Op vijftig kilometer uit de kust bij Egmond aan Zee staat het kraanschip Sleipnir voor een monsterklus.
Het witte transformatorstation Hollandse Kust West Beta (kosten: 400 miljoen euro) moet op zijn plek in de Noordzee worden gehesen.
Daarmee ontstaat een enorm stopcontact dat Nederland van duurzame windenergie moet voorzien. Is dit de toekomst?
Door Tjerk Gualthérie van Weezel
Fotografie en video Freek van den Bergh
Midden op de Noordzee spelen zich scènes af die recht uit Alice in Wonderland lijken te komen. Of Gulliver’s Travels, Wiplala of Honey I Shrunk the Kids. Alleen zijn de bizarre verhoudingen tussen mens en omgeving hier echt.
Vanaf het gigantische semi-afzinkbare kraanschip Sleipnir zijn mannen in oranje pakken in een mandje aan een kraan overboord gezet naar een ponton dat dertig meter lager door twee sleepboten op zijn plek wordt gehouden. Met snijbranders hebben ze een groot vierkant bouwwerk losgesneden van het dek van het ponton.
Aan de gigantische haak die onder een van de twee hijskranen van de Sleipnir hangt, heeft een ander team intussen vier ‘stroppen’ geslagen, touwen zo dik als rioolbuizen. Na wat gesjor hangen de lussen goed en zijn de mannen weer op een holletje afgedaald. Alleen de kleurrijke sjorbanden waarmee de slings waren vastgebonden, liggen nog verspreid op het grijze dak. Als confetti de ochtend na een feestje.
De man die deze hele operatie leidt, is superintendent Herman Rijnders. Te herkennen aan zijn rode helm. De dirigent staat al een hele nacht langs de reling als hij het commando hijsen geeft. Onder de hijskraan die langer is dan de Domtoren zetten katrollen ter grootte van een bestelbus zich in beweging. De stroppen trekken strak.
‘Geef me steeds door hoeveel gewicht je tilt’
Zegt Rijnders door zijn portofoon.
‘1.900 ton’
Kraakt de kraanmachinist.
Rijnders’ blik wijkt niet van het bouwwerk beneden als hij het cijfer herhaalt:
‘1.900 ton’
Kraanmachinist:
‘2.800 ton.’
Rijnders:
‘2.800 ton.’
Kraanmachinist:
‘3.600 ton.’
Rijnders:
‘3.600 ton.’
In de diepte klinken een paar harde knallen en dan een lange zucht van schurend staal.
Rijders’ assistent Tjade Spier meldt zich vanaf het ponton: ‘The bow is up.’ Het gevaarte komt los van het ponton.
De installatie van transformatorstation Hollandse Kust West Beta (HWB), ongeveer vijftig kilometer uit de kust bij Egmond aan Zee, markeert het einde van een tijdperkje in de energietransitie. Het is de laatste van zeven identieke ‘stopcontacten’ op zee met een vermogen van 700 megawatt. Afgelopen zes jaar heeft Tennet, de beheerder van het Nederlandse hoogspanningsnet, deze stations verspreid over de Noordzee laten neerzetten. De stroom die wordt opgewekt door het snel groeiende woud aan windmolens te water, wordt in de stekkerdozen op stelten omgezet naar hoogspanning en daarna naar land gebracht.
Ongeveer 400 miljoen euro per stuk kosten deze stopcontacten, inclusief de dikke kabels naar de kust en het tranformatorstation op land. Een gigantisch bedrag, dat mede verklaart dat de kosten die Nederlandse burgers en bedrijven de laatste jaren betalen voor hun netaansluiting snel oplopen. Maar de opbrengsten zijn ook significant. ‘Wind op zee’ is de hardst groeiende duurzame energiebron. Vorig jaar was een achtste van alle elektriciteit die in Nederland werd geproduceerd, afkomstig van de windmolens op de Noordzee.
Dat aandeel moet de komende jaren verder oplopen. Rond 2032 zou zo’n 75 procent van de Nederlandse elektriciteit van de Noordzee moeten komen. Met windmolenparken die steeds verder uit de kust komen te liggen. Om die sprong te maken, is Tennet inmiddels overgestapt naar een volgende generatie transformatorsations van wel 2 gigawatt, bijna drie keer zo groot als HWB. Zeven komen er de komende zeven jaar in de Nederlandse wateren. En nog eens zes in het Duitse deel van de Noordzee.
Er is heel wat volk aan boord gekomen om te zien hoe transformator HWB op zijn plek wordt gezet. Langs de reling staan zo’n twintig medewerkers van Tennet, Heerema en de Belgische aanneemcombinatie die het station op een werf in Antwerpen heeft gebouwd. Allemaal zijn ze de afgelopen jaren bezig geweest met deze en andere 700-megawatt-stations.
Allemaal kijken ze geconcentreerd hoe het team van Heerema dit spannende deel van de operatie uitvoert. Nu het station los is, is het zaak snel voldoende ruimte te creëren tussen het station en het ponton. Anders bestaat het risico dat een golf het ponton opstuwt en de onderkant van de transformator beschadigt.
Om dat voor elkaar te krijgen terwijl het 3.600 ton zware bouwwerk buitenboord hangt, moet er ‘geballast’ worden. Op de brug, het stuurhuis op de zesde verdieping van het verblijfsgedeelte van de Sleipnir, coördineren de stuurlui dit deel van de operatie. Van tevoren hebben zij ballastwater in de kolommen van het schip gepompt. Nu zetten ze schuiven open en spuit het water weer naar buiten. Het schip wint hoogte en blijft keurig in balans. Kort daarop deint HWB enkele meters boven het ponton. ‘Hij hangt goed’, constateert Rijnders tevreden.
Het is dinsdagochtend, iets voor acht uur. De Noordzee golft kalm. Even verderop staat de ‘jacket’, het gele onderstel waarop het Heerema-team het transformatorstation straks zal neerzetten.
Naast trots en opwinding over dit technische hoogstandje, heerst er aan dek ook bezorgdheid. Want na de voortvarende start die wind op zee heeft gemaakt, zit het de laatste jaren tegen. Door de stijgende rente en de hogere kosten voor arbeid en materiaal, is het aanzienlijk duurder geworden om windmolens te bouwen.
Intussen valt de prijs die energiebedrijven krijgen voor de windstroom tegen. Er zijn nu nog te weinig bedrijven die kunnen inspelen op de variabele energiestroom vanaf de Noordzee. Door dat gebrek aan afnemers als de wind hard waait, daalt de stroomprijs op die momenten vaak tot onder nul euro.
De financiële omstandigheden zijn zo onzeker dat energiebedrijf Eneco vorig jaar besloot geen bieding uit te brengen bij veiling voor windpark IJmuiden Ver. In Groot-Brittannië leidden de slechte prijzen er zelfs al toe dat energiebedrijven hun concessie teruggaven.
Om zulke fiasco’s in Nederland te voorkomen heeft het ministerie van Klimaat en Groene Groei de veiling van twee grote windparken voor de kust van IJmuiden voorlopig uitgesteld. Wat gemiste inkomsten voor Tennet betekent. De tender voor Nederwiek I, een iets kleiner windpark ver boven Schiermonnikoog, gaat dit najaar nog wel door.
Op iets langere termijn werkt het kabinet aan een nieuwe contractvorm die in onder meer Groot-Brittannië gebruikelijk is. Bij deze ‘contracts for difference’ zetten de energiebedrijven een ‘bandbreedte’ in hun contract. Als de stroomprijs lager is dan de ondergrens, moet de overheid het verschil betalen. Gaat de stroomprijs door de bovengrens, dan moet het energiebedrijf die overwinst juist afdragen.
Zo hoopt het ministerie de lust tot investeren in windmolens op zee weer te vergroten. Hoopvol is bovendien dat er vorige week in Denemarken succesvol een kavel is geveild.
Toch zijn ze er bij de netbeheerder nog niet gerust op. ‘De kern van het probleem is toch dat het niet snel genoeg gaat met de verduurzaming van de Nederlandse industrie’, zegt woordvoerder Jorrit de Jong. ‘Als die de fossiele brandstoffen inruilen voor elektriciteit en waterstof, is er een bestemming voor alle stroom als de wind hard waait. Maar als de industrie blijft achterlopen, zakt het verdienmodel onderuit.’
Zo doemen voor TenneT twee buikpijnscenario’s op: als de netbeheerder gewoon het spoorboek volgt maar de energiebedrijven afhaken, dreigen de 2-gigawatt-stations straks de enige bouwwerken te zijn waar de wind tegenaan blaast. Wel een stopcontact en niets om erin te pluggen. Dat zou een heel duur grapje zijn. Inclusief kabels en transformatorstations op land, kosten de 2-gigawatt-verbindingen zeker 4,5 miljard euro per stuk.
Het zou bovendien koren op de molen zijn van critici die vinden dat de energietransitie te veel kost en te weinig oplevert. De komende vijftien jaar verwacht de overheid bijna 200 miljard euro kwijt te zijn aan de uitbreiding van het stroomnet. Ruim 10 duizend euro per Nederlander. Bijna de helft van dat bedrag gaat naar de windparken op zee. De politieke dynamiek die zou ontstaan als die transformatoren jarenlang werkloos in de Noordzee staan, is gemakkelijk uit te tekenen.
Maar het tweede scenario vinden ze bij Tennet toch nog een tikkie onaantrekkelijker: het programma voor wind op zee uitstellen of, voorlopig, afblazen. De netbeheerder kreeg afgelopen jaren veel kritiek omdat het hoogspanningsnet op land niet op tijd was uitgebreid. Met de investeringen op zee wilde het staatsbedrijf dat verwijt niet nog een keer krijgen. Afgelopen jaren zijn de contracten voor de bouw van de 2-gigawatt-stations en het leggen van de kabels ook al verstrekt.
Het uitstellen of zelfs afbellen van die orders zou gepaard gaan met grote boetes en schadeclaims, stelt Jorrit de Jong. ‘En ook direct een gigantische vertraging opleveren, want in de hele wereld worden de komende decennia offshore windparken gebouwd. We moeten dan dus weer achteraan in de rij aansluiten.’ Voor Nederland is volgens De Jong nog een reden om het programma voor wind op zee op de rails te houden: ‘De kennis en de ervaring die Nederlandse bedrijven hier opdoen, zijn uiteindelijk veel geld waard.’
De Sleipnir is daarvan een mooi voorbeeld. Het is het grootste halfafzinkbare kraanschip ter wereld. Als de twee hijskranen samenwerken kunnen ze een gewicht van 18 duizend ton aan. Ongeveer tweeënhalf keer de Eiffeltoren.
Uniek is bovendien dat het gevaarte door acht volledig roteerbare schroeven en een ‘dynamisch positioneringssysteem’ zeer precies op één plek kan blijven liggen. Dat komt van pas bij allerhande offshorewerk, zoals het plaatsen en ontmantelen van olie- en gasplatforms en onderdelen voor windparken.
Dat die investering goed uitpakt, bleek afgelopen winter. In Australië moest een onderdeel worden vervangen op een gigantisch gasplatform. Een precisieklus waarbij het nieuwe onderdeel met slecht 30 centimeter speling in het bestaande platform gemanoeuvreerd moest worden. De Sleipnir was het enige schip dat die klus kon klaren.
Dus voer het vlaggenschip van Heerema elf weken lang naar de andere kant van de wereld, deed de klus in zes uur, en voer weer elf weken terug. Allemaal op kosten van de klant. Erg klimaatvriendelijk is dat allemaal niet, want, zoals ze aan boord met gevoel van understatement verwoorden: ‘Dit schip verbruikt een slokje brandstof, zullen we maar zachtjes zeggen.’ Maar de opdracht bewijst wel dat Heerema met de Sleipnir dingen kan die op de wereldzeeën gewild zijn. En dus veel geld opleveren.
Ook bij de 2-gigawatt-stations is Heerema alweer geboekt. Die gevaarten, zo groot als een streekziekenhuis, kan zelfs de Sleipnir niet tillen. Daarom laat Heerema een speciaal ponton maken, waarmee de transformatoren op het jacket geschoven kunnen worden.
Maar dat is dus op zijn vroegst over drie jaar. Eerst moet Herman Rijnders het laatste stukje van operatie HWB tot een goed einde brengen. Terwijl kapitein Jack Geluk en zijn stuurlui op de brug van de Sleipnir in de richting van het jacket varen, giet de superintendent snel wat koffie naar binnen.
Twee drones stijgen op en ‘assistent super’ Tjade stapt in een bakje dat met een hijskraan overboord wordt gestuurd. Dit zijn de ogen onder het platform. Op zijn informatie wordt de Sleipnir goed neergelegd en de transformator met de kraan en enkele ‘stuurtrossen’ (dikke touwen) boven het jacket gemanoeuvreerd.
Het eerste doel is de cone, een omgekeerde ijshoorn op een van de vier poten van het jacket. De punt van de cone moet in een verticale buis onder het station worden gestoken. Zodra dat gelukt is, volgt een andere, iets lagere cone op een naastliggende poot en bevindt de Hollandse Kust West Beta zich in de juiste positie. De haak zakt en de slings komen slap te hangen, en met enkel scherpe knallen schuift de transformator op zijn plek.
Waterstof, het populairste steentje uit de legodoos voor groene chemici, geeft de monumenten van de fossiele industrie een nieuw leven als drijvende energiecentrale.
Stijgende zeespiegels en erosie vreten aan Europa’s stranden: 15 duizend kilometer dreigt de komende eeuw te verdwijnen. Duitsland wordt relatief het hardst getroffen. Op het luxueuze vakantie-eiland Sylt vechten ze tegen steeds hogere golven.
De torenhoge klimaatambities van de Rotterdamse haven staan onder druk: duurzame projecten worden uitgesteld en de eerste bedrijven sluiten de deuren. De Volkskrant trok door het havengebied met de vraag: welke plek heeft de haven in de toekomst die Nederland voor zich ziet?
Source: Volkskrant