Als fervent treinreiziger heb ik bovengemiddeld veel tijd doorgebracht op plekken die niet bedoeld zijn om langdurig stil te staan, zoals station Krommenie-Assendelft of, nog erger, station Barneveld Noord. En gedurende al die voorgoed verdwenen minuten heb ik met eigen ogen kunnen aanschouwen dat niets de elitehaat in Nederland zo heeft aangewakkerd als de aanblik van een vrijwel lege eersteklascoupé in de ochtendspits vanuit een penetrant geurende en bovenal stampvolle tweede klas.
Ik was dan ook bijzonder verheugd toen de NS deze week aankondigde 190 sprintertreinen deels te zullen ontdoen van hun eersteklascoupés. Uit cijfers blijkt dat slechts 10 procent van die zitjes wordt gebruikt tijdens de spits, dus weg met die rode stoeltjes, weg met de klassenmaatschappij en weg met de wrevel van al die tot voetvolk gedegradeerde reizigers.
Over de auteur
Jarl van der Ploeg is journalist en columnist voor de Volkskrant. Hij werkte eerder als correspondent in Italië. Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
We hadden hier te maken met onversneden goed nieuws: een duurzame reisoptie die dankzij een kleine ingreep aantrekkelijker wordt voor duizenden extra mensen. Toch zou Nederland Nederland niet zijn als het zure smaldeel van de bevolking niet alsnog iets te klagen vond. Zo kopte het AD ‘NS benadeelt met dit besluit een hele groep mensen’ en was het meest gehoorde tegenargument online dat rijke mensen hierdoor nog vaker de auto zullen pakken.
Maar dankzij een boek dat ik onlangs staand las in de tweede klas, weet ik dat dit flagrante onzin is. In Autopia, dat volgens de achterflap over auto’s gaat maar in werkelijkheid een fascinerende cultuurgeschiedenis is over de opkomst van de moderne mens, beschrijft Volkskrant-journalist Peter Giesen namelijk dat ieder zichzelf respecterend lid van de elite de trein al decennia geleden vaarwel heeft gezegd.
Tot diep in de 19de eeuw genoot het rijkere deel van de bevolking ervan zich te verplaatsen met luxe privérijtuigen, terwijl gewone stervelingen ondertussen moesten lopen of aangewezen waren op de postkoets. De komst van de spoorwegen echter maakte aan dit privilege een abrupt einde. Opeens waren de rollen volledig omgedraaid en kon het plebs vanuit de snelle stoomtreinen spottend zwaaien naar al die rijkelui in hun trage privékoetsen.
In een poging de elite te paaien, richtten treinbedrijven over de hele wereld vervolgens luxueuze en exclusieve eersteklascoupés in, maar dat werd nauwelijks gewaardeerd. ‘De vrijheid werd aan de snelheid geofferd’, citeert Giesen wat de Duitse dichter Otto Julius Bierbaum schreef in 1902. ‘Het treinkaartje werd niet alleen met geld betaald, maar ook met het opgeven van het zelfbestemmingsrecht. Wie een spoorwegcoupé betreedt, geeft zijn vrijheid op. Elke rit met de spoorwegen is een gevangenentransport.’
De stank vanuit de tweede klas, de dictatuur van het spoorboekje; de elite gruwelde van zijn gedwongen bestaan als ‘kistmens’. De opluchting was dan ook gigantisch toen de automobiel zijn intrede deed en de orde der dingen weer werd hersteld. ‘We zullen nooit meer het gevaar lopen met een onuitstaanbaar mens in een coupé te worden opgesloten, waarvan het venster ook bij drukkende hitte niet mag worden geopend’, aldus de Duitse dichter. ‘We zullen zelf bepalen of we snel of langzaam rijden, waar we stoppen, waar we zonder oponthoud door willen rijden. Kortom, mijnheer! We zullen werkelijk reizen en ons niet laten transporteren.’
En zo betrad de elite weer haar privévoertuigen, niet wetende dat ze er 125 jaar later alsnog mee tot stilstand zouden komen in die gigantische rij genaamd file, terwijl wij, tweede- en derderangsburgers, in datzelfde jaar eindelijk plaatsnamen op de voor hen gereserveerde stoelen, voorbij raasden en opnieuw spottend naar ze zwaaiden.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant