Politiemensen over die ene melding, wat er daarna gebeurde en hoe dat hun kijk op het vak heeft veranderd. Richard den Boer (43) kreeg als officier van dienst de melding die je nooit hoopt te krijgen.
is politie- en justitieverslaggever van de Volkskrant.
‘Dit is het enige incident waar ik niet graag over praat. Op woensdag 18 april 2018 – die datum vergeet ik nooit – was ik officier van dienst. Dat betekent dat je alle grote incidenten moet coördineren.
‘Ik zat op ons bureau in Zierikzee en hoorde om 4 uur ’s middags over de portofoon: ‘Dertien nul vijf’ – dat is het roepnummer van Schouwen-Duiveland – ‘wilt u naar camping Julianahoeve in Renesse gaan, in verband met een reanimatie?’
‘Die camping ken ik goed, mijn ouders staan daar in het voorseizoen met hun caravan. Ik dacht: ik ga helpen, dan drink ik daarna bij m’n ouders een bakkie koffie.’
‘Onderweg werd ik gebeld door de meldkamer. Monica vroeg: ‘Richard, ben jij onderweg naar die reanimatie?’ ‘Ja’, antwoordde ik schuldbewust, en dacht: nu krijg ik op m’n flikker omdat ik me nog niet bij haar heb aangemeld, terwijl ik wel met zwaailicht en sirene rijd.
‘‘Wil je even aan de kant gaan staan?’, vervolgde ze. Nadat ik stilstond, zei Monica – ik herinner me elk woord nog letterlijk: ‘De melding waarnaar je onderweg bent, dat is je vader.’
‘Alsof iemand in je maag stompt. Ik vroeg haar: ‘Wil je de officier van dienst van Markiezaat vragen of hij mij kan waarnemen? En bel Cor of hij mijn dienstauto straks kan terugrijden.’ Ik was extreem rustig, achteraf denk ik dat ik in shock was.
‘Ik reed verder naar Renesse en belde mijn vrouw: ‘Pa wordt gereanimeerd, ik denk dat dit niet goed komt, zou je vast deze kant op willen komen?’
‘Voorbij de slagboom parkeerde ik mijn dienstauto bewust op een afstand van het kampeerveldje van mijn ouders, en liep die kant op. Hoewel ik in uniform was, herkende een campinggast me. Hij werd lijkbleek, dus ik gebaarde meteen: rustig maar, ik weet het al, het is mijn vader.
‘Ik zag politiewagens, ambulances en hulpverleners tussen apparatuur op hun knieën bezig met iemand die mijn pa moest zijn. Collega’s ritsten de voortent van de caravan om beter bij hem te kunnen, heel surrealistisch. Collega Freek stond naast mijn moeder. Hij schrok toen hij me zag en vroeg wat hij voor me kon doen. ‘Niks’, zei ik. ‘Doe maar gewoon wat je moet doen, en dan net een beetje meer.’
‘Terwijl mijn vader lag te vechten voor zijn leven, zei mijn moeder tamelijk laconiek: ‘Hij klaagde over pijn in zijn borst.’ Ze had niet door dat een reanimatie bijna nooit goed afloopt. Pas na een poosje herhaalde ze een keer of tien: ‘Hij zal toch niet doodgaan?’ En steeds antwoordde ik: ‘We moeten wachten.’
‘Ondertussen zag ik hoe ambulancemedewerkers de Lucas aansloten, een hartmassageapparaat. En een infuus. Ik bleef emotieloos, misschien omdat er tientallen campinggasten stonden te kijken en ik in uniform was. Het klinkt raar, maar op dat moment denk je: ik moet me als een politieagent gedragen.
‘Ineens werd de Lucas uitgezet. Alle hulpverleners stonden op. Oké, dacht ik, nu komen ze het mij meedelen: hij is overleden.
‘Collega Ivo liep naar me toe, vermoedelijk omdat ik de officier van dienst was en hij me wilde bijpraten, maar Freek hield hem tegen en zei iets, waarna ik de verbijstering zag in Ivo’s ogen: dat is Richards vader.
‘Maar Ivo liep door en zei: ‘Ries, het is goed, hij is bijgekomen.’ Ik keek hem aan en foeterde: ‘Wat lul jij nou?’ Ik dacht: wat een idiote grap. Alsof iemand tegen je zegt ‘Je hebt een miljoen in de loterij gewonnen’, terwijl dat niet waar is. ‘Je vader kreeg weer een hartslag’, zei Ivo. ‘Ze brengen hem naar het ziekenhuis.’
‘Ik trok Ivo mee, achter de caravan. Daar, uit het zicht, zakte ik door m’n knieën, jankte en vloekte alles bij elkaar, ik stortte helemaal in. Na een minuut herpakte ik me, belde mijn broer en zei: ‘Mark, pa heeft een hartstilstand gehad. Hij leeft nog, ze brengen hem naar Terneuzen.’
‘Dat is nu zeven jaar geleden. Dit is de melding die je hoopt nooit te krijgen. Ik heb ervan geleerd dat ik niet in paniek raak en rationeel blijf handelen. Op dat ene minuutje na, dan.
‘Mijn vader is helemaal opgeknapt, hij herinnert zich er niets van. En dat is best lastig: als je iets heftigs meemaakt, wil je dat kunnen delen. Mijn vader is een prachtvent, maar hier kan ik met hem niet over praten. Hij heeft zoiets van: waar maak je je druk over, ik ben er toch nog? Misschien ook omdat we stugge Zeeuwen zijn, wij praten niet over alles.
‘Bij de politie leren we dat je juist wél over incidenten moet praten, het is een manier van verwerken. Niet dat ik er last van heb, hoor. Alleen als over de portofoon klinkt: ‘Dertien nul vijf, kunt u naar een reanimatie gaan?’, verstijf ik. Totdat ik een onbekend adres hoor, dan zakt mijn hartslag weer.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant