is schrijver en columnist voor de Volkskrant.
Met het altijd lastige Finland-uit begint het Nederlands elftal dit weekeinde de WK-campagne. Op 17 november speelt Oranje de laatste kwalificatiewedstrijd en weten we of we er in de zomer van 2026 bij zijn in Canada, Mexico en de VS. Zo snel gaat het tegenwoordig; van vroeger herinner ik me dat zo’n kwalificatie zomaar anderhalf jaar in beslag kon nemen, en dan duurde het vaak nog een jaar of twee voor het toernooi van start ging.
De dynamiek van het voetbal is ingrijpend veranderd. Onzin als de Nations League bestond nog niet en er deden vier landen mee aan de eindronde van het EK. Het WK torende onaantastbaar boven alles uit, het hele landenvoetbal was in feite weinig anders dan wachten op de World Cup.
Over onze columns
Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
Behalve in Nederland. Het was de tijd dat Oranje meestal kansloos werd uitgeschakeld door Zwitserland of Elzas-Lotharingen. Het WK interesseerde ons niet, Johan Cruijff zegde meestal af omdat hij schoenen moest kopen in Italië en Rinus Michels verbood zijn spelers zich in Zeist te melden. Tot het 1974 werd.
Nu is het WK ook bij ons heilig. Het kan bovendien maar één uitkomst hebben: de wereldtitel. Sinds 1990 gaan we naar het WK om wereldkampioen te worden. We zijn er een paar keer dichtbij geweest (1998, 2010), maar in de meeste gevallen gingen we ten onder aan zelfoverschatting, bleken we toch een B-elftal met een krankjorume coach te hebben afgevaardigd of werden we in de groepsfase al verrast door een hotseknotsbegonialand.
Dat is, nu er voor het eerst 48 landen meedoen aan het WK, bijna onmogelijk geworden. Elk land mag deelnemen, mits in het bezit van een cafécompetitie en een dronkemanslied als nationale hymne. Alleen Liechtenstein en de Faeröer moeten nog even wachten tot we met 96 landen van start gaan. Daarna is het een kwestie van tijd voor de rest van de 211 Fifa-leden automatische plaatsing voor het zes maanden durende eindtoernooi opeist.
Er was de laatste tijd toch wat twijfel merkbaar over onze kansen: waren onze spelers eigenlijk wel goed genoeg? Maar sinds we in de kwartfinale van de Nations League twee keer gelijk hebben gespeeld tegen Spanje, en Liverpool drijft op Nederlandse internationals, kent het optimisme geen grenzen meer.
Het enige wat er nog aan ontbreekt is een gemakkelijk scorende spits, maar talent breekt tegenwoordig razendsnel door en het kan best zijn dat de sluipmoordenaar die ons in 2026 naar de wereldtitel gaat schieten momenteel nog anoniem loopt te pingeldozen op een knollenveld in de polder.
Ronald Koeman, de coach, heeft er veel vertrouwen in. Op de vraag of we wereldkampioen gaan worden, verklaarde hij deze week: ‘Ik weet dat wij een sterke selectie hebben. (...) Alles moet erop gericht zijn om dat te halen.’
Zo is het maar net. Ik sta voor mijn zestiende WK sinds 1966. Ik ben gedurende die tijd gek geworden van vreugde en van de bank gevallen van teleurstelling. Ik ben door hemel en hel getrokken. In 2022 was het zover dat het hele WK me ijskoud liet, en Oranje erbij. Maar nu heb ik me herpakt en gooi ik me er nog één keer met hart en ziel in.
De weg naar het wereldkampioenschap vereist volharding, geloof en toewijding van iedereen, het is nu of nooit. Dit land is het spoor finaal bijster, alleen de wereldbeker kan ons redden.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant