Een toekomst waarin Afrikaanse landen en hun inwoners als gelijkwaardig worden behandeld, dat staat Jua Dai Fleer voor ogen. Zelf voelt de tropisch landbouwkundige en socioloog zich al sinds zijn vroegste jeugd met het Afrikaanse continent verbonden.
Als 27-jarige landbouwkundige gaat Jua Dai Fleer in 2019 het avontuur aan: leiding geven op een boerderij in Afrika – in de West-Nijl-regio van Oeganda welteverstaan, waar hij op twaalf hectare (‘Voor Oegandese begrippen is dat groot’) samen met een tiental Oegandese en Congolese werknemers pootaardappelen gaat verbouwen. Het achterliggende idee: boeren in dit geïsoleerde, achtergestelde gebied kennis laten opdoen over duurzame landbouw en hen van ziektevrij pootgoed voorzien.
Texelse boeren delen hun inzichten daarover, Fleers vader helpt met financiering en advies en zelf is hij verantwoordelijk voor de werknemers en de relaties met omliggende boeren: ‘Die zag ik niet als concurrenten, maar als ambassadeurs voor onze ideeën.’
Op dat moment heeft Fleer in Wageningen een opleiding tot socioloog met landbouwkundige specialisatie achter de rug. Zijn voorstelling over hoe het zou zijn om in dit afgelegen gebied te werken, brengt hem tot zijn bijzondere stap: ‘Ik stelde me voor hoe ik daar zou wonen, in het veld zou staan met lokale mensen om me heen, in de hitte. Ik zag voor me hoe ik met ze zou praten, op hun erf, bij hun homesteads. Ik wilde van ze leren, begrijpen hoe hun levens eruitzagen en zelf ervaren wat ze dagelijks meemaakten. Uiteindelijk wilde ik ze ook helpen, al is me altijd afgeraden om dat in Afrika te willen. Je moet er willen ondernemen en samenwerken, helpen impliceert ongelijkwaardigheid.’
Zijn ‘diepe connectie’ met Afrika begint in zijn eerste levensjaar. Weliswaar staat zijn wieg in Deventer, maar zijn ouders wonen in Rwanda. Zijn vader Herman, opgeleid in Wageningen tot niet-westers socioloog, is werkzaam bij een project van ontwikkelingsorganisatie SNV, terwijl zijn moeder kunstdocent is. Kort voor de Rwandese genocide van 1994 wordt het gezin door het Vreemdelingenlegioen geëvacueerd.
Terug in Nederland weet Fleer zich niet alleen door leerlingen van zijn Wageningse basisschool omringd, maar ook door de Rwandese vrienden van zijn ouders en hun kinderen. Zij behoren tot de Tutsi-gemeenschap, die na de massale moordpartij op ten minste een half miljoen van hen poogt het bestaan opnieuw vorm te geven. ‘Velen van hen waren getraumatiseerd en hadden het zwaar. Dat gold niet alleen voor de ouders, maar ook voor veel van hun kinderen, mijn vrienden.’
De verbondenheid met hen smeedt zijn connectie met Afrika. Ook zijn voornaam verbindt hem met het continent: ‘In het Swahili betekent mijn naam ‘de zon opeisen’. Op de basisschool keek ik op naar een oudere jongen, Marcel, ik wilde toen ook zo heten. Maar inmiddels ben ik op mijn naam gesteld geraakt. Mensen maken er graag grapjes over, hij helpt het ijs te breken.’ Fleer is sinds een jaar de Europese vertegenwoordiger van een Amerikaanse ontwikkelingsorganisatie IFDC, die boeren en overheden in Afrika ondersteunt met zaaizaad en mestsoorten.
Wat is uw ideaal?
‘Ik zou graag willen dat westerse landen in staat zijn Afrikaanse landen en hun inwoners als gelijkwaardig te zien. We zouden ervoor open moeten staan van elkaar te leren, dus ook wij van hen. Politiek en economisch zijn we op vele manieren met elkaar verbonden. Mijn ideaal is dat die verbondenheid leidt tot grotere saamhorigheid, waarbij we mensen uit Afrika als volwaardige sparringpartners gaan beschouwen.’
Kunt u een voorbeeld geven?
‘Op het terrein van de landbouw zie je dat Europese boeren te maken gaan krijgen met klimaatproblemen die Afrikaanse boeren allang kennen. In Nederland krijg je steeds meer die afwisseling van extreme droogte en extreme regenval, waarmee Oegandese boeren al jaren ervaring hebben. Nederlandse boeren kunnen van hen leren weerbaarder tegen klimaatverandering te zijn door andere gewassen te planten. Wat ik verder zie is dat in de landbouwwetenschap Afrikaanse mensen een grotere rol gaan spelen. Europese wetenschappers domineren nog wel, maar de Afrikaanse landbouwkennis neemt toe, dus ontstaat er ook op dat vlak meer gelijkwaardigheid.’
Heeft u in uw tijd op de boerderij in Oeganda iets aan meer gelijkwaardigheid kunnen doen?
‘De West-Nijl-regio waarin we zitten, is het gebied waar Idi Amin (1928-2003; president van 1971 tot 1979, red.) vandaan komt. Omdat Yoweri Museveni (sinds 1986 de president, red.) een gloeiende hekel aan Amin heeft, is dit gebied altijd achtergesteld. Met de boerderij wilden wij opkomen voor de kleine boeren en de bevolking in deze regio. Er wordt maar weinig naar ze omgekeken. Er ging wel wat geld naar de regionale hoofdstad Arua voor opvang van Zuid-Soedanese vluchtelingen, maar verder was er niets.
‘Onze boerderij zit op anderhalf uur rijden van die stad, via een onverharde weg. We zagen goede kansen aardappelen in de hele streek te produceren, dus zijn we met pootgoed begonnen. Met vallen en opstaan is het gelukt deze achtergebleven regio dankzij de aardappelteelt meer op de kaart te zetten. Dat is wel een bijdrage aan meer gelijkwaardigheid geweest.’
In hoeverre kon u die op de boerderij zelf ook versterken?
‘De mensen blijven je als witte baas zien die zogenaamd van alles meer verstand heeft, ook al deed ik mijn best duidelijk te maken dat ik juist van hen wilde leren. Dat lukte ook wel, ik had bijvoorbeeld geen ervaring met pootgoed planten en zij wel. Maar ik ontkwam er toch niet aan dat ik als witte man als de grote baas werd gezien. Dat zit er nog zo ingebakken.
‘Wat me wel hoopvol stemt, is dat bij veel Afrikanen de trots op hun identiteit aan het groeien is, vooral ook bij jongeren. Dat komt echt van onderop, het is niet meer zoals vroeger toen iemand als Mobutu (1930-1997, voormalig president van Congo, red.) een soort nationale trots van bovenaf oplegde.
‘Omdat ik hun baas was, deelden werknemers bepaalde informatie niet met mij. Ik herinner me de keer dat een belangrijke vrouwelijke Oegandese werknemer ineens met zwangerschapsverlof ging. Dat gebeurde zonder dat ze mij had verteld dat ze zwanger was, waardoor we plots met een groot probleem zaten. Zelf probeerde ik wel meer persoonlijke dingen te delen, maar dat bleek als baas toch lastig. Vooral de eerste jaren ben ik veel alleen geweest, ik had vooral gezelschap van mijn kat. Gelukkig kwam op een gegeven moment mijn vriendin over.’
Waarom bent u met de boerderij gestopt?
‘Vanaf het begin was mijn streven mezelf overbodig te maken: op een Afrikaanse boerderij hoort de leiding niet in Europese, maar in Afrikaanse handen te zijn. Vorig jaar zat ik er vijf jaar en vond ik het echt niet langer aan mij om de boel aan de gang te houden. Gelukkig hebben we een Keniaanse opvolger gevonden.’
Wat is er in Afrika nodig voor gelijkwaardige verhoudingen?
‘Waar ik in geloof is versterking van het maatschappelijk middenveld – de ondersteuning van onafhankelijke media, de milieubeweging en andere activisten in Afrikaanse landen. Dat kan regeringen ertoe dwingen niet voor zichzelf, maar voor hun burgers te zorgen. Hopelijk neemt dan ook de corruptie af. Want zolang die omvangrijk blijft, is het voor westerse landen erg moeilijk Afrikaanse landen als gelijkwaardig te behandelen.
‘Minister Lilianne Ploumen (PvdA-minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, 2012-2017, red.) heeft eens gezegd dat de tijd van alleen waterputten slaan voorbij is. Zij vond dat er vooral een maatschappelijk middenveld nodig is, dat regeringen ter verantwoording roept om die putten te slaan. Dat ben ik met haar eens.’
Voor onze inmiddels demissionaire regering moet vooral het Nederlands belang vooropstaan – Nederlandse bedrijven moeten baat hebben bij ontwikkelingsgelden. Hoe pakt dat uit voor het streven naar gelijkwaardigheid?
‘Dat belastinggeld op de een of andere manier ten goede komt aan Nederlanders of Nederlandse ondernemingen die in Afrika zijn gevestigd of zich willen vestigen, daarin kan ik me wel vinden. Maar je moet je wel afvragen hoe je het Nederlandse belang ziet. Kijk je alleen maar naar direct economisch voordeel of gaat het je ook om een breder doel: wil je een land helpen aan een sterke economische basis en politieke stabiliteit? Voor dat laatste heb je een samenleving met een sterk maatschappelijk middenveld nodig. Daarbij zijn Nederlandse bedrijven ook gebaat.’
China, een van de grootste investeerders in Afrika, kijkt ook alleen naar het eigen Chinese belang, niet naar het maatschappelijk middenveld.
‘China is gericht op het aanleggen van infrastructuur, zoals spoorlijnen en havens, omdat het behoefte heeft aan grondstoffen en voedsel. Je ziet China vooral met autocratische landen in zee gaan. Het geeft grote leningen, waarmee het afhankelijkheid creëert. Want als landen niet kunnen aflossen, kan China meer invloed eisen.
‘In mijn ogen is de Chinese benadering van Afrika een vorm van neokolonialisme. China doet dat subtiel, het land treedt er niet zo mee op de voorgrond. Maar tegelijkertijd is het ook daadkrachtig, want de Chinese macht over Afrikaanse landen neemt wel toe.’
Dat staat haaks op gelijkwaardigheid.
‘In eerste instantie lijkt het gelijkwaardig, China heeft het altijd over win-win. In werkelijkheid is het vooral uit op eigen gewin en interesseert het zich niet voor de plaatselijke bevolking en diens behoeften. Boven alles wil het de bovenliggende partij zijn in de relatie tot regeringen. Grote westerse bedrijven stellen zich niet anders op. Oliemaatschappijen als Shell en Total pretenderen ook graag dat Afrikaanse regeringen gelijkwaardig zijn. Maar de kennis over oliewinning delen ze niet: ze willen hun machtspositie behouden.’
Zit niet ook het beeld dat we van Afrika en Afrikanen hebben gelijkwaardigheid in de weg?
‘Zeker. In de Europese media domineert het beeld dat Afrikanen naar Europa willen. Populistische partijen geven daaraan de draai dat ‘ze’ onze banen komen inpikken. Alle ophef in ons land over asielzoekerscentra, waar veel mensen uit Afrika wonen, speelt ook op angsten in.
‘Daarnaast is er het beeld van Fort Europa, dat zich verweert tegen de vluchtelingenstroom, maar ook extreem strenge toelatingseisen oplegt aan Afrikaanse producten, waaraan veel boeren niet kunnen voldoen. Dat schept ook weer ongelijkheid. In mijn ogen speelt dat allemaal de populistische partijen in de kaart.’
Welke lichtpunten ziet u?
‘In democratieën als Kenia en Ghana zie je dat jongeren zich meer uit durven spreken tegen onrecht en corruptie, meer dan vroeger en meer dan bijvoorbeeld in een dictatuur als Oeganda. Sociale media spelen daarbij een positieve rol. Dit voorjaar konden jongeren zich snel mobiliseren bij het staatsbezoek van koning Willem-Alexander en koningin Máxima aan Kenia. Ze protesteerden ertegen dat door het bezoek de repressie van de president werd gelegitimeerd.
‘Jongeren zijn in mijn ogen het voornaamste lichtpunt. Ze hebben de koloniale tijd niet meegemaakt, maar zijn er zich wel van bewust hoe verkeerd die is geweest. Ze durven meer op hun strepen te gaan staan dan eerdere generaties en ondernemen meer vanuit een eigen Afrikaans perspectief. Bovendien zijn ze met zeer velen – in Oeganda is de gemiddelde leeftijd van de bevolking 16!
‘Waarop ik hoop zijn weerbare, zelfstandige economieën, die geen noodhulp of ontwikkelingssamenwerking meer nodig hebben, maar die in hun eigen behoeften weten te voorzien. Dan zouden ze op basis van gelijkwaardigheid handelsovereenkomsten kunnen sluiten. Momenteel pakken die vaak nadelig voor Afrikaanse landen uit. Het kan misschien nog enkele generaties duren, maar ik geloof echt dat westerse ontwikkelingsorganisaties uiteindelijk geheel overbodig worden.’
De uitvinder van de natuur, Andrea Wulf.
‘Dit boek vertelt het verhaal van Alexander von Humboldt, de Duitse ontdekkingsreiziger en wetenschapper die als eerste de natuur als één geheel zag en die de gelijkenissen op dat vlak tussen Europa en Zuid-Amerika beschreef. Andrea Wulf deed me beseffen hoezeer álles in de natuur met elkaar in verbinding staat.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant