Home

Lang leve de idioot, zegt filosoof René ten Bos: laten we mensen die afwijkend denken serieus nemen

Denken is afwijken, zegt voormalig denker des vaderlands René ten Bos. Zijn nieuwe boek is een pleidooi voor idiotie. Nee, dat betekent niet dat we elke mafkees moeten geloven. Maar wat dan wel?

is boekenrecensent voor de Volkskrant.

Is René ten Bos, hoogleraar filosofie aan de Radboud Universiteit en voormalig denker des vaderlands, een idioot?

Ten Bos (1959) is even stil, kijkt zijn bezoeker doordringend aan en zegt dan: misschien.

Maar dan alleen als je de oorspronkelijke betekenis van het woord bedoelt, gaat hij verder. Geen idioot dus in de moderne zin des woords – geen gek of mafkees, geen dom of onontwikkeld persoon – maar een idioot zoals de Grieken het ooit bedoelden. Hun idiotēs slaat namelijk op iemand die eigen is, een gewone burger, een leek, een man uit het volk. Iemand die zich niet zomaar aan de vorm houdt, die moe wordt van gebakken lucht en niet alle dogma’s klakkeloos overneemt. Een eigenzinnige denker.

René ten Bos, dus.

‘Denken is afwijken’, schrijft hij in Het laatste woord. In eerdere boeken richtte Ten Bos zich onder meer op de klimaatverandering en de bureaucratie. Zijn nieuwste boek laat zich het best omschrijven als een pleidooi voor de idiotie.

En dan nadrukkelijk niet omdat Ten Bos het eens is met alle ‘complotdenkers, populisten, propagandisten, twijfelaars, waarheidsontkenners en allerlei andere figuren die rotzooi komen schoppen in het huis dat de verstandige mensen zo graag op orde willen houden in naam van het hogere’.

Nee, Ten Bos vindt dat ze een pleidooi verdienen omdat ‘idioten’ ons meer kunnen leren over bijvoorbeeld het functioneren van de bureaucratie en het recht dan al die duizenden mensen die weliswaar voor dergelijke instituties werken, maar desalniettemin nooit een vraag stellen omdat ze bevangen zijn door de onuitroeibare menselijke drang om in het gareel te lopen en klakkeloos de geldende dogma’s te volgen.

‘De idiotēs werd geroemd en gevreesd in Griekenland, juist omdat die zo eigenzinnig was’, zegt hij. ‘Die traditie probeer ik weer op te halen. Ik vind het belangrijk dat mensen iets eigens houden en niet alleen maar meeliften op wat andere mensen denken. In wat een idioot zegt, zit vaak een wijsheid die ik heel leuk vind.

‘In mijn boek haal ik bijvoorbeeld André Gide aan, de grote Franse romanschrijver. In onze maatschappij vinden wij gezondheid allemaal heel belangrijk, maar bij Gide lees ik juist een pleidooi over hoe middelmatig een goede gezondheid is. Het is je reinste mediocriteit, schrijft hij. In een gezond leven gebeurt namelijk nooit eens wat. Bij gezondheid heb je helemaal geen verhaal te vertellen, het kent geen verloop. Ziekte daarentegen geeft je gelijk een verhaal. Mensen komen naar je toe, vragen hoe het met je gaat, zijn lief voor je. Niet gezondheid, maar ziekte maakt het leven interessant.

‘Even voor de duidelijkheid: ik citeer Gide niet omdat ik het met hem eens ben. Ik heb zelf aan den lijve ondervonden hoe belangrijk gezondheid is. Ik citeer hem omdat hij mij laat zien dat het mogelijk is het belang van een goede gezondheid in onze samenleving enigszins te relativeren. Gide laat mij zien dat de preoccupatie die we hebben met gezondheid op zichzelf misschien wel ongezond is. En precies naar dat soort geluiden, idiote geluiden die ingaan tegen de geldende dogma’s, ben ik altijd op zoek.’

Dogma’s zijn iets waarover in de ogen van de instituties niet de geringste twijfel mag bestaan. Tegenspraak wordt dus niet geduld. Een geschiedenis lang kwam het gros van de dogma’s voort uit religie – Gods woord was tevens het laatste woord in een discussie. Tegenwoordig, zo betoogt Ten Bos, spreekt men in deze contreien niet langer in naam van God, maar in naam van de volksgezondheid, de nationale veiligheid of duurzaamheid – stuk voor stuk heilige waarden die te allen tijde verdedigd dienen te worden, vrijwel ten koste van alles.

Kijk bijvoorbeeld naar het optreden van de meeste overheden tijdens de coronacrisis. Gezondheid, zo vond het gros van ons, is ons allerhoogste goed, belangrijker zelfs dan vrijheid. Dus wie aan dat laatste woord tornde en openlijk vraagtekens plaatste bij het nut van bijvoorbeeld een vaccinatieplicht, werd subiet weggezet als wappie of erger. Maar, zo vroeg Ten Bos zich af, is dat dogma wel terecht?

De wereld bestaat immers uit meer dan alleen welingelichte altruïstische vaccinofielen en onnadenkende egocentrische vaccinofoben, nuanceerde hij de ‘platte ethische houding’ in het debat. Het is niet waar dat iedereen die zich laat prikken moreel goed is, en de rest slecht. De werkelijkheid is veel minder zwart-wit. Wie zich liet vaccineren deed dat lang niet altijd uit solidariteit, maar net zo goed uit eigenbelang, bijvoorbeeld omdat ze naar een festival wilden.

Wordt daar eigenlijk wel genoeg over gediscussieerd, vroeg Ten Bos zich af. Nemen we, met andere woorden, de idioten die afwijkend denken en vraagtekens bij het beleid plaatsen wel serieus genoeg?

Een groot deel van uw boek gaat over gezondheid. Waar komt uw filosofische interesse voor dat thema vandaan?

‘Gezondheid is belangrijk in de filosofie. Als je filosofische teksten van Plato en Aristoteles leest, gaat het niet zelden over gezondheid, omdat het iets te maken heeft met gelukkig leven. Kijk naar Plato’s dialoog Symposium. Daarin gaan ze samen met Socrates zuipen en eten en is het uiteindelijk de dienstdoende dokter die bepaalt wie op welke plek aan tafel mag zitten. Toen al waren artsen dus heel belangrijk in de maatschappij. Of kijk naar Descartes, die gezondheid ook daadwerkelijk koppelt aan het hebben van een gezond verstand. Gezondheid is een groot thema dat we niet alleen aan dokters zouden moeten overlaten.’

Hoe bedoelt u dat?

‘De Duitse filosoof Hans Blumenberg zegt dat gezondheid een precaire situatie is waaraan vroeg of laat een einde komt. Jouw lijf is een systeem en alle systemen in het universum, ook zonnestelsels en planeten, gaan uiteindelijk naar de flikker. Dat is de tweede wet van de thermodynamica en er is geen enkele reden om aan te nemen dat jouw lichaam dat niet gaat doen.

‘Toch vinden wij dat moeilijk te accepteren. Veel mensen lijken te zijn vergeten dat wij op geen enkele manier een kosmologische uitzonderingspositie innemen. Wij vinden dat we moeten persisteren en doordenderen. We moeten blijven leven. Maar is dat wel een reële verwachting? Vorig jaar kreeg ik kanker en was ik opeens patiënt.

‘Een van de dingen die ik gek vond om te ervaren, was hoeveel ze wel niet optuigden om mij in leven te houden. Opeens waren er allerlei mensen die zich met mijn lichaam bemoeiden. Allerlei slangetjes, draadjes en ik weet niet hoeveel machines die allemaal veel geld kosten, veel verontreinigen, en dat allemaal om dit lichaam te behouden. Voor artsen is mij genezen het enige dat telt en uiteraard ben ik ze daar dankbaar voor, maar ik blijf het toch een rare ervaring vinden dat ze dit allemaal uit de kast trekken om één willekeurig lichaam te behouden.’

Als je ziet wat voor verdriet ziekte en dood kunnen veroorzaken, is het toch niet zo gek dat we gezondheid een hoge waarde toekennen?

‘Nee, tuurlijk niet. Ik maak me ook zorgen als het niet goed gaat met mijn geliefden. Maar dat is en blijft een waarneming op microniveau. Op meso- en macroniveau gelden andere belangen. Als wij enkel dat microniveau centraal stellen in onze discussies, krijg je als samenleving vroeg of laat moeite met de vele toenemende perikelen rondom gezondheid, zoals de vergrijzing en de kosten daarvan. Daarom is het belangrijk zo nu en dan boven de tragiek van het kleine leven te durven staan.

‘Ik heb daar als kankerpatiënt natuurlijk ook met oncologen over gepraat. Er was in mijn geval één chirurg die zei: die tumor van jou is laaggradig, dus je kunt hem ook gewoon laten zitten. Maar dat vonden de andere artsen geen goed idee, met als gevolg dat er toch dure ingrepen volgden. Puur persoonlijk ben ik daar blij mee, maar voor de maatschappij was het wellicht beter geweest om niet alleen vanuit het persoonlijke naar mijn gezondheid te kijken.’

Doelt u alleen op hoge kosten, of zijn er nog meer gevaren die op de loer liggen in een samenleving die een goede gezondheid zo belangrijk vindt?

‘Als we allemaal gaan geloven dat er een leven voor ons is weggelegd zonder pijn – de analgetische samenleving is dat weleens genoemd, dus een samenleving die geen pijn accepteert – dan zullen een hoop mensen gefrustreerd raken. Het is namelijk een strijd die we uiteindelijk zullen verliezen. Verder probeer ik in het boek duidelijk te maken, ook aan de hand van historische voorbeelden, dat die strijd, dat gevecht voor gezondheid, ook ongezonde afslagen kan nemen, tot aan het militante toe.

‘Als je bijvoorbeeld de geschiedenis van epidemieën doorspit, zie je dat die bol staat van vaak extreem militant gedrag ten opzichte van degenen die ziek zijn. Denk aan uitsluiting of quarantaines. In mijn boek maak ik de vergelijking met de oude kruisridders, omdat er vooral in de Verenigde Staten tegenwoordig vaak health crusades worden uitgeroepen, bijvoorbeeld tegen roken of obesitas. Die oorspronkelijke kruisridders opereerden militant, maar geloofden wel in het principe militia cum malitia. Die dachten dat ze in naam van Jezus voor het goede streden (‘militia’), maar dat het daarvoor vereist was af en toe iets kwaads te doen (‘cum malitia’).

‘De huidige kruisridders, bijvoorbeeld in de strijd tegen corona, geloven weliswaar ook voor het goede te strijden, maar denken tegelijkertijd dat ze dat doen zonder kwaad te verrichten. Hun motto is dus militia sine malitia. Daarmee blokkeren zij elke vorm van discussie, omdat ze pretenderen enkel goed te doen. Alleen kun je, zonder inhoudelijk in te gaan op alle afzonderlijke maatregelen, toch wel constateren dat wij, bijvoorbeeld met het sluiten van scholen en het afkondigen van lockdowns, behoorlijk gewelddadige maatregelen hebben getroffen tijdens de coronacrisis.’

Maar wat heb je aan democratie en vrijheid als iedereen stikkend sterft? Is actie niet soms te verkiezen boven eindeloos debatteren?

‘Ja, dus dat gebeurt ook continu. Op het moment dat er iets voorbijkomt dat lijkt op een crisis, zie je dat we in onze democratische samenleving meteen de neiging hebben om bepaalde machten te negeren. De rechterlijke en de wetgevende macht worden dan minder relevant gevonden, alles schuift op – onder het mom van ‘geen woorden maar daden’, ‘niet lullen maar poetsen’ – in de richting van de uitvoerende macht. Dan verdwijnt de sceptische ondertoon die zit in­gebakken in de trias politica, namelijk dat elke macht ­tegenspraak moet hebben wil ze echt goed functioneren.

‘De democratie heeft blijkbaar een groot wantrouwen in haar eigen vermogen om problemen op te lossen. Daardoor grijpt ze in tijden van crisis altijd naar maatregelen waarmee ze zichzelf als het ware buitenspel zet. Dan zegt iedereen: ‘Nu ben ik even klaar met al dat gelul, nu is niet de tijd om heel democratisch te doen, nu moeten we gewoon tot actie overgaan, want het is crisis.’

‘Vooral op mesoniveau heeft dat enorme consequenties. Het betekent namelijk dat jij als medewerker van de GGD je mond moet houden en gewoon moet uitvoeren wat je is opgedragen, want het is nu eenmaal crisis. Actie ondernemen tijdens een gezondheidscrisis heeft dus niet alleen consequenties voor de gezondheid. Het heeft ook consequenties voor de instituten zelf. Mijn boek is sterk geschreven vanuit een institutionele bezorgdheid over precies dat mechanisme.’

‘Alsof er in het heetst van de strijd een vernauwing van het morele blikveld ontstaat’, schrijft Ten Bos in Het laatste woord. ‘Een bepaald kwaad komt onder een vergrootglas te liggen, met als gevolg dat men voor al het andere kwaad geen oog meer heeft.’ En, zo voegt hij toe, dan viel de strijd tegen corona nog alleszins mee.

Dat virus leidde al tot allerlei democratische concessies, terwijl het niet eens een bedreiging vormde voor het voortbestaan van de soort. Dus stel je de repressieve maatregelen eens voor die er genomen worden wanneer de klimaatopwarming verder doorzet, aangezien die crisis wel degelijk een existentiële bedreiging vormt.

Moeten we dan maar niets doen?

‘Begrijp me niet verkeerd: ik maak mij best zorgen om klimaatverandering en de gevolgen daarvan. Maar ook hierbij is het als filosoof niet mijn rol alle geldende dogma’s zomaar te accepteren. Als filosoof moet je altijd de luis in de pels zijn, omdat ik ervan overtuigd ben dat elke discussie gebaat is bij tegengas. Dus zodra iedereen heel angstig gaat doen vanwege het klimaat, is het mijn taak te waarschuwen voor eco-stalinisme.

‘Mijn punt is vooral dat het mogelijk moet blijven bepaalde dogma’s tegen te spreken. Dat we niet zomaar op de automatische piloot overschakelen zodra er weer een nieuwe crisis wordt uitgeroepen. Mijn boek is absoluut geen pleidooi tegen dogma’s. We hebben dogma’s juist nodig om onszelf een bepaalde helderheid te geven in het leven. Soms is het goed om te luisteren naar je leraar of je voetbaltrainer. Mijn punt is alleen dat ik niet hoop dat de dogmaticus de enige is die het voor het zeggen heeft.’

Een ander hedendaags dogma waarbij dat gevaar op de loer ligt, zo schrijft Ten Bos in Het laatste woord, is het rotsvaste geloof dat efficiëntie altijd iets positiefs is. ‘Wie efficiëntie durft te betwisten’, schrijft hij, ‘hangt hetzelfde boven het hoofd als ooit de ketter.’

Wat is er mis met efficiëntie?

‘Daar is op zich niets mis mee, net zoals er niets mis is met de wens om wat gezonder te leven. Maar zodra efficiëntie de dominantste waarde wordt, gebeurt er iets vreemds. Dan gaat het namelijk knellen met allerlei andere waarden.’

Kunt u voorbeelden noemen?

‘Bijvoorbeeld het doen van fundamenteel wetenschappelijk onderzoek. Vaak levert dat niet eens direct iets op en is het dus niet efficiënt. Of het maken van kunst. Dat is ook niet efficiënt, maar je zou het vanuit beschavingstechnisch oogpunt toch best belangrijk kunnen noemen.

‘Toch staan juist dat soort waarden uit naam van de efficiëntie behoorlijk onder druk. Zodra managers zeggen dat iets niet efficiënt is, dan gebeurt het gewoon niet. Als filosoof vind ik dat interessant. Ooit spraken we in de naam van God en nu spreken we in naam van efficiëntie. Iedereen die in arbeidsorganisaties werkt, weet hoe dwingend dat dogma is.’

De ondertitel van uw boek is: twijfelen aan zekerheden. Zit er ook een grens aan de hoeveelheid twijfel? Zodra je immers vraagtekens plaatst bij elke zekerheid, kom je uiteindelijk terecht bij complotten.

‘De discussie over valse kennis is al bijna net zo oud als de filosofie. En ik wil best toegeven dat er vandaag de dag een nieuwe dimensie bij is gekomen door sociale media, maar vanuit het dogmatische kamp is er altijd al een sterke wil geweest om maar één versie van de waarheid toe te staan. Dat was al zo in het oude Griekenland en dat is nog steeds zo. Er zijn altijd praatjesmakers geweest en die zullen er ook altijd blijven. Mijn boodschap is: zorg er gewoon voor dat je zelf betere praatjesmakers hebt.’

René ten Bos: Het laatste woord. Boom; 312 pagina’s; € 29,90.

CV RENÉ TEN BOS

9 september 1959 Geboren in Hengelo. Zijn vader was textielarbeider en zijn moeder magazijnmedewerker.
1982-1987 Studeert filosofie in Nijmegen.
1997 Publiceert zijn eerste boek, Strategisch denken, over zijn ervaringen in de consultancywereld.
1999 Promotie aan de Tilburgse universiteit.
2000 Wordt hoogleraar filosofie in Nijmegen.
2015 Zijn boek Bureaucratie is een inktvis wint de Socratesbeker voor het meest urgente en prikkelende Nederlandse filosofieboek. De jury noemt zijn werk ‘bijzonder origineel en zeer toegankelijk voor een groot publiek’.
2017-2019 Spreekt zich als denker des vaderlands uit over talloze onderwerpen, van de klimaatverandering tot het WK voetbal in Qatar.
2020 Dean van de Radboud Honours Academy.
2021 Wordt benoemd tot officier in de Orde van Oranje-Nassau.
2025 Het laatste woord verschijnt bij uitgeverij Boom, een pleidooi voor het twijfelen aan zekerheden.

René ten Bos woont in Utrecht. Hij heeft samen met zijn vrouw zeven kinderen.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next