is columnist voor de Volkskrant.
Op de A37 bij Zwartemeer richting Duitsland zou je bijna vergeten dat de grens hier tot voor kort bijna uitgegumd leek. Op volle snelheid reed je gewoon onder het viaduct met de illustere naam ‘Willkommensbrücke’ door.
Sinds een half jaar is dit het nieuwe normaal: waarschuwingsborden ‘file over twee kilometer’, dat was ook al op de autoradio, een kwartier stapvoets rijden, daarna knipperende borden ‘Kontrolle’ en ‘Polizei’.
Controleposten zijn overal ter wereld hetzelfde, of het nu in Bagdad, Irak is of in Zwartemeer, Drenthe. Een agent in een wachthuisje doet de eerste selectie. Voor de meeste auto’s is geen tijd, alleen verdachte voertuigen gaan naar een zwaarder beveiligde fuik. Op de A37 is onduidelijk wie controleert. De Nederlandse marechaussee en de Duitse politie werken samen.
Eind vorig jaar voerde Nederland de grenscontroles opnieuw in, om mensensmokkel en ‘irreguliere migratie’ tegen te gaan. In Haags jargon zijn ze ‘tijdelijk’. In juni eindigen ze, maar het kabinet kan verlengen. De Rekenkamer doet onderzoek naar de effectiviteit en maakt volgende week bekend of de controles meer zijn dan duur symboolbeleid.
Over onze columns
Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
Tegelijkertijd stuurt de nieuwe Duitse regering politie naar de grens om asielzoekers tegen te houden. Het gaat er niet om of dat mag volgens Europese verdragen (nee), maar of andere lidstaten deze nieuwe koers accepteren.
Het vroegere grenskantoor van Zwartemeer kijkt uit op de snelweg. Annet en Bertus wonen hier nu, ze verbouwden het rijksgebouw tot een gerieflijk huis. Bij de oprit staat een informatiebord: ‘Met het wegvallen van de Europese binnengrenzen in 1993 (Schengenakkoord) werd de functie van het grenskantoor overbodig.’
Nu is Schengen voorbij. Bertus wijst naar de snelwegfile; die staat daar bijna elke dag, dit is nu ‘gewoon’. ‘Als je het over illegaliteit hebt, dan is het goed, want er komen trailers vol mensen hè.’ Maar het woon-werkverkeer lijdt er onder. De kortste route van Zwartemeer naar Enschede voert door Duitsland.
Bertus’ vader is Duits, in deze voormalige veenkolonie hebben velen Duitse wortels. Annet komt uit buurdorp Klazienaveen, dat is ‘heel anders’ dan Zwartemeer. Zwartemeer is geweldig. ‘Vanwege de mensen. Iedereen zegt ‘moi’ tegen elkaar.’ De buurvrouw van in de negentig kreeg altijd ‘een pannetje eten’. Wel is hier, zoals overal in het buitengebied, ‘import’ uit de Randstad. Bertus: ‘Maar dat past zich wel aan.’
De grenscontrole op de A37 is niet waterdicht. Auto’s en vrachtwagens nemen een sluiproute. Langs de Hoogeveense Vaart, via een parallelweg door wat in de volksmond Niemandsland heet, bereik je ongehinderd de Duitse Zollstrasse. Duitse agenten staan in de berm, maar controleren alleen vertrekkende auto’s.
Controle is ‘echt goed’, vindt Henry Maatje, bewoner van een van de laatste huizen voor de grens. ‘Want er komt gespuis langs.’ Hij vertelt over een ‘Nederlandse Turk uit Emmen’ die is gepakt, ‘die moest de bak nog in’. Pal langs hun erf achtervolgt een motoragent van de marechaussee een auto. Henry: ‘Die krijgt controle!’
Ja, ‘er gebeurt nu ook wat, dat is wel weer leuk’, vindt zijn vrouw Irma. Maar het kabaal van het sluipverkeer hoor je ‘constant’, dag en nacht. Het geeft overlast en is onveilig voor spelende kinderen, want ‘de grootste vrachtwagens’ rijden langs, wham, daar dreunt er een langs van de firma Anhalt.
Decennia geleden, ver voor Schengen, was hier op straat een slagboom, Henry weet dat nog. ’s Avonds ging die dicht, daarna kwam niemand meer in Duitsland. Irma heeft het geopperd bij de dorpsraad: eigenlijk zouden ze de weg weer moeten afsluiten. Natuurlijk kan dat niet zomaar. Maar je kunt ook niet op de A37 wél controleren en op de parallelweg al dat sluipverkeer accepteren.
De Willkommensbrücke biedt zicht op de grenscontrole op de snelweg. Tussen de Nederlandse en de Duitse vlag op het viaduct prijkt een Europees logo, blauw met sterren, het oogt bijna als relikwie uit een verloren tijd.
Source: Volkskrant columns