Door Robin de Puy
Elma Čavčić (30)
Kunstenaar
Metershoge, kleurrijke schilderijen sieren haar atelier. Op het eerste gezicht ogen de werken warm en vriendelijk. Ik zie ronde vormen, kleurrijk behang, mooi gehaakte tafelkleedjes en een volle asbak met een nog brandende peuk die me doen denken aan een bruin café dat blauw staat. Dan zie ik de omgevallen stoel, de kogelhulzen, een scheurkalender die 27 juli 1995 toont en, nog net zichtbaar aan de rechterkant, een bloedend been. De warmte die de werken lijken te dragen, blijkt slechts aas voor een veel groter en pijnlijker verhaal: genocide. Ingepakt als een cadeautje, omdat we het anders niet kunnen – en willen – zien.
Via verhalen van haar ouders en andere familieleden probeert Elma Čavčić een beeld te vormen van de Bosnische oorlog. Dat beeld zet ze vervolgens in verschillende, soms verwarrende, perspectieven op het canvas. ‘Ik ben aan het einde van de oorlog geboren, dus ik heb geen visuele herinnering aan die tijd’, zegt ze. ‘Ik probeer er af en toe met mijn ouders over te praten, maar ik weet ook dat die gesprekken ervoor zorgen dat ze slecht slapen.’ Haar moeder deelt soms iets, haar vader zelden.
Op een vrijdag in 1992, jaren voor de ‘bekende’ val van Srebrenica, nemen Elma’s ouders en broertje – zelf was zij nog niet geboren – de bus richting Žepa om daar een weekend door te brengen bij hun (groot)ouders. Spelletjes spelen onder de zelfgemaakte houten veranda, omringd door sterk ruikende, bloeiende rozen. En eindeloos eten, drinken, praten en lachen. Maar, eenmaal in de bus blijkt de sfeer gespannen. De bus zit overvol en de mannen zijn plotseling verplicht hun ID-kaart te laten zien.
Als ze in Žepa aankomen blijkt dat Bosnisch-Servische troepen, met hulp van het Joegoslavische Volksleger, begonnen zijn met een machtsovername. Binnen de kortste keren wordt ruim 70 procent van Bosnië en Herzegovina bezet. Elektriciteit en water worden afgesloten, de Bosnische tv-mast gebombardeerd en wegen geblokkeerd, zodat toevoer van voedsel en medicijnen onmogelijk is. Dat wat begon als een gezellig familieweekend eindigt in jarenlang overleven. Hun huis in Rogatica, een stad ten zuiden van Žepa, hebben ze nooit meer teruggezien.
Žepa was, net zoals Srebrenica, een van de zes veilige gebieden waar de Verenigde Naties de burgerbevolking zouden beschermen. Precies om die reden vluchtten tienduizenden mensen naar deze gebieden. De beloofde veiligheid is nooit gekomen. Op 27 juli 1995, 16 dagen na de val van Srebrenica, viel ook Žepa.
En daar, waar het leven van velen eindigde, begon dat van Elma. Slechts een paar maanden voor de val van Žepa werd ze geboren. Geboren in een tijd waarin zij en haar familie niet mochten bestaan, waarin zorg en liefde onlosmakelijk verbonden waren aan angst, waarin het drinken van zoete moedermelk begeleid werd door een bang en razend hart. De kleine Elma absorbeerde alles om haar heen als een nog nieuwe, onaangetaste spons.
Ook al heeft ze geen visuele herinneringen aan de oorlog, haar lichaam heeft die wel degelijk.
‘Vanaf mijn 26ste kreeg ik vaak last van paniekaanvallen en werd PTSS geconstateerd’, vertelt Elma. ‘Dat is ook ongeveer de leeftijd die mijn ouders hadden toen de oorlog begon.’
Als later haar ouders aanschuiven, zie ik hoe haar vader aandachtig de werken bestudeert. ‘Het is net alsof ik in Bosnië ben’, merkt hij op. ‘Dat’, en hij wijst naar de werken, ‘is echt onze tijd.’
In deze serie portretteert fotograaf Robin de Puy mensen wier levens zijn getekend door de Bosnische genocide. Op 11 juli is het dertig jaar geleden dat Srebrenica, een door de VN beschermd gebied, viel. Meer dan 40 duizend mensen werden gedeporteerd door Bosnisch-Servische troepen. 8.372 mensen, vooral mannen en jongens, werden vermoord.
De Volkskrantserie ‘De elf stemmen van Srebrenica’ is een onderdeel van een gezamenlijke productie van Alma Mustafić, Marjolein Koster, Robin de Puy, FOTODOK, OVT (VPRO) en Nationaal Monument Kamp Vught.
Source: Volkskrant