is podcastpresentator en columnist voor de Volkskrant.
In Fenix, het pas geopende kunstmuseum over migratie in Rotterdam, is een tekening tentoongesteld van een boot in potlood en krijt die Liesl Joseph heeft gemaakt aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog, in augustus 1939. Liesl was toen 11 en was een van de passagiers van de St. Louis, het roemruchte schip dat drie maanden eerder Hamburg had verlaten met 927 Joodse vluchtelingen aan boord. Ze zochten een uitweg uit nazi-Duitsland en waren op zoek naar veiligheid aan de overzijde van de Atlantische Oceaan.
Cuba wilde ze niet hebben, de Verenigde Staten wilden ze niet hebben, Canada wilde ze niet hebben, en na terugkeer in Europa vonden ze na onderhandelingen deels onderdak in het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk, Nederland en België. Liesl overleefde de oorlog in Londen, maar van de opvarenden van de St. Louis zijn er 254 weggevoerd en vermoord in Hitlers concentratiekampen en gaskamers.
79 jaar later zei de Canadese premier Trudeau sorry. Tegen de passagiers, hun nabestaanden en de Joodse gemeenschappen in Canada en de rest van de wereld. Canada had de St. Louis niet mogen wegsturen, oordeelde Trudeau met de kennis van nu.
Spijt komt altijd achteraf, net als kennis over hoe het óók had kunnen aflopen, en inzicht in het onbevattelijke lot dat de mensen die je niet wilde helpen te wachten staat.
Er worden de hele tijd overal mensen geweigerd en boten teruggeduwd naar plekken waar de passagiers misschien iets vervelends wacht en waar we liever niet te veel van willen weten, want je kunt niet overal achteraf sorry voor blijven zeggen, ook niet als je daar acht decennia voor uittrekt. Net zoals er de hele tijd wapenonderdelen, geld, morele steun, diplomatieke assistentie, begrip, economische samenwerking of een combinatie hiervan worden geleverd aan regeringen die bommen of honger laten neerdalen op groepen die ze uit de weg willen hebben. Ook dan is het zaak niet te veel details te willen weten, niet nu, niet straks, want voor je het weet sta je jaren later achteraf sorry te zeggen.
Ik moest aan de helaasheid van alle sorry’s achteraf denken toen afgelopen week enkele juristen, gespecialiseerd in internationaal volkenrecht, in de Tweede Kamer uitlegden hoe je juridisch naar de oorlogshandelingen van de staat Israël in Gaza moet kijken. Is het genocide, is er sprake van ‘vernietigingsintentie’, volstaat het om te spreken van genocidaal geweld, is er in elk geval ‘een ernstig risico op genocide’, kun je de intentie tot het vernietigen van een volk afleiden uit het bezigen van ontmenselijkende taal, het systematische geweld, de aanvallen op burgers en op ziekenhuizen, het blokkeren van noodhulp in een hongersnood? (De gegeven antwoorden: vermoedelijk, wellicht, ja, ja, vrijwel zeker.)
En is ‘een ernstig risico op genocide’ niet al voldoende grond voor Nederland om iets te doen uit de lange lijst dingen die het kan doen: de handel staken, geen Nederlandse politiehonden meer leveren aan Israël, een waaier aan sancties instellen, zich eventueel aansluiten bij internationale pogingen Israël veroordeeld te krijgen voor genocide? (Ja.)
Die beslissing valt niet uit te besteden aan juristen, zeiden de genodigde specialisten. Dat is aan de politiek. Want de paradox, zei een van hen, is dat als we gaan zitten wachten op het definitieve antwoord op de vraag of je ‘genocide’ mag zeggen, het te laat is. Dan rest enkel achteraf sorry zeggen, over 79 jaar.
Geselecteerd door de redactie
Lees hier alle artikelen over dit thema
Source: Volkskrant