Clara Schumann was een groot talent, als pianist en componist. Maar wat koos ze een suffe man uit, vindt biograaf Christine Eichel. De ironie druipt van de pagina’s.
Juli 1846. Het muzikale echtpaar Robert (36) en Clara (26) Schumann gunt zichzelf een vakantie op het Duitse waddeneiland Norderney. Ze reizen zonder kinderen, vier inmiddels, want Robert is overspannen en Clara het baren moe.
Niet dat manlief zich daar iets van aantrekt. ‘Koffie, gemeenschap, een warm bad’, noteert hij nuchter.
‘Wat is het toch een schat’, staat te lezen in Clara, een biografie waarin de Duitse schrijver-journalist Christine Eichel uitpluist hoe Clara Schumann (1819-1896), de vermaarde pianist en componist, zich ontworstelt aan de mannen in haar leven.
Natuurlijk vindt Eichel Robert geen schat. De ironie druipt wel vaker van de pagina’s in een boek dat deels leest als een demasqué van Robert Schumann. Eichel stelt pittige vragen als: hoe haalt een jonge, succesvolle vrouw het in haar hoofd om met zo’n slampamper te trouwen?
Want kijk hoe het er vlak voor de trouwerij in 1840 voorstaat. Clara Wieck uit Leipzig triomfeert als pianist in heel Europa; Robert Schumann komt als componist amper aan de bak. Clara droomt van een huwelijk op gelijke hoogte; Robert worstelt met bier, meiden en mannen (‘zonnejongelingen’ is zijn woord). De man wil dat de vrouw thuisblijft; zij buigt, maar niet voor ‘dat ene’ (‘ik smeek je, doe het niet meer’).
Secuur beschrijft Eichel de chemie die de twee naar elkaar toe drijft. Hoe de kleine Clara aan de piano meedogenloos wordt gedrild door haar vader; hoe ze in affectie zwaar tekortkomt.
Robert is negen jaar ouder, maar overlaadt Clara vanaf het begin met aandacht. Ze wisselen brieven uit, flirten, en rond haar 16de volgt de eerste kus. Pas na een geruchtmakend proces – pa Wieck wil Clara niet kwijt – kunnen ze trouwen.
Clara zoekt in het huwelijk emotionele nabijheid, Robert vindt een haven voor zijn al te turbulente geest. Misschien zijn het de genen, misschien de syfilis die hij in 1831 oploopt bij ene Christel. Hoe dan ook takelt Robert gestaag af, tot hij in 1854 bij Düsseldorf in de Rijn springt. Nederlandse schippers redden hem, kort daarop zit de componist in de kliniek waar hij twee jaar later overlijdt.
Het zijn bekende feiten. Troebele feiten ook, want waarom springt Robert nu precies? Puur vanwege geestelijk verval? Of vermoedt hij dat Clara, de overbelaste mantelzorger, hem liever het huis uit wil? En hoe zit het met Johannes Brahms, de 20-jarige, hoogst getalenteerde huisvriend van de Schumanns?
Vast staat dat hij kort na Roberts sprong bij Clara intrekt. Moedig van haar, vindt Eichel, ‘in een tijd waarin reputaties sneller geruïneerd zijn dan haar wit-zijden concertschoenen op een regenachtige dag’.
Dat Brahms smoorverliefd is, gelooft de biograaf graag. Maar dat ze toehapt, lijkt Eichel stug. Sterker, geen derde dwingeland voor Clara!
Opeens komt de spartaanse opvoeding goed van pas. Met militaire precisie hervat Clara Schumann haar Europese tournees. Alles stippelt ze zelf uit. Hoe bijvoorbeeld te reizen, als vrouw alleen? Waar goedkoop te slapen?
‘Het uitoefenen van de kunst’, schrijft ze aan Brahms, ‘is een groot deel van wie ik ben, het is de lucht die ik inadem!’ Haar kinderen zijn de dupe. Acht heeft ze er gebaard, een is inmiddels overleden. Om op pad te kunnen schakelt Clara kindermeisjes, familie en internaten in. Voor de moederrol werd in huize-Wieck nooit getraind. Het familiegevoel, zeiden Clara’s kinderen later, kregen ze alleen bij Robert. Die las tenminste voor, deed spelletjes, deed gek.
‘Het is ontroerend om te lezen’, schrijft Christine Eichel, ‘hoe vol overgave Robert zich met zijn kinderen bezighoudt – ook al is hij natuurlijk de typische na-het-werk-papa, die de krenten pikt uit de pap van het dagelijks leven met kinderen.’
Het is de licht vileine blik die dit boek smoel geeft. De meeslepende vertelkracht blijft ook mooi overeind in de vertaling van Goverdien Hauth-Grubben. Maar soms doet de vlotheid pijn aan de ogen. Was Clara Schumann werkelijk ‘de Lady Gaga van de 19de eeuw’? Moet dat, het strooien met termen als regretting motherhood?
Aan een evaluatie van Clara als de componist van tientallen stuks muziek komt het boek amper toe. Je kunt zeggen: dat rijmt met het leven van de weduwe die vooral Roberts werk consequent uitdraagt. Wel toont Eichel hoe Clara het serieuze pianorecital introduceert, wars van circuswerk à la Franz Liszt. En hoe ze op haar oude dag begint als conservatoriumdocent.
Het ‘gepantserde meisje’ (Clara over Clara) ontpopt zich als een strenge Professorin. De straat in Frankfurt waar ze lesgeeft, staat al gauw bekend als de ‘laan van tranen en zuchten’.
Christine Eichel: Clara – Het leven van Clara Schumann: wonderkind, carrièrevrouw, cultureel icoon. Uit het Duits vertaald door Goverdien Hauth-Grubben. Omniboek; 352 pagina’s; € 29,99.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant