarlijks heen en weer vliegen over de frontlinies tussen Israël, Libanon en Syrië. We reden in de herfstzon over het nog nieuwe asfalt van snelweg 6, met rechts uitzicht op de betonnen muur die Israël kort daarvoor om de bezette Palestijnse Westoever had opgetrokken. De Holocaust leek ver weg. Maar toen we van Jeruzalem naar het noorden reden, was ze benieuwd of wij in Europa wel echt achter Israël stonden.
Haar vraag overviel me. Het was voor het eerst dat een Jood mij de onderduikvraag stelde en dat maakte de vraag ernstiger dan voorheen.
Ik ben geboren in 1971, dat was 26 jaar na de val van de nazi’s. Van lange middagen oorlogje spelen in de polder herinner ik me dat we rond 1980 allemaal in het verzet zaten. Over de vraag of Anne Frank bij ons had kunnen onderduiken – de toneelbewerking van haar dagboek zag ik in mijn middelbareschooltijd op televisie – hoefden we nog geen tel na te denken.
Verder waren Sam en Moos uit de moppentrommel de enige Joden die we kenden.
Later leerde ik dat het aanmatigend was om zo zeker te zijn van een heldenrol. Het juiste antwoord was dat je pas wist of je de moed had iemand te laten onderduiken als het oorlog was. Maar goed, zover zou het toch Nooit Meer komen.
Ik had er begrip voor dat de natuurbeschermer als derdegeneratie-overlevende van de Holocaust in onzekerheid leefde, door overgeleverd trauma. Maar als jonge dertigers in de 21ste eeuw hoefden we dit gesprek toch niet echt te voeren?
Het was een misrekening.
Het wantrouwen tegenover Europa, het continent waar Joden in de loop van vele eeuwen slachtoffer zijn geweest van vooroordelen, racisme, geweld en massamoord, is in Israël niet verdwenen met het openstellen van het Anne Frank Huis. Monumenten zijn mooi, maar brengen de doden niet meer tot leven. Bijna 102 duizend Joden zijn door de nazi’s uit Nederland gedeporteerd en vermoord. In geen ander West-Europees land waren dat er verhoudingsgewijs zo veel: 73 procent van de Nederlandse Joden is uitgeroeid.
‘Het was de tijd van je grootouders’, zei de natuurbeschermer. ‘Heb je dat wel echt tot je laten doordringen?’
Veel Israëliërs ontwaarden daarom ook twintig jaar geleden al antisemitisme in Europese kritiek op de onderdrukking van de Palestijnen. Mij leek dat je antisemitisme erbuiten liet als je je kritiek baseerde op het internationaal recht, omdat die regels voor iedereen in de wereld gelijk zijn.
Daar staat bijvoorbeeld in dat een bezettingsmacht veroverd gebied niet mag laten koloniseren door de eigen burgers – iets wat Israël al vanaf 1967 toestaat, aanmoedigt en faciliteert, ondanks een uitspraak van het Internationaal Gerechtshof, meerdere VN-resoluties en herhaaldelijke oproepen van al zijn bondgenoten, inclusief de Verenigde Staten.
Maar de Conventie van Genève, waarin het oorlogsrecht na de Tweede Wereldoorlog is vastgelegd, was niet waar de natuurbeschermer het over wilde hebben.
Terwijl we op weg waren naar het spektakel van duizenden foeragerende kraanvogels en ooievaars, zei ze: ‘Jullie hebben ons al een keer verraden, waarom zou dat niet nog een keer kunnen gebeuren?’
Het is een van de vele herinneringen die sinds 7 oktober 2023 door mijn hoofd suizen. Vijf jaar deed ik voor de Volkskrant verslag in de smalle strook land tussen de Middellandse Zee en de rivier de Jordaan. Ik vraag me af of ik toen iets over het hoofd heb gezien.
Kort samengevat zag ik dit gebeuren: toen ik in 2005 aankwam haalde Israël net zijn kolonisten weg uit de Gazastrook, brak nederzettingen af, sloot de poorten goeddeels af en trok zijn leger samen aan de rand van de kustenclave. De islamistische beweging Hamas won in 2006 de Palestijnse verkiezingen, beëindigde de corrupte hegemonie van de oude bevrijdingsbeweging PLO, greep in 2007 gewapenderhand de macht in Gaza toen iedereen hen politiek had geboycot, en vuurde vervolgens raketten af op Israëlische plaatsen.
De eerste Israëlische militaire strafcampagne tegen Hamas in Gaza volgde daarop rond de jaarwisseling van 2008-2009. In drie weken werden 13 Israëliërs en 1.400 Palestijnen gedood (onder wie meer dan 300 kinderen en 700 andere burgers), raakten 46 duizend huizen verwoest en 100 duizend Palestijnen dakloos. De rechtse Likud-leider Benjamin Netanyahu won daarna in 2009 de Israëlische verkiezingen.
Aan het begin van zijn premierschap begroef hij de tweestatenoplossing als formule voor vrede. Daarna begon hij mensenrechtenorganisaties in te perken en gaf hij de radicaal-religieuze vleugel van het zionisme alle ruimte.
Ik keek lang naar die ontwikkelingen met de mentaliteit van het halfvolle glas. Gelovers in de eindtijd waren er in het Midden-Oosten al genoeg, dacht ik. Het hoefde niet slecht af te lopen: uiteindelijk verlangen de meeste mensen op de wereld naar een rustig leven.
Toen PVV-leider Geert Wilders in 2008 op uitnodiging van fundamentalistische Joodse kolonisten naar Jeruzalem kwam en Fitna liet zien – zijn propagandafilm tegen de islam – vermoedde ik niet dat het gezelschap later de koers zou gaan bepalen van de regeringen van Nederland en Israël.
Maar achteraf laten die jaren zich lezen als de inleiding op de vernietiging van het Palestijnse leven in Gaza.
Ik moest denken aan de onderduikvraag toen ik De wereld na Gaza van Pankaj Mishra las. De Indiase denker en schrijver roept er witte westerlingen mee op te onderzoeken welke plaats de Shoah inneemt in de geschiedenis.
Het is een heikele vraag, maar nadat het Israëlische leger meer dan 54 duizend Palestijnen heeft gedood, ook een noodzakelijke vraag.
Mishra, geboren in 1969, zoekt naar een verklaring voor de onvoorwaardelijke steun van het Westen voor Israël. Niet alleen in de eerste weken na het bloedbad van 7 oktober, waarbij Hamas-strijders 1.200 Israëliërs doodden en 250 van hen als gijzelaars ontvoerden, maar ook in de maanden daarna. En zelfs nog nadat het Internationaal Gerechtshof had bepaald dat de militaire strafcampagne een ‘aannemelijk’ risico in zich droeg op het begaan van een genocide.
De verklaring voor de steun is volgens Mishra dat de in meerderheid witte Europese en Amerikaanse bevolking door de lens van de Shoah naar Israël kijkt. Door hun schuldgevoel over de uitroeiing van zes miljoen Joden vergeven zij de Joodse staat al sinds de oprichting in 1948 veel. De Holocaust is de toetssteen voor westers handelen.
Maar: het wereldwijde protest tegen de Israëlische Gaza-campagne maakt volgens Mishra zichtbaar dat de ‘overweldigende meerderheid van de wereldbevolking’ de Shoah niet ziet als de belangrijkste gebeurtenis van de 20ste eeuw. Belangrijker voor hen was de dekolonisatie in al haar vormen: het verkrijgen van onafhankelijkheid door landen in Azië en Afrika en de afschaffing van de apartheid in Zuid-Afrika en het zuiden van de Verenigde Staten. (Niet toevallig is de genocidezaak in Den Haag aangezwengeld door de Zuid-Afrikaanse regering.)
De kracht van zijn betoog is dat Mishra niet de bril van de Shoah inruilt voor de bril van het kolonialisme, maar deze twee blikken op Israël met elkaar weet te combineren. Net als in zijn veelgeprezen Tijd van woede (2017) trekt hij daarvoor een boekenkast aan kennis om. Uit gedrevenheid struikelt hij daarbij af en toe over zijn eigen woorden. Dat neemt niet weg dat de vele citaten nieuw leven brengen in het denken over Israël en Palestina, dat maar al te vaak vastloopt in de herhaling van argumenten en verwijten.
Al in de eerste twee decennia na 1945 herkenden sommigen een koloniale onderneming in de veroveringsoorlogen van nazi-Duitsland, schrijft Mishra. De honger naar lebensraum, de inlijving van arbeidskrachten en de uitroeiing van eenieder die het Derde Rijk zogenaamd zou verzwakken, de Joden voorop.
Aimé Césaire, de dichter-politicus uit Martinique, een Franse kolonie in de Cariben, schreef dat de nazi’s zo uitzonderlijk wreed leken omdat het nu ging om ‘de vernedering van de witte mens’. Terwijl Adolf Hitler in de kern ‘Europese koloniale methoden toepaste die voordien exclusief waren voorbehouden aan de Arabieren van Algerije, de koelies van India en de zwarten van Afrika’.
De citaten komen uit zijn essay Over het kolonialisme (1955), dat weliswaar al zeventig jaar geleden verscheen, maar pas drie jaar geleden in het Nederlands is vertaald. Zijn werk is internationaal herontdekt dankzij het dekoloniseren van het curriculum aan westerse universiteiten, waar tot het begin van de 21ste eeuw de witte westerse canon aan denkers en historici het wereldbeeld bepaalde.
Ook de linkse Britse schrijver Doris Lessing, die opgroeide en de Tweede Wereldoorlog doorbracht in het koloniale Rhodesië (het huidige Zimbabwe), zag al vroeg parallellen. In haar roman Het gouden boek (1962) laat ze de hoofdpersoon over de strijd van de geallieerden zeggen: ‘Deze oorlog werd ons voorgesteld als een kruistocht tegen de slechte doctrines van Hitler, tegen rassenwaan enzovoort, maar toch werd (...) ongeveer de helft van het totale Afrikaanse gebied nu juist bestuurd volgens Hitlers veronderstelling: dat sommige mensen vanwege hun ras beter zijn dan andere.’
De ordening van de geschiedenis is altijd in beweging. De blik op het verleden verandert van generatie op generatie. De betekenis van het koloniale verleden – van gouden eeuw of grauwe eeuw – is zoals bekend de laatste vijftien jaar volop onderwerp van studie, debat en voortschrijdend inzicht in Nederland. Van het afbouwen van de racistische Zwarte Piet-traditie tot het maken van excuses voor de slavernij in 2022.
Onder druk van het lijden in Gaza speelt zich zo’n herijking ook af over de redenen van de politieke steun voor Israël en de betekenis daarin van de Shoah. Hoe moeilijk dat in de hand te houden is, blijkt uit het criminaliseren van de pro-Palestijnse beweging als antisemitisch in Duitsland en de VS, en uit de opmerking van de Nederlandse vicepremier Mona Keijzer dat antisemitisme ‘bijna’ eigen is aan de islamitische cultuur.
De strijd over de geschiedenis dreigt zo, net als in het Midden-Oosten, uit te monden in de vraag wie het grootste slachtoffer of de grootste dader is. In 2009 schreef ik aan het eind van de eerste grote strafcampagne tegen Hamas in Gaza over ‘de holocaust-concurrentie waarin Israël en de Palestijnen verzeild zijn geraakt’.
Meer en meer ontstond een wedloop: was de Shoah erger, of de Nakba, de etnische zuivering van 1948, toen 750 duizend Palestijnen bij de stichting van Israël uit hun huizen zijn verdreven?
In Europa klinkt hiervan een echo wanneer statistieken van antisemitische en islamofobe incidenten naast elkaar worden gezet. Zijn er meer synagogen of meer moskeeën beklad?
In De wereld na Gaza vergelijkt Mishra de verschrikkingen van de Shoah niet met andere verschrikkingen die zijn gepleegd met een koloniale mindset, waarin het gewoon is gebied te bezetten en anderen aan je wil te onderwerpen. De verschillen ertussen zijn talloos – in methoden van repressie, aantallen slachtoffers, de duur ervan, de mate van verzet.
Maar voor de ervaring van de slachtoffers van de onderdrukking en hun nakomelingen maakt dat niet uit. Het is daarom dat zovelen buiten de wereld van witte mensen zich herkennen in het lot van de Palestijnen.
Het gaat er Mishra niet om de Jodenvernietiging onder te brengen in een rangorde met bijvoorbeeld de Brits-Nederlandse apartheid in Zuid-Afrika, de Algerijnse onafhankelijkheidsoorlog met Frankrijk, de Duitse genocide op de Herero in Namibië of de segregatiewetten in het zuiden van de VS. Het gaat hem erom vast te stellen dat al die misdaden met al hun particuliere omstandigheden zijn begaan vanuit eenzelfde wit superioriteitsdenken.
Daar hoort dan ook de Israëlische onderwerping van de Palestijnen tussen, in alle fasen vanaf de Nakba van 1948.
De Shoah scharen onder de koloniale misdaden betekent dat het niet langer een misdaad hors catégorie is. Het maakt het voor Europa mogelijk een nieuwe kijk op het Israël van nu krijgen, zónder dat dit iets af hoeft te doen aan de lessen van de Holocaust.
Het is een inzicht dat ik graag al zo scherp had gehad in ‘de wereld voor Gaza’. Dan had ik me als correspondent vrijer gevoeld het woord apartheid te gebruiken voor het regime waaraan Israël de Palestijnen in de bezette gebieden onderwierp.
In De wereld na Gaza vertelt Mishra hoe zijn kijk op Israël in de loop der jaren is veranderd na zijn jeugd in een hindoenationalistische familie die een voorbeeld nam aan het Joods-nationalistische zionisme.
Het ‘zielig onsamenhangende en schuchtere’ India kon volgens hen van Israël leren ‘hoe je met moslims moest omgaan in de enige taal die ze begrepen: die van geweld en meer geweld’. Op zijn jongenskamer had Mishra in de jaren zeventig een foto hangen van Moshe Dayan, de Israëlische generaal met het ooglapje, held van de oorlog van 1967, toen de bezetting van Gaza begon.
In het inmiddels verschenen stapeltje boeken van niet-witte schrijvers die naar Israël en Palestina kijken, is het de ontwikkeling in de persoonlijke blik die inspireert.
Tien jaar geleden zag de zwarte Amerikaanse schrijver Ta-Nehisi Coates (1975) de Duitse herstelbetalingen aan Israël voor de Shoah nog als model voor de Amerikaanse regering om ook de cirkel van schuld en boete af te sluiten met de nakomelingen van de slaafgemaakten in de VS. Tot hij de onderdrukking van de Palestijnen in de stad Hebron ervoer, schrijft Coates in The Message (2024). ‘Net als dat mijn voorouders in een land zijn geboren waar geen van hen gelijk was aan witte mensen, zo openbaarde Israël zich als een land waar geen Palestijn ooit de gelijke is van iemand met de Joodse identiteit.’
Voor de Nederlandse schrijver met Turkse wortels Sinan Çankaya was het ongemakkelijk moeilijk om zijn verzetsuitgeverij zijn woede over Gaza te laten publiceren. Ineens bleek de in 1982 geboren antropoloog na een sociale klim uit het boekje nog steeds niet geaccepteerd. Uit Galmende geschiedenissen (2025): ‘O, in de toekomst zullen velen zich in de moeilijkste bochten wringen om goed te praten waarom (...) ze lijdzaam toekeken. We kunnen er niet vreemd van opkijken, ze staan in een lange historische traditie van Nederlanders met een collaboratieachtergrond.’
Ik ben geboren in 1971 en dat was nog zes jaar voor de onthulling van het Auschwitzmonument in Amsterdam – de gebroken spiegels van Jan Wolkers. Het gemeentebestuur van Amsterdam heeft onlangs na tachtig jaar excuses gemaakt voor zijn rol bij de Jodenvervolging – in de hoofdstad woonden veruit de meeste Nederlandse en uit Duitsland gevluchte Joden. Het Amsterdamse trambedrijf bood een jaar eerder excuses aan voor zijn rol in de deportaties van Joden.
Tal van gemeenten hebben de afgelopen jaren pas laten onderzoeken hoeveel vastgoed van gedeporteerde Joden ze hadden opgekocht – in vijf Groningse plattelandsgemeenten kwamen ze er twee jaar geleden tot hun schrik achter dat daar zelfs 90 procent van de Joodse bevolking is vermoord door de nazi’s.
Het stemt nederig dat het rekenschap afleggen voor het handelen van Nederlanders tijdens de Shoah nog altijd niet is voltooid, zestig jaar na het verschijnen van het standaardwerk Ondergang – De vervolging en verdelging van het Nederlandse Jodendom 1940-1945 van Jacques Presser, dat nota bene een bestseller was in de jaren zestig.
Het voetje voor voetje waarmee dit gebeurt, staat in schril contrast met het al decennialange bondgenootschap met Israël, dat daardoor toch vooral de wens uitdrukt ‘goed na de oorlog’ te zijn. Israël was niet het enige Joodse antwoord op de Shoah: van de 15 miljoen Joden in de wereld woont de helft in Israël en de rest daarbuiten, ook in Nederland.
Het antwoord op de vraag of Israël nog onvoorwaardelijke steun en solidariteit verdient van Europa is volgens mij nee. Nu niet, en toen ik er verslag deed ook al niet meer. Het dodental en de verwoesting in Gaza mogen dan nu genocidaal zijn, ook twintig jaar geleden ging Israël stelselmatig over de grenzen van het recht. De nederzettingen in bezet gebied, de collectieve straffen voor de Palestijnen, de landroof met de bouw van de muur, het gebruik van witte fosformunitie en jarenlange opsluiting van Palestijnen zonder aanklacht.
Het is allemaal uitgebreid gedocumenteerd door de VN, het Rode Kruis, Israëlische, Palestijnse en internationale mensenrechtenorganisaties en journalisten uit de hele wereld. Ook door mij.
Anderzijds had mijn antwoord op de onderduikvraag van de Israëlische natuurbeschermer natuurlijk een volmondig ja moeten zijn. Geen ontwijkend ‘ik kan daar nu wel wat op zeggen, maar dat weet je pas als het zover is’.
Iedereen, van Joodse of andere afkomst, verdient mijn onvoorwaardelijke steun en solidariteit als een onrechtvaardige overheid jacht op ze maakt.
Het is geen lichtzinnige belofte. Ik ging als kind na schooltijd graag langs bij mijn oma, eind jaren zeventig. Haar borduurlappen vulden zich steek voor steek, terwijl we thee dronken. Ze kletste honderduit als ze bezig was en herhaalde nogal eens dezelfde verhalen.
Vaak vertelde ze over de twee Joodse studenten die in de oorlogsjaren bij mijn grootouders op kamers hadden gewoond. Ze hadden boven altijd woonruimte onderverhuurd om de maandelijkse huur van hun winkel te kunnen opbrengen.
De studenten hadden een voorraadkast, vertelde oma, met daarin suiker, meel, melkpoeder en zo meer. In de lente van 1942 was mijn moeder geboren en het was al in het eerste jaar van haar leven moeilijk om aan melk te komen, herinnerde mijn oma zich. Bitter zei ze dan steeds: die Joodse jongens wilden het melkpoeder niet delen, ik mocht het alleen van ze kopen.
Het is het enige oorlogsverhaal waarin Joden voorkomen dat ik ooit in mijn familie heb gehoord. De afloop kende ik niet. Waren de twee jongemannen aan de nazi’s ontsnapt? De Jodenster was ingevoerd rond de geboorte van mijn moeder, als slotstuk van een reeks maatregelen om Joden te isoleren, daarna begonnen de deportaties.
Mijn opa leefde nog toen ik correspondent was en vlak voor hij zijn 100ste verjaardag vierde, vroeg ik hem ernaar. Ze waren op een dag verdwenen, zei hij. Waren ze ondergedoken, vroeg ik. Hij wist het niet. Opgepakt misschien? Hij had geen idee.
Na de oorlog was het lastig genoeg om weer brood op de plank te krijgen. Met oma had hij zelfs nog even overwogen naar Canada te emigreren. Hij herinnerde zich niet of ze navraag hadden gedaan naar wat er met de Joodse studenten was gebeurd.
Het is geen spectaculair verhaal van verzet of verraad. Meer een verhaal van het hebben van andere zorgen: ik ben blij dat ze mijn moeder als peuter door de Hongerwinter hebben geloodst.
Misschien is het daarnaast ook een voorbeeld van de onverschilligheid en het alledaagse antisemitisme dat het mogelijk heeft gemaakt dat in Nederland zo veel Joden in de oorlog zijn opgepakt, afgevoerd en uitgemoord. Ik ben voorzichtig met conclusies, want ik heb ze er tot mijn spijt verder niets over gevraagd en zij wilden of konden er vanuit zichzelf verder niets over vertellen.
Wat had ik graag meer van ze geleerd over de keuzes waar ze voor stonden. Om me te helpen geen derdegeneratie-omstander te worden.
Pankaj Mishra: De wereld na Gaza. Uit het Engels vertaald door Nannie de Nijs Bik-Plasman en Arjanne van Luipen. Atlas Contact; 304 pagina’s; € 24,99.
Luister hieronder naar onze podcast Culturele bagage. Kijk voor al onze podcasts op volkskrant.nl/podcasts.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant