Midden in deze (zesde) uitstervingsgolf stappen we in bootjes om bedreigde walvissen beter te leren kennen. Maar kunnen wij dieren wel echt zien voor wat ze zijn? En brengen we ze door ons gedrag niet juist in gevaar?
Ik stroop mijn broekspijpen op tot boven mijn knieën, neem mijn teenslippers in de hand en loop door het lage water naar de panga, een blauw-wit geschilderde vissersboot.
Hij is me bekend: ik stap voor de derde keer in drie dagen in, in de hoop een walvis te zien – niet eens een volledige walvis, maar haar rollende ruggengraat, haar uitademing, en misschien, als ze besluit diep te duiken, haar staart.
In totaal zal ik in twee weken in Mexico zeven walvistochten ondernemen. Elke expeditie duurt zo’n vijf uur en kost 80 euro. In de hoop mijn eigen drijfveren te achterhalen, vraag ik de Koreaanse man naast me waarom hij dit doet.
‘I just love them’, verzucht hij.
Ik knik.
Nikki Dekker is romanschrijver en essayist. Haar meest recente boek, Graafdier, stond op de shortlist van de Jan Hanlo Essayprijs.
Wat is dat verlangen van mensen om dicht bij andere dieren te komen? Ik weet het antwoord niet, laat ik dat maar alvast vertellen. Uiteindelijk is het geloof ik ook niet zo’n interessante vraag. Je kunt net zo goed vragen waarom we contact met andere mensen willen: omdat we zo geboren zijn. Nieuwsgierig, sociaal en als groepsdier.
Nee, wat me bezighoudt is de vraag hoe we dicht bij andere dieren kunnen komen, hoe we ze echt kunnen leren kennen voor wie ze zijn: wilde dieren, huisdieren, proefdieren, uitgestorven dieren.
In Waarom naar dieren kijken (1977) beschrijft de Britse romancier en kunstcriticus John Berger hoe andere dieren naar de randen van onze levens zijn gemarginaliseerd, in fysieke en culturele zin. Speelden ze ooit de rol van goden en mythische symbolen in oorsprongsverhalen, in onze huidige verhalen zijn het eigenlijk simpelweg mensen in een dierenkostuum (Reynaert de Vos, Paddington, Donald Duck).
Berger hekelt de natuurfotografie, die prachtige beelden oplevert van een wereld die we nooit kunnen betreden: ‘Alle dieren verschijnen als vissen die worden waargenomen door de ruit van een aquarium.’ De enige plek waar we ze nog levend kunnen ontmoeten is in kooien of reservaten.
Het voelt belangrijk om nu, midden in deze zesde uitstervingsgolf, naar andere dieren te kijken. ‘Zolang de dingen ons ontgaan en door onze schuld verdwijnen, worden ze door ons zwijgen naar het rijk der fabelen verwezen’, luidt het motto van de internationale bestseller Levende wezens van de Finse schrijver en wetenschapper Iida Turpeinen.
Het is een citaat van Georg Wilhelm Steller, de Duitse natuurvorser die zijn naam gaf aan een albatros, gaai, keverslak, eider, zeeleeuw, zeearend en zeekoe. Die laatste stierf binnen 27 jaar na Stellers ontdekking uit, en in haar roman volgt Iida Turpeinen een van die zeekoeien, drie eeuwen lang, van onontdekte groep in de Beringzee tot aan het Natuurhistorisch Museum in Helsinki.
Daaruit vloeit een verhaal voort dat, veel meer dan over zeekoeien, over mensen gaat, en de vreemde, zelfondermijnende keuzen die we steeds opnieuw maken. Het gaat, zoals het motto al onderstreept, over ons.
Ik bleef hangen aan Stellers motto, omdat er iets niet leek te kloppen. Zolang de dingen ons ontgaan (ja, snap ik, zolang we niet zien dat de insectenpopulatie gedecimeerd wordt, dat de mezenkuikens sterven door voedseltekort, zullen we het ook niet tegenhouden) en ‘door onze schuld verdwijnen’ (helder: wij doden de soorten door ons roekeloze gedrag, onze overconsumptie).
Maar als Steller zijn zeekoe nooit had opgemerkt, was de mens er ook niet achter gekomen hoe gemakkelijk hij te vangen was, en hoe goed zijn vlees smaakte.
De zeekoe verdween omdat hij Steller niet was ontgaan.
In Levende wezens komt de clou halverwege de roman: in de tijd dat de bemanning alle otters en zeekoeien rond het eiland uitmoordde, bestond het hele concept ‘uitsterving’ nog niet. God had de wereld geschapen voor de mens, en hij zou ervoor zorgen dat er altijd genoeg voorhanden was voor zijn bewoners. Alles wat leefde had altijd al bestaan en zou eeuwig blijven bestaan, het idee dat een soort van de aardbodem kon verdwijnen was ondenkbaar.
Dus ja, de scheepslui die otters afslachtten voor hun pels en de karkassen op het zand lieten wegrotten, waren spilziek en kortzichtig, maar ook, in zekere zin, onschuldig; ‘Vergeef hun, Vader, want ze weten niet wat ze doen.’
Geen wonder dat het ons moeite kost onze dagelijkse handelingen te verbinden aan de verre toekomst: een eeuw geleden betwijfelden wetenschappers nog dat uitsterving als concept überhaupt bestond. Het besef dat onze daden gevolgen hebben die niet alleen individuen, maar hele soorten de nek om kunnen draaien, is nog maar een paar generaties geleden ingedaald. De wijsheid hoe we daarmee moeten omgaan, heeft waarschijnlijk nog meer tijd nodig.
Helaas hebben we die tijd niet. De vernietiging dendert door, en de kennis over onze plunderingen wordt op ons afgevuurd in een tempo dat we al even lastig te verwerken vinden.
In het dankwoord van Levende wezens wilde Turpeinen alle diersoorten benoemen die tijdens het werk aan haar boek waren uitgestorven. Dat bleken er 432 te zijn, van de Sympterichthys unipennis tot de Partula faba: onbekende namen voor grotendeels onbekende wezens, en dat zijn dan nog de soorten die gedetermineerd werden voor ze verdwenen.
De baai waar nu bootjes rondvaren om de grijze walvissen te spotten, was een eeuw geleden nog een jachtgebied. Zodra we in 1857 ontdekten dat grijze walvissen zich voortplantten in deze Mexicaanse baaien, begon de mens ze met een overgave te bejagen. Op een gegeven moment waren er zo weinig walvissen in het gebied over, dat het de moeite niet meer loonde om er met duurbetaalde werklui op uit te trekken. De industrie stopte pas toen ze niet meer rendabel was, waarna de soort weer enigszins kon groeien.
Sinds de jaren dertig zijn grijze walvissen beschermd, maar die status maakte hen nog niet geliefd. Alleen Pachico, een plaatselijke visser met een nieuwsgierigheid naar de grijze reuzen, durfde eens dichtbij genoeg te komen om de zogenaamde ‘duivelsvis’ in de ogen aan te kijken, zo gaat het verhaal.
Het dier tilde zijn hoofd uit het water en bleef rustig liggen toen Pachico hem aanraakte. Pachico vertelde iedereen die het wilde horen over deze ontmoeting, en nam mensen mee op zijn boot om het zelf te ervaren.
Wie nu naar de lagunes afreist, weet dat ze net zozeer walvissen gaat kijken, als door de walvissen bekeken wordt.
In Een vlam Tasmaanse tijgers richt Charlotte Van den Broeck zich op de macht van zulke verhalen. Om te beginnen klopt de naam van de Tasmaanse tijger al niet: het is een zogenaamde ‘thylacine’, een vleesetend buideldier, geen tijger of wolf.
Alleen al het idee van een tijger riep horrorbeelden op, en de overdreven verhalen over de slachtpartijen die dat grote, gevaarlijke roofdier aanrichtte, dreven de mens tot een logische conclusie: de thylacine moest worden afgemaakt. Als er maar een ander, passender verhaal over dit dier verteld was, denkt Van den Broeck, was hij misschien niet uitgestorven.
Ze bekritiseert ook de taal waarin we over uitsterving praten; bijna altijd in de verleden (is uitgestorven) of toekomstige (zal zijn uitgestorven) tijd: ‘Het plaatst het verlies van soorten in de toekomst, wat de illusie creëert dat er afstand is, dat er tijd is, maar het gebeurt nu.’
Op 1 januari, om middernacht, startte de Partij voor de Dieren een teller die bijhield hoeveel dieren er per seconde in Nederland geslacht werden (aan het einde van de maand bijna 45 miljoen kippen, koeien en varkens). In het Natuurhistorisch Museum van Brussel loopt eenzelfde teller die overvisserij in beeld brengt. Het probleem met zulke klokken is dat ze nauwelijks uitstijgen boven hetgeen ze meten: wegtikkende tijd. De seconden waarin weer vijf kippen de nek om zijn gedraaid, zijn vervlogen. Daar valt niks meer aan te doen.
De tijd en de dieren verdwijnen in onze bodemloze maag. In een terloopse alinea vertelt Turpeinen over de reuzenzeeschildpad, die driehonderd jaar lang geen wetenschappelijke classificatie kreeg, omdat-ie steeds werd opgegeten voor het specimen de universiteit had kunnen bereiken. In een consumptiecultuur dienen andere dieren enkel als middel: maaltijd, experiment of vermaak.
Pas als een diersoort tot een klein aantal is teruggebracht, wordt hij inherent interessant. Juist doordat hij is uitgestorven, roept de thylacine een enorme fascinatie op. Van den Broeck beschrijft met enige verbazing hoe digitaal opgepoetste filmpjes van de Tasmaanse tijger op YouTube miljoenen views opleveren. Nog dagelijks verschijnen er nieuwe comments.
‘Rust zacht lieverd, ik mis je hoewel ik je nooit heb gekend,’ schrijft iemand. Typisch iets voor mensen om geobsedeerd te raken door hetgeen we niet meer hebben, in plaats van ons te richten op de soorten die er (voorlopig) nog wel zijn.
De Mexicaanse reservaten, waar nu walvistochten worden georganiseerd, bestaan omdat een levende walvis inmiddels meer geld opbrengt dan een dode. Daardoor kon de complete lokale industrie overstappen van industriële visserij naar sportvisserij, recreatie en toerisme.
Dat klinkt rooskleurig, maar de walvisindustrie bestaat juist omdat walvissen zo zeldzaam zijn. Hoe schaarser de diersoort, des te bijzonderder de expeditie.
Ik denk nog altijd met huiver terug aan een korte scène in Emy Koopmans Het boek van alle angsten, waarin rijke mensen grof geld betalen om de laatste rivierdolfijn niet te zien, maar te mogen afschieten. De ultieme eens-in-je-leven-ervaring – niet eens in jóúw leven, maar eens in de complete wereldgeschiedenis.
Zodra we over het water ketsen is alles betoverd: de schaduwen onder het wateroppervlak, de wolken die openbreken, en dan, plotseling, ergens aan onze rechterzijde, de diepe zucht van een walvis. En nog een.
De moeder zwemt ons tegemoet, het kleine walvisje in haar kielzog, hoger oprijzend dan nodig voor hun ademhaling, ze duwen zich met hun staart omhoog om hun ogen boven water te krijgen. Ineens heb ik oogcontact met een walvis.
Al het andere valt weg.
Wie vertelt het verhaal, wie schrijft over wie? Het lijkt me geen toeval dat Van den Broeck in haar boek continu wordt toegesproken door zogenaamde kenners met een ‘Welnu, Charlotte...’ Dat zijn de experts, in de veronderstelling dat zij enkel bestaat om hun verhaal door te vertellen.
Ik denk dat de walvis naar mij keek, maar ik heb geen idee wat ze zag: alleen een vleermuis weet immers hoe het is om een vleermuis te zijn. Maar ja, door te benadrukken dat een mens nooit een ander dier kan begrijpen, maken we de afstand tussen de mens en andere dieren nodeloos groter en onze empathie kleiner. Ik weet ook niet hoe het is om jou te zijn, lezer.
‘Het is heel complex om het verhaal van anderen te vertellen, om woorden te geven aan iemands ervaringen, om ze niet te beïnvloeden met je eigen taal of overtuigingen’, noteert Van den Broeck – niet over haar poging om de thylacine te beschrijven, maar in reactie op een toerist die vraagt of zij niet de ghostwriter van zijn autobiografie wil worden.
Elk verhaal bestaat bij de gratie van machtsverschillen: de verteller speelt met ons, de toehoorders. In Hannibal & Gideon wandelt Maarten Inghels met een olifant door de Alpen, in de voetsporen van Hannibal – fictie natuurlijk, want als hij het echt had gedaan, hadden we de filmpjes op nu.nl gezien, niet alleen van het duo, maar ook van de groepen dierenrechtenactivisten langs de kant van de weg.
‘Dat is de plaag van deze tijd’, zegt een oude ontdekkingsreiziger met wie Inghels de mogelijke route van zijn olifantentocht doorspreekt: ‘Er zijn geen avonturiers meer.’ (Pertinent onwaar, zo lees je in de laatste tien bladzijden van deze novelle, maar die zal ik hier niet spoilen.)
Tegelijkertijd, erkent dezelfde reiziger, blijken juist losers vaak de helden van de geschiedenis: iedereen kent Hannibal en Napoleon, niemand weet wie Wellington of Scipio Africanus is. Geen wonder dat we altijd gefascineerd blijven door het verhaal van de dodo, trekduif, stellerzeekoe of thylacine: een uitgestorven soort is de ultieme verliezer.
Halverwege de reis verorberen Gideon en zijn begeleider een paar paddenstoelen die toch niet zo eetbaar blijken te zijn. Plotseling praat zijn olifant terug, en die toont zich, vanzelfsprekend, niet bepaald onder de indruk van de hele expeditie: ‘Je flanst een driesterrenboekje in elkaar om de aandacht te vestigen op een wrede veldheer die tweeduizend en een halfjaar geleden zevenendertig van mijn soortgenoten de dood injoeg.’
De valkuil van het kijken naar dieren is dat we geneigd zijn te denken dat we een soort observeren, en niet een individu. Onze eigen hond of kat zouden we nooit als illustratief voor alle honden en katten zien: als teckel Boris de gewoonte heeft om vieze sokken op te peuzelen, betekent dat nog niet dat alle teckels, laat staan alle honden, katoen eten. En toch, zodra ik een roerdomp in het riet heb zien zitten, vertel ik mezelf dat ik ‘de roerdomp’ heb gespot.
Blijkbaar moet je dagelijks met een ander dier in aanraking komen om hem te leren kennen als de Gideon die hij is. De mariene biologen die walvissen bestuderen, weten precies naar wie ze kijken: de speelse moeder, de knorrige eenling, de schuchtere of de ronduit ongeïnteresseerde.
‘Als de moeder graag bij de boten rondhangt, zal haar kind dat later ook doen’, vertellen ze me. ‘Hij leert dat ze deel uitmaken van zijn omgeving.’
Er zit een gevaar in ons verlangen om andere dieren te leren kennen: juist doordat Georg Wilhelm Steller in de buurt van de zeekoe kwam, stierf de hele soort uit. Maar dat verhaal speelde zich af voordat we wisten wat uitsterving was, voordat we de dieren tot in de marges van onze levens hadden verdrongen. Misschien moeten we in deze tijd de dieren juist dicht bij ons houden, om onszelf steeds opnieuw te herinneren aan hun waarde. Niet als soort, maar als individu.
Tijdens de coronacrisis deelde Eva Meijer haar huis met gepensioneerde labmuizen, en in Muizenleven doet ze verslag van hun dagelijkse praktijken, persoonlijkheden en relaties. Terwijl ze in haar eigen huis opgesloten zat, bleek dat huis, door de ogen van de muizen, steeds groter – en tegelijkertijd groeide het besef dat de wereld altijd groter is dan wij ooit kunnen bevatten: ‘We zijn allemaal kleine wezens in de uitgestrekte ruimte die het leven is, en soms kom je iemand tegen die op wonderbaarlijke wijze naderbij komt en blijft.’
We zien slechts splinters van het uitsterven om ons heen: het is te groot om te bevatten en simpelweg te vreemd. Daarom grijpen we naar iconen, maar ook die ontsnappen aan onze grip. De thylacine zullen we nooit voorbij het YouTube-filmpje leren kennen, de stellerzeekoe enkel van haar skelet, de olifant of grijze walvis slechts in kortstondige ontmoetingen.
Er zijn zo veel manieren om dicht bij een ander te komen. We kunnen de volledige geschiedenis van het dier onderzoeken, hem achtervolgen, in een bootje stappen en het water opvaren, iedereen interviewen die hem zegt te kennen, of ons voorstellen dat we bij het dier zijn, dat we samen door een berglandschap lopen en elkaar verstaan.
We reiken en reiken naar degenen die ons ontglipt zijn, maar we zouden ook kunnen kijken naar degenen die er al (of: nog) zijn en ze in onze nabijheid uitnodigen, hun wereld met de onze laten overlappen.
Charlotte Van den Broeck: Een vlam Tasmijnse tijgers. De Arbeiderspers; 272 pagina’s; € 24,99.
Maarten Inghels: Hannibal & Gideon. Das Mag; 132 pagina’s; € 21,99.
Iida Turpeinen: Levende wezens. Uit het Fins vertaald door Annemarie Raas. De Geus; 288 pagina’s; € 23,99.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant