Home

Maak het hele onderwijs analoog, betoogt Micha Wertheim, dát helpt tegen de smartphoneproblematiek

Als de hitserie Adolescence ons één les leert, dan is het wel hoe naïef ouders nog steeds zijn over de krachten die loskomen als ze hun kinderen alleen laten met een scherm, vindt Micha Wertheim. Hij pleit ervoor het hele onderwijs weer analoog te maken.

Vorige week maakten dertigduizend ouders bekend een pact te hebben ondertekend waarmee ze beloven hun kinderen tot hun 14de geen smartphone te geven. De teller loopt nog altijd op. Dat klinkt mooi, maar zolang scholen, sportverenigingen en zelfs het NOS Jeugdjournaal kinderen dagelijks naar een laptop of tablet dirigeren, gaat het weinig helpen. Het wordt tijd dat de politiek haar verantwoordelijkheid neemt om ouders te helpen hun kinderen te beschermen tegen de kinderlokkers van deze tijd.

Geen mens, geen kind en zeker geen puber is opgewassen tegen de verlokkingen van het internet. Techbedrijven investeren miljarden om onze aandacht te kapen en ontwikkelen algoritmen die het ’t menselijk brein vrijwel onmogelijk maken niet op een scherm te kijken. Dat dit schadelijke gevolgen heeft voor de geestelijke gezondheid van kinderen, de democratie ondermijnt en blijvende schade aan de hersenen van jongeren toebrengt, zal ze een zorg zijn, zolang zij maar winst maken.

Wetenschappers weten het, de politiek weet het, leraren weten het – en toch staan ouders die hun kind willen beschermen met hun rug tegen de muur.

Verkeerde afslag

De afgelopen weken stonden de pagina’s van deze krant vol met berichtgeving over goedbedoelde initiatieven: onderzoekers die ervoor pleiten dat Instagram zijn algoritmen aanpast, wetenschappers die ge­re­nom­meerde kranten oproepen korte filmpjes te maken om het jongere publiek terug te winnen, influencers die hun pukkels online zetten om bodypositivity te promoten. Allemaal zonder toe te geven dat we de strijd verliezen zolang we telefoons en laptops niet terugdringen uit het onderwijs.

Het wonderlijkste was wel de juichende reactie op het voornemen van Netflix – in samenwerking met Instituut Beeld & Geluid – om de serie Adolescence gratis aan te bieden aan scholen. De miniserie, waarin een door het internet gevormde jongen wordt gearresteerd op beschuldiging van moord op een meisje in zijn klas, zou het ideale startpunt zijn voor ouders en docenten om met hun kroost in gesprek te gaan over de invloed van sociale media op het puberbrein.

Verreweg de belangrijkste scène uit Adolescence is het moment waarop de ouders van de opgepakte jongen naar de computer kijken die ze voor hem hebben gekocht. Door dat apparaat, dat hem zou helpen bij school, verloren ze de controle over de opvoeding van hun kind. Had het apparaat daar niet gestaan, dan zou hun zoon niet de verkeerde afslag hebben genomen.

Maar: een techbedrijf dat cadeautjes uitdeelt – zou het echt? In al hun enthousiasme vergaten de commentatoren even dat Netflix een techbedrijf is dat alles in het werk stelt om ons en onze kinderen aan het scherm gekluisterd te houden. Hoe meer we kijken, des te meer winst ze maken. Wát we zien, zal Netflix uiteindelijk een worst wezen.

Als Adolescence ons één les leert, dan is het wel hoe naïef we nog steeds zijn over de krachten die loskomen als we onze kinderen, onze pubers en ook onszelf alleen laten met een scherm. Alleen met techmiljardairs, die onze aandacht zien als een grondstof waaruit ze kunnen putten tot die helemaal op is.

Smartphoneverbod in de klas

Vorig jaar werd na jaren soebatten eindelijk besloten dat smartphones niet in de klas thuishoren. Het verbod was nog maar net van kracht of we lazen overal hoe enthousiast leerlingen, scholen en ouders daarover waren. Lessen werden niet meer verstoord en kinderen gingen in de pauze weer met elkaar praten.

De initiatiefnemer van het verbod, oud-leraar en CDA-Kamerlid René Peters, stond jarenlang vrijwel helemaal alleen in zijn strijd tegen smartphones in het klaslokaal. Onderwijspartij D66 vergeleek het smartphoneverbod met het verbieden van petjes in de schoolbanken. En dat terwijl iedereen het er allang over eens was dat die apparaten de les verstoorden, sociale cohesie kapotmaakten, de concentratie vernietigden, psychische klachten aanwakkerden en kinderen in aanraking brachten met voor hun leeftijd volkomen ongeschikte beelden.

Was het niet juist verstandig dat kinderen al vroeg leren omgaan met telefoons, hoorde je ouders op feestjes verkondigen, terwijl hun kroost wezenloos in een hoek naar een scherm zat te staren. Ook de techbazen, die hún kinderen vaak helemaal schermloos opvoeden, vonden regelgeving niet nodig.

Opvallend genoeg bleken vooral progressieven huiverig om de verslavende apparaatjes op school te verbieden. ‘Gelukkig leven we in een stad waar veel dingen die niet goed voor je zijn niet meteen verboden worden’, liet de burgemeester van Amsterdam mij via haar woordvoerder weten, toen ik destijds vroeg of ze niet het voortouw kon nemen om dit probleem collectief aan te pakken.

Een wonderlijke uitspraak van een bestuurder die zich oprecht zorgen maakt over de toekomst van onze democratie en rechtsstaat, maar niet lijkt in te zien dat goed burgerschap begint bij geestelijk gezonde en goed geïnformeerde scholieren.

Appgroepen

Ondertussen dwingt een overgrote meerderheid van scholen ouders en kinderen doodleuk om thuis wél een laptop of telefoon bij de hand te hebben. Welbeschouwd is het smartphoneverbod in de klas een druppel op de gloeiende plaat gebleken.

Neem iets onschuldigs als appgroepen. Onontbeerlijk voor ieder kind dat wil weten wanneer de voetbalwedstrijd begint of wanneer het schoolfeest is. Zelfs op scholen die zo vooruitstrevend zijn geweest om geen laptoponderwijs aan te bieden, worden appgroepen als onvermijdelijk gezien. Er moet dus een smartphone worden gekocht. Veel van de informatie die in die appgroepen wordt gedeeld, verdwijnt onder de overweldigende stroom nietszeggende reacties. Maar dat lost een kind op door gewoon heel vaak op zijn telefoon te kijken – wat de eigenaren van WhatsApp dan weer geen punt vinden.

Iedere ouder weet dat er vroeg of laat nazigifjes en racistische grappen in appgroepen worden gedeeld. Dat keuren we dan af, of we gaan met onze kinderen in gesprek, maar de wezenlijke oplossing gaan we uit de weg – want waarom grenzen stellen, als je ook je schouders kunt ophalen en verzuchten dat het er nu eenmaal bij hoort?

Toezicht

Voor het gemak gaan we voorbij aan alle appjes die worden gewist voordat ouders ze hebben gezien. Sommige wakkere scholen zorgen dat er in de schoolappgroep altijd een leraar zit. Dat helpt, maar dan nog is de telefoon die op school verboden is, dankzij dezelfde school buiten school onmisbaar.

Dat de druk van het schoolplein op die manier 24 uur per dag en 365 dagen per jaar ook thuis te voelen is, ook ’s nachts, ook in het weekeinde en ook tijdens de vakantie, nemen we op de koop toe.

Alle scholen en sportverenigingen in Nederland hebben een pestprotocol en een vertrouwenspersoon in dienst. Maar nergens – ik heb online heel wat antipestprogramma’s uitgevlooid – staat zelfs maar het voorstel om kinderen nooit zonder toezicht samen in een appgroep te zetten. Appgroepen zonder toezicht doen alle pestprotocollen meteen teniet. Lees Lord of the Flies er maar op na.

Het advies om als ouder mee te kijken in de appgroepen klinkt mooi, tot je een poging waagt. Per dag staat de teller makkelijk op vijfhonderd appjes, waarvan de ongemakkelijkste natuurlijk snel kunnen worden gewist.

Hoe moeilijk het is voor ouders om de online belevingswereld van hun kinderen te begrijpen, blijkt in Adolescence als het zoontje van de politieagent zijn vader bijpraat over wat alle op het eerste gezicht onschuldige emoji’s betekenen die kinderen elkaar toesturen. Hij heeft geen idee.

Verbod

Wie toch blijft sputteren, krijgt te horen dat als je appgroepen verbiedt, leerlingen die in het geheim beginnen. Vast. Zoals er ook leerlingen zullen zijn die in het geheim drugs nemen en relaties aangaan met docenten. Maar we hebben besloten dat er grenzen zijn. WhatsApp is net als alle andere sociale media vooral goed voor de bedrijven die er geld mee verdienen. Jongeren naar het scherm lokken is het verdienmodel, misschien helpt het om big tech dan ook bij die naam te noemen: kinderlokkers.

Een verbod op appgroepen zal juridisch vast heel ingewikkeld zijn, maar een school kan best een principieel standpunt innemen; een gedragscode kan ieder mens opstellen. Als een burgemeester een standpunt kan innemen over moordpartijen in het Midden-Oosten, dan kan ze ook best iets zeggen over het gebruik van sociale media in het onderwijs. Zolang mensen met een voorbeeldfunctie het voortouw niet durven nemen, blijft iedereen naar elkaar kijken.

Laptoponderwijs

En dan is er het laptoponderwijs. In wezen zijn laptops niets anders dan heel grote telefoons. Met dat verschil dat je op een laptop gewoon kunt appen, snapchatten, gamen en netflixen zonder dat een leraar het doorheeft. Het apparaat staat toch op tafel – zodra een docent in de buurt komt, klik je het scherm weg.

Los van alle afleiding en al het ongepaste materiaal dat via een scherm op een leerling afkomt, is laptoponderwijs ook nog eens aantoonbaar minder effectief dan onderwijs uit boeken. Keer op keer blijkt uit onderzoek dat kinderen beter van papier leren dan van een scherm. Wie met een pen aantekeningen maakt, neemt meer stof op dan wie dat met een toetsenbord doet. Om nog maar te zwijgen van alle kosten die moeten worden gemaakt om voor kinderen een laptop te kopen.

En dan hebben we het nog niet eens gehad over de olifant die inmiddels in elk klaslokaal staat. Met de laptop bij de hand hoeft een puber zelf geen antwoord meer te verzinnen. Het gedachtegoed dat pubers weerstand kunnen bieden aan AI is naïef, krankzinnig en kwaadaardig. Geen adolescent zal zich kunnen beheersen, ook niet na een goed gesprek over een Netflix-serie.

Stoppen met digitaal onderwijs

Opnieuw is de houding: tja, wat doen we eraan? Welnu: onszelf bewapenen. Scholen hebben onlinelespakketten aangekocht in een tijd dat we de technologische ontwikkelingen niet konden voorzien. Maar nu weten we hoe slecht onderwijs is op grote mobiele telefoons – want nogmaals: dat zijn laptops – en toch gebeurt er niets.

Natuurlijk moeten kinderen onderwijs krijgen over computers. Maar dat kan prima zonder persoonlijke laptop en digitaal huiswerk.

Het probleem is dat stoppen met digitaal onderwijs heel duur blijkt te zijn. Scholen zitten vast aan superdure contracten, waar ze zonder overheidssteun niet zomaar van afkomen. Dat leerlingen door die contracten veel minder leren en moeilijker leren, vinden we blijkbaar geen probleem.

Onmisbaar

Vrijwel alle middelen die bedacht zijn om school efficiënter te maken, hebben computers, telefoons en tablets onmisbaar gemaakt. Als beveiliging van de onlineleeromgeving betekent dat leerlingen hun telefoon thuis naast hun laptop moeten leggen tijdens het huiswerk, omdat alleen zo een versleutelde inlog kan worden verstuurd, dan hebben ouders dat maar te doen. Als het om computersystemen gaat, betekent veiligheid een heleboel, maar met de veiligheid van het kind heeft het niets te maken.

Neem Magister, het systeem waarmee leerlingen en ouders cijfers online kunnen bekijken. In de praktijk betekent het dat scholieren de hele dag, ook voor het slapengaan en in het weekeinde, online kunnen kijken of hun cijfers al bekend zijn. Vlak voordat je naar bed gaat zien dat je een onvoldoende hebt, is dat echt vooruitgang? Is dat beter dan in de les horen hoe je een toets hebt gemaakt, zodat je er meteen met de docent over kan praten? Natuurlijk niet.

Superhandig dat je online kunt zien of je huiswerk hebt, maar de praktijk wijst uit dat leraren in de les aankondigen het huiswerk pas later online te zetten. Houd dus voortdurend je telefoon of laptop in de gaten, want er kan altijd iets heel belangrijks zijn dat je niet mag missen. Weten of je het eerste uur vrij hebt? Kijk dan bij het opstaan meteen op een scherm.

Iedereen weet: wie voor het ene op een scherm kijkt, blijft hangen om al die andere meldingen ook te bekijken. Het Herman Jordan Lyceum in Zeist haalde onlangs het nieuws door de stekker uit Magister te trekken. Terecht. Daarna bleef het oorverdovend stil. Verder durft niemand.

Hersenen van pubers

En dan hebben we het nog niet eens gehad over een heel ander en veel groter probleem dat zich voordoet bij jongeren die, al dan niet door school gedwongen, veel online zijn: niet wát kinderen online zien, maar dát ze het online zien, is verantwoordelijk voor de gigantische toename aan mentale klachten bij mensen die zijn opgevoed met een beeldscherm.

De hersenen van pubers zijn volop in ontwikkeling. Bij kinderen die buiten spelen, sociale contacten aangaan, samen een film kijken of de tijd nemen een lang verhaal in boekvorm tot zich te nemen, ontwikkelen de hersenen zich anders dan bij leeftijdsgenoten die in hun eentje achter een scherm steeds korte snippers bekijken.

Wie onderwijs koppelt aan spelletjes en daarvoor korte filmpjes als beloning geeft, wat veel onlinelespakketten doen, vormt daarmee de hersenen. Door niet in te grijpen programmeren we dagelijks de hersenen van onze kinderen op een manier die onomkeerbaar en aantoonbaar schadelijk is.

Natuurlijk zijn er altijd voordelen te verzinnen, maar die wegen allang niet meer op tegen de nadelen. Er zullen altijd ouders blijven die hun kinderen met een laptop naar hun kamer laten gaan. Die het geen probleem vinden dat ze in hun eentje naar agressieve porno kijken. Die geen zorgen hebben over desinformatie en hun ogen sluiten voor de psychosociale klachten die voortkomen uit het gebruik van sociale media. Die de waarschuwing van de AIVD, dat steeds meer jongeren radicaliseren door de onlinebubbel waarin ze terechtkomen, met een korreltje zout nemen.

Zolang er huiswerk is dat online gemaakt moet worden, is iedere ouder die niet de tijd heeft om er de hele dag naast te zitten machteloos. Alle pacten om schermtijd te beperken, schieten tekort zolang scholen leerlingen dwingen online te gaan. Als in een schoolkantine asbest wordt gevonden, sluiten we de deuren, maar nu laten we de poorten wagenwijd openstaan.

Kinderen hebben het recht huiswerk te maken in een ruimte waar ze veilig zijn. Waar geen als miljardairs verklede kinderlokkers ronddwalen. Het kan toch niet zo zijn dat ouders moeten kiezen tussen school of het geestelijk welzijn van hun kinderen?

Vertrouwen

Een lieve moeder, wier kinderen net wat ouder zijn dan die van mij, tegen wie ik tijdens het winkelen leegliep over al mijn zorgen, zei dat ik misschien wel gelijk had, maar dat we onze kinderen ook een beetje moeten durven vertrouwen. Daar had ze natuurlijk helemaal gelijk in. Haar wijze woorden gaven me rust.

Tot ik me een paar dagen later realiseerde dat het andersom zit. Onze kinderen moeten óns kunnen vertrouwen, en dat kan alleen als wij erkennen dat we onszelf niet kunnen vertrouwen. Daarom mogen we in de bebouwde kom geen 120 kilometer per uur rijden, ligt cocaïne niet naast de magere kwark in het schap en spreken we mannen erop aan wanneer ze vrouwen ongevraagd betasten. Daarom hebben we een rechtsstaat opgetuigd met wetten, regels en afspraken. Vertrouwen is niet iets dat je geeft, het is iets dat je schept, door grenzen te stellen en afspraken te maken.

Ouders, leraren, scholen en besturen zijn het aan de toekomstige volwassenen verplicht om te helpen over te stappen op een analoge leeromgeving. Dat gaat nooit lukken als Den Haag niet het voortouw neemt. Scholen, sportverenigingen, ouders en leerlingen kunnen het niet alleen. De politiek is aan zet.

Als we nu in actie komen zullen we, net als met het smartphoneverbod in de klas, achteraf alleen maar verbijsterd zijn dat het zo lang heeft geduurd.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next