Mezzosopraan Barbara Kozelj zingt zaterdag Joseph Haydns Arianna a Naxos met het Residentie Orkest. Hoe werd deze Sloveense een van de sieraden van het Nederlandse muziekleven?
is redacteur klassieke muziek van de Volkskrant.
Nog even en Barbara Kozelj (46) mag weer naar huis. De ochtend na het interview, om 06.30 uur, gaat ze met haar twee dochters en haar verloofde – de pianist en componist Thomas Beijer – terug naar waar ze vandaan komt: Slovenië. In het dorpje bij Kranj (met 37 duizend inwoners de derde stad van het land) waar ze is opgegroeid, heeft ze een appartement op het terrein van haar ouders.
Kozelj streek in 2001 neer in Den Haag voor een opleiding zang aan het Koninklijk Conservatorium. Ze groeide uit tot een van de meestgevraagde mezzosopranen, een sieraad van het muziekleven. De Volkskrant concludeerde in 2019 na een recital in het Concertgebouw dat we haar maar beter in Nederland kunnen houden.
Zaterdag 31 mei treedt Barbara Kozelj op in de Nieuwe Kerk in Den Haag. Met het Residentie Orkest onder leiding van Shunske Sato zingt ze een orkestversie van Joseph Haydns Arianna a Naxos. Omdat het de aanleiding was voor het interview, heeft ze zich volgens Thomas Beijer de avond van tevoren helemaal suf gelezen over dat stuk. Al dat werk voor niets: de interviewer vraagt haar alleen naar haar Sloveense geschiedenis.
Het blijft voorlopig bij vakantiebezoekjes aan haar geboorteland. ‘Ik zou me op dit moment niet kunnen voorstellen dat ik er ooit weer echt zou wonen, maar ik sluit het ook niet uit’, zegt Kozelj in haar andere thuis, een flat in Amsterdam-Noord.
‘Toen ik hier kwam, genoot ik erg van de vrijheid die ik hier voelde. In ons dorp in Slovenië weet iedereen alles van elkaar, je buren zijn ook je beste vrienden. Maar ik ben nu iets nostalgischer dan tien jaar geleden.’
Wat neem je mee terug naar Nederland als je in Slovenië bent geweest?
‘Mijn moeder stopt mijn koffer altijd vol met zelfgemaakte jam van onze fruitbomen. Mijn vader gaf me vroeger nog weleens flessen schnaps mee, hij maakte die drank zelf met de buren. Vrienden in Nederland vroegen altijd als ik terugkwam: heb je weer wat meegenomen? Dat was the good stuff. Helaas is hij ermee gestopt.’
Je verkering Thomas Beijer noemt Slovenië ‘het Haarlem van de Balkan’.
(Ze lacht, maar schudt met haar hoofd van onbegrip – even lijkt haar aanstaande huwelijk niet zo zeker meer.) ‘Dat slaat helemaal nergens op. De eerste vraag is natuurlijk: hoort Slovenië bij de Balkan? Omdat wij deel uitmaakten van Joegoslavië, worden we daar vaak bij gerekend. Maar het landschap lijkt meer op dat van Oostenrijk en je hebt ook de Italiaanse invloed. De sfeer is heel anders dan in Servië of Montenegro.
‘Er komen steeds meer toeristen in Slovenië. Altijd hoor ik die verbazing over hoe mooi en rustig het is. Mensen zijn er heel gastvrij. Toen ik naar Nederland ging, dacht ik: daar is alles beter, bye! Maar nu ik er kom met mijn kinderen, word ik me bewuster van wat Slovenië voor mij betekent. Ze spreken allebei Sloveens, ik wil dat zij een goede band hebben met mijn ouders. Ik heb er nog steeds veel vrienden wonen, er is nog altijd een heel groot deel van mijn leven dat zich daar afspeelt.’
Je bent geboren in een land dat niet meer bestaat. Heb je je ooit Joegoslavisch gevoeld?
‘Heel vroeger misschien wel. Het staat in mijn geboorteakte. Ik behoor tot de laatste lichting die ook nog Servo-Kroatisch heeft geleerd op school. Ik denk dat we allemaal al vrij autonoom waren door de verschillende talen. Als kind hield ik me niet bezig met politiek.’
Je 13de verjaardag in 1991 was de dag voor het einde van de Tiendaagse Oorlog, die tot de onafhankelijkheid zou leiden. Hoe heb je die dag beleefd?
‘Van mijn verjaardag zelf herinner ik me niet iets specifieks. Ik denk dat mijn ouders het heel goed hebben gedaan, ze hebben ervoor gezorgd dat ik van die oorlog niet veel meekreeg. Wat ik me wel herinner, was dat ik op een zondag iets vroeger naar de kerk ging om in te zingen, want ik zong in het koor. Toen kwam mijn vader me opeens halen en moesten we snel terug. Het luchtalarm ging.
‘Ik heb met de buren in de kelder gezeten. Ik was niet heel angstig, we hebben spelletjes gespeeld. Mijn ouders straalden niet uit dat ze in paniek waren, hoewel ik later begreep dat ze wel bang waren geweest.’
Srebrenica was 500 kilometer van je vandaan. Hoe nabij voelde dat?
‘Mijn actieradius was niet zo groot. Ik kom uit een beschermd dorp vrij dicht in de bergen, ik had muziekles in de stad 5 kilometer verderop, dat was mijn wereld. Zelfs in Ljubljana was ik bijna nooit geweest. Mijn jeugd bestond uit buitenspelen en muziek maken: ik had pianoles en ik zong. Onze zangtraditie is heel sterk: elk dorp, elke kerk heeft een koor, de school heeft er drie.
‘Wat er is gebeurd in Bosnië... Ik heb erover gelezen, ik heb er veel verhalen over gehoord, ik heb vriendinnen die ervandaan komen. Maar ik realiseerde me pas echt wat daar is gebeurd toen ik in Nederland ging wonen en documentaires zag. In 2006 ben ik naar al die landen gereisd. Toen was ik zo in shock. Al die kapotte huizen, al die dorpen die niet meer bestaan. Jezus, dacht ik, dit was twee, drie uur rijden van ons vandaan.
‘Wat mij nu interesseert, is hoe al die volkeren hebben kunnen samenleven onder Tito (de leider van Joegoslavië van 1945 tot 1980, red.). Dat was best een heftige figuur. Maar als je het de generatie van mijn ouders vraagt, was die tijd fantastisch, zo lang je niet al te veel uit de pas liep. Iedereen had een baan, een huis. Toen Tito overleed, was heel het land in tranen op straat. Die verbondenheid ken ik alleen maar uit de verhalen.’
Waarom wilde je naar het buitenland?
‘Toen ik 18 was, hoorde ik van het Wereld Jeugdkoor. Ik mocht auditie doen en werd aangenomen: we gingen een maand naar Japan om er concerten te geven, negentig zangers uit veertig landen. Mijn ouders dachten: no way, maar ik wilde heel graag. Ik heb een maand lang alleen maar muziek gemaakt en gefeest. Ik wilde niet meer terug naar het dorp waar het normaal is dat je naast je ouders gaat wonen.
‘Ik heb vier keer meegedaan aan het Wereld Jeugdkoor en daar veel Nederlanders leren kennen, zoals Peter Dijkstra (de chef-dirigent van het Nederlands Kamerkoor, red.). Ik hoorde dat er heel goede conservatoria waren in Nederland. Bovendien was het zo dat de conservatoria in Duitsland mijn diploma’s van het conservatorium in Ljubljana niet erkenden, daar had ik van voor af aan moeten beginnen.’
Je bent aanvankelijk opgeleid tot pianist, toch?
‘Ja. Ik heb vier jaar hoofdvak piano gedaan. Maar toen ik liedzangers begeleidde, dacht ik: ik wil liever daar staan en zingen dan hier zitten. Toen ben ik met zang verdergegaan. Ik speel thuis nog veel piano. Niet als Thomas er is, hij is zo’n fantastische pianist, dan voel ik me niet vrij.
‘Zonder dat ik arrogant wil klinken: ik denk dat het me wel een voorsprong geeft. Ik studeer sneller partijen in. Het harmonisch overzicht helpt mij om de hele materie te begrijpen in een opera. Ik ben altijd geïnteresseerd in wat er onder mijn eigen zanglijn staat. Dat hoor ik soms van musici met wie ik samenwerk, dan zijn ze verbaasd: hoe komt het dat je weet wat ik doe?’
Over snel instuderen gesproken: je redde onlangs een voorstelling bij De Nationale Opera.
‘We Are the Lucky Ones van Philip Venables. Om 12.30 hoorde ik dat Helena Rasker die avond waarschijnlijk niet kon zingen. Dat was op een woensdag, zondag zou de volgende voorstelling zijn. Ze zeiden: we bellen je eigenlijk meer voor zondag. Ik zei: stuur de bladmuziek maar, dan kijk ik ernaar.
‘Er waren ensembledelen, heel lastig, close harmony. Ik wist: daar moet ik niet eens naar kijken op deze korte termijn. Maar de solomomenten leken me wel te doen. Ik zei: geef me nog anderhalf uur om te studeren, dan kom ik voorzingen, met de repetitor en de dirigent erbij. Als iedereen zich er goed bij voelt, dan wil ik het wel doen. Na een halfuurtje vroegen ze: ja, wil je het doen? Dus binnen zes uur stond ik op het podium.
‘Ik zong vanaf de zijkant, Helena kon wel acteren. Ik was gek genoeg heel rustig, je hebt de tijd niet om zenuwachtig te worden. Toen ik thuiskwam, voelde ik me heel gek, ik wist niet wat ik met mezelf aan moest. Toen kwam al de adrenaline los: jemig, wat heb ik gedaan? Die zondag heb ik ook nog de ensemblestukken meegezongen.’
Een andere Thomas, Thomas Oliemans, treedt tegenwoordig ook op als zanger én pianist: hij begeleidt zichzelf dan in Schubert-liederen. Zou dat ook iets voor jou zijn?
‘Het is al wel door me heen gegaan, maar... Ik kon best goed piano spelen, maar ik had altijd het gevoel dat ik me nooit zo kon uitdrukken door de piano als wanneer ik zong. Jij zit hier, het publiek daar, je moet communiceren via die vleugel. Toen ik mocht zingen, voelde dat als een opluchting. Ik kon ook mijn zenuwen veel beter beheersen.
‘Thomas Oliemans is zo’n enorm musicus. Misschien ga ik het nog eens onderzoeken. Je hebt natuurlijk de best mogelijke symbiose: je kunt heel precies al jouw ideeën realiseren. Ik identificeer me als zanger met het personage uit het lied, ik vraag me af of ik daar niet te veel van inlever als ik ook piano moet spelen. Daarnaast vind ik het juist altijd spannend als je twee artiesten met verschillende opvattingen bij elkaar brengt die samen iets creëren, daar geniet ik zo van.’
Barbara Kozelj is op 31/5 te horen in de Nieuwe Kerk in Den Haag. Ze zingt Arianna a Naxos van Joseph Haydn met het Residentie Orkest. Op 28/6 geeft ze een recital met Thomas Beijer in de Nieuwe Kerk van Haarlem. Op 5/7 zingt ze op Wonderfeel in Baarn.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant