Naar welk terras in Parijs moet je als je intellectuele pretenties hebt? Schrijver Berend Sommer kiest zelf, net zoals Jean-Paul Sartre dat vroeger deed, voor Café de Flore. Daar ziet hij het existentialisme in actie.
Mei in Parijs, de boulevards stromen vol en ik ben chagrijnig. Ik zit op het terras van Les Deux Magots, tussen verveelde Amerikanen. Ik ben dol op terrassen, maar wel als ik precies op het juiste moment op de juiste plek zit. Met mijn gezicht in de richting van de Boulevard Saint-Germain, in de schaduw van de platanen.
Het tafeltje moet een rustpunt zijn in de hectiek van het terras. De tijd verstrijkt, gasten komen en gaan, de obers lossen elkaar af, je leest een boek en nipt rustig van koffie of wijn.
Dat is het ideaal, maar het ideaal is 20 meter verderop, in de zon bij Café de Flore. Hoewel even toeristisch als Les Deux Magots, toch een wereld van verschil.
Chagrijnig is niet helemaal het juiste woord; afgunstig is beter.
Op het eerste gezicht zijn vooral de overeenkomsten tussen de cafés opvallend: vrouwen hebben designertassen bij zich, mannen zijn vaak óf te gespierd óf te dik. Voor beide terrassen staan mensen in de rij en de menu’s bieden middelmatig eten voor exorbitante prijzen.
Waarom zou je er in godsnaam gaan zitten? Misschien is het de historische sensatie. Zowel Les Deux Magots als Flore opende in de 19de eeuw, en ze bouwden in de eerste vijftig jaren van de 20ste eeuw een reputatie op waar ze nog altijd op leunen. Les Deux Magots werd bezocht door Hemingway, Joyce, Picasso en Apollinaire. Én door de existentialisten.
Maar na de Tweede Wereldoorlog vertrokken Sartre en De Beauvoir naar Café de Flore. Les Deux Magots was, echt waar, te toeristisch geworden – niet in de laatste plaats omdat mensen een glimp wilden opvangen van Frankrijks beroemdste schrijvers.
Ooit was het zesde arrondissement aan de Parijse linkeroever in trek bij kunstenaars omdat het er goedkoper was dan de Rive Droite. Nu zit er een flagshipstore van Louis Vuitton tussen beide cafés, met een rood koord om wachtende klanten ordentelijk buiten de deur te houden.
Bij Flore komt een tafeltje vrij naast de ingang, ik duik in het vacuüm.
Alle stress en onvrede verdwijnen zodra ik zit. ‘Welkom terug’, zegt de ober – veel tevredener kan hij me niet krijgen. Zelfs de zon schijnt aangenamer bij Café de Flore.
In zijn geestige boek Paris to the Moon beschrijft The New Yorker-coryfee Adam Gopnik een afspraak in Café de Flore met een Franse vriendin. Tot hun schrik is er geen enkele tafel meer vrij, en Gopnik stelt voor om naar Les Deux Magots te gaan. Onmogelijk, aldus de vriendin. Flore is modieus, Les Deux Magots absoluut niet.
Het boek van Gopnik is twintig jaar oud, maar wat hij schrijft klopt nog steeds. Café de Flore lijkt een dure tourist trap, en is dat tot op zekere hoogte ook, maar het heeft nog altijd literaire pretentie. En anders dan bij Les Deux Magots wordt die pretentie nog altijd serieus genomen door de Franse culturele elite. Jaarlijks wordt hier de Prix de Flore uitgereikt, onder anderen Michel Houellebecq en de feministische cultschrijver Virginie Despentes ontvingen ’m.
Flore is nog altijd de hang-out van de lokale ster Frédéric Beigbeder, een literair enfant terrible van ergens in de vijftig. Ik heb lang zitten nadenken over een Nederlandse tegenhanger, maar ik kwam niet verder dan Kluun. Om een beeld te geven van zijn werk: vorig jaar verscheen zijn boek Confessions d’un hétérosexuel légèrement dépassé, vrij vertaald als ‘Bekentenissen van een iets te oude heteroman’.
Terwijl ik de kaart bestudeer, ontstaat er consternatie onder het personeel. Er wil een groepje scholieren naar binnen. ‘Des mineurs’, zegt de maître d’ bezorgd tegen de ober, ‘minderjarigen, wat moeten we daarmee?’ Gelukkig willen de scholieren alleen weten welke Franse filosoof hier altijd zat. Zodra ze het antwoord hebben, stuiven ze weg.
Tijdens de oorlog schreef Sartre op de eerste verdieping van het café, naar verluidt omdat er een goede kachel was. Het zijn gaat vooraf aan het denken, is de centrale stelling van zijn beroemdste essay: L’existentialisme est un humanisme. In de praktijk betekent het dat je zelf verantwoordelijk bent voor je keuzes. Zelfs als die keuzes niet makkelijk zijn, ben je gedwongen te kiezen – je bent dus gedoemd om vrij te zijn.
Alles aan het interieur van het café is gericht op de historische sensatie. De meubels van het café lijken afkomstig uit de tijd toen Sartre hier leefde en werkte, behalve dat het er nu veel schoner moet zijn. Zoals het hoort in ouderwetse cafés is er een eenpersoonskassa (een comptoir) met een strenge caissière, de roodleren banken zijn keurig onderhouden en ouderwets oncomfortabel, en de omelet met kaas kun je waarschijnlijk al zeventig jaar bestellen.
De inrichting heeft het soort authenticiteit waar Instagram dol op is. Maar authenticiteit en sociale media leven op gespannen voet. In Café de Flore levert dat geweldige taferelen op. Omdat de tafels op het terras altijd vol zitten, worden wachtende toeristen opgelijnd langs de boulevard. (Franse habitués hoeven natuurlijk niet te wachten, die lopen gewoon naar binnen.)
Achter het koord zie je veelal stelletjes en vrienden die het gewend zijn om in de rij te staan voor een authentieke ervaring. Geduldig staren ze naar hun telefoon tot ze aan de beurt zijn om een kopje koffie te bestellen en hun bezoek wereldkundig te maken.
Instagram is een uitdaging voor het existentialisme. De app wil dat je je leven regisseert als een succesverhaal. En als je de machinerie van het algoritme volgt, word je rijkelijk beloond. Met hartjes en vlammetjes. Een infuus van dopamine dat alle individuele keuzes ondergeschikt maakt aan de beeldvorming van je leven. Instagram doodt authenticiteit.
Of, om Sartre te parafraseren: het beeld gaat vooraf aan het zijn, en dat gaat vooraf aan het denken.
Is Café de Flore een tourist trap? Ja en nee. Eenmaal aan de beurt wordt het gezelschap naar een tafeltje geleid. Een rond tafeltje wordt bedekt met een papieren tafelkleed met daarop een afbeelding van het café, getekend door de Franse striptekenaar Sempé, ook bekend van zijn werk voor The New Yorker. De obers zijn stoïcijns, goedgehumeurd en hoffelijk, ongeacht het publiek.
Naast me wordt een oververmoeid gezin – waarschijnlijk de hele ochtend rondgesjokt – vriendelijk geholpen door de ober; hij raadt ze warme chocolademelk met slagroom aan, voor frisse energie. Zelfs met 20 graden in de zon is het een fotogenieke klassieker. Lobbige slagroom wordt op een apart schoteltje opgediend, voorzien van de naam Café de Flore. Dit schoteltje is, net als al het servies, te koop.
Als ik om half 11 een pint bier bestel, knikt de ober begrijpend. Je moet een bijzonder wilde bestelling doen als je ze hier wilt verbazen.
Als een ober nadert met een bestelling, worden de gasten zenuwachtig: het is crunch time. Geconcentreerd filmen de toeristen hoe hun ontbijt wordt opgediend. Regelmatig wordt gevraagd of het opdienen nog een tweede keer kan, omdat de eerste keer niet goed is vastgelegd. Daarna volgt een kort moment van ontspanning, en is het goed gebruik om het filmpje nog eens terug te kijken en te beoordelen.
Het roerei wordt koud, maar dat hindert niet: na de tweede hap is het eten niet meer ongeschonden en leent het zich dus niet meer voor een foto.
Het eten verliest zijn functie, het gesprek valt dood, het terras verliest zijn magie en de blikken wenden zich weer tot het leven op het scherm. Ze laten elkaar foto’s zien. Na een kwartier is er kort overleg over de volgende bestemming en vragen ze of de ober een taxi wil bestellen naar Hermès in de Rue Saint-Honoré.
De volgende dag keer ik terug om te drinken. Het is avond en buiten giet het pijpenstelen. Naast me gaat een meisje zitten, aan haar plastic tas zie ik dat ze net bij de buren is geweest. Niet Louis Vuitton, maar L’Écume des Pages, de boekhandel aan de andere kant van het café. Ze bestelt een glas bier en begint te lezen in de biografie van Marie Antoinette door Stefan Zweig, vertaald in het Frans.
Na een paar minuten graait ze afwezig in haar tas, haalt er een mandarijn uit en begint die te pellen en op te eten. Dan – ik verzin dit niet – haalt ze een banaan uit haar tas, ook die wordt verorberd. Ten slotte vindt ze ook nog een appel, en ook die eet ze op. Geen moment kijkt ze op uit haar boek.
Stefan Zweig is een goede schrijver.
In Flore is alles mogelijk. Een deel van de aantrekkingskracht is het Franse publiek, en de geschiedenis, maar dat is maar een klein deel van de ervaring. Het meest geniet ik van de wisselwerking tussen Café de Flore en de toeristen. Ze hebben een beeld in hun hoofd van het perfecte plaatje van hun ontbijt, en staan ervoor in de rij. Zodra ze het hebben vastgelegd, is de reden voor hun cafébezoek verdwenen. Gespannen wachten ze op de likes. Café de Flore is niet wezenlijk anders dan de Eiffeltoren of de Mona Lisa – het is allemaal content. Als de mens vrij is, zoals Sartre schrijft, is dit dan de manier om die vrijheid te verzilveren?
Volgens Sartre is de mens de som van zijn acties, wat hij kiest, onderneemt en met wie hij omgaat. Het is een keuze om je af te schermen en de werkelijkheid te beleven via een scherm. Het is ook een keuze van mensen die bang zijn om verantwoordelijkheid te nemen voor hun leven, en die de digitale wereld gebruiken om sociaal ongemak te voorkomen of te verzachten. Waarom zou je lezen, converseren of nadenken, als je ook een mooie foto van een café crème kunt maken? Het is een afscherming voor afwijzing en het nemen van risico’s. Dat dit laf is, zag Sartre al – de visionair.
‘Wat mensen onbewust voelen, en waar ze bang voor zijn, is dat de beschreven lafheid hun eigen verantwoordelijkheid is. In het existentialisme maakt de held zichzelf, en de lafaard ook. Het voordeel is’, schrijft Sartre, ‘dat de lafaard ervoor kan kiezen om niet meer laf te zijn, net zoals de held zelf kan stoppen met zijn heldhaftigheid.’ Er is geen optimistischer manier van in het leven staan. Je hoeft alleen maar je telefoon weg te leggen en te leven.
Het existentialisme is natuurlijk niet voor iedereen weggelegd: het is de filosofie van de actie. Hoewel het ironisch is dat juist de bakermat van het existentialisme is verworden tot de plek waar iedereen het Parijsgevoel wil vastleggen, is dat misschien juist wel logisch. Iedereen heeft het gevoel dat hier iets bijzonders is gebeurd, en dat gevoel wordt met ijzeren discipline in stand gehouden door het café, het Franse publiek en de obers.
Als ik een paar dagen later terugkeer naar het terras, vragen mijn buren wat ik lees. Zij zijn net boeken wezen kopen bij L’Écume des Pages (had ik al verteld dat het tot middernacht open is?). Ik vraag of ze intellectuelen zijn. Dat ontkennen ze lachend en daarna trekken ze zich terug in hun eigen conversatie. Het is net alsof ik iets heel vreemds heb gezegd.
Berend Sommer is schrijver, onder meer van de roman Gouden dagen. Meestal drinkt hij op donderdagmiddag een negroni in Café de Flore.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant