Ingrid Jongeneel-Hjalmarsson is 100 jaar. Hoe kijkt deze geboren Zweedse aan tegen de eeuw die achter haar ligt?
De zachtmoedige Ingrid Jongeneel-Hjalmarsson brengt het grootste deel van haar dag door in haar stoel bij het raam. Ze leest de krant of een thriller en komt nog maar weinig de deur uit. De 100-jarige is opgewekt, maar wel een beetje levensmoe, vertelt ze.
Hoe gaat het met u?
‘Heel goed. Gelukkig ben ik gezond. Wat wil je nog meer als je 100 jaar bent? Elke dag drink ik een glas witte wijn of port, ik zou niet zonder willen. Gerookt heb ik alleen toen het in de mode was, dat is heel lang geleden, en ik ben er vlug mee gestopt. Mijn hoofd is ook nog in orde. Jullie houden mij niet voor de gek, zeg ik tegen iedereen die langskomt. Ik kan mij niet herinneren dat ik ooit ziek ben geweest. En als het misschien wel zo was, dan ben ik dat vergeten. Dat is het beste. Alleen bij leuke dingen kijk ik achterom.’
Wat is een van uw dierbaarste jeugdherinneringen?
‘Ik heb er een heleboel. Als kind had ik veel vriendinnen en vrienden, ik denk vaak aan hen. We waren altijd buiten aan het spelen, urenlang gingen we het bos in, in de winter op ski’s. Als er sneeuw lag, gingen we skiënd naar de lagere school. Dan stonden de latten op een rij tegen de buitenmuur.
‘Mijn beste vriendin op de middelbare school was Ingalill. We voelden elkaar goed aan en zijn altijd bevriend gebleven. Haar 50ste verjaardag hebben we met onze echtgenoten gevierd in hun zomerhuis in Zweden. Een week later was ze dood. We wisten dat ze niet meer lang te leven had, dus hadden we haar verjaardag leuk en luchtig gehouden. Het leven zit vreemd in elkaar. Zij is jong gestorven en ik ben er nog steeds.
‘Ik ben geboren in Munkedal, in het zuiden van Zweden. Ik was 2 jaar toen ik met mijn ouders en broer verhuisde naar het dorpje Oskarström. Daar waren twee fabrieken: een jutefabriek en een sulfietfabriek, waar de meeste inwoners werkten. Mijn vader niet, hij was de baas van de supermarkt. We hadden het goed, ik weet niet wat armoede is. Van de oorlog hebben we niks gemerkt, behalve dat kleding en schoenen schaars waren en op de bon. Zweden was niet bezet door de Duitsers.
‘Mijn ouders hadden nooit ruzie, waren lief en sociaal. Mijn vader zat als overtuigd sociaaldemocraat in de gemeenteraad. Als ik tussen de middag uit school thuis kwam om te eten, zat er geregeld een bedelaar aan tafel die mijn moeder had uitgenodigd. Die bedelaars waren altijd mannen, gek hè. De huizen hadden een teken op de deur, daaraan konden armen zien waar ze wel of niet iets te eten konden krijgen.
‘Na de middelbare school ben ik verpleegkunde gaan studeren, ik specialiseerde mij in kinderverpleging en ging werken op scholen en bij een consultatiebureau. Net zoals veel van mijn vriendinnen woonde ik zelfstandig, op een flatje, niet ver van mijn ouders.’
Hoe bent u in Nederland verzeild geraakt?
‘Een vriendin correspondeerde met een Nederlandse jongen. Een vriend van hem wilde ook graag een Zweedse penvriendin. Dat werd ik. We zijn later allebei met onze penvriend getrouwd en in Nederland gaan wonen. Joop en ik begonnen elkaar in 1947 brieven te schrijven.
‘In 1949 ontmoetten we elkaar voor het eerst in Rotterdam en waren op slag verliefd. We bleven elkaar schrijven en zochten elkaar zo vaak mogelijk op. In 1950 zijn we verloofd en drie jaar later getrouwd, zodra Joop zijn studie economie had afgerond en een baan en een woning kon krijgen. De moeder van Joop was katholiek, zijn vader Nederlands-hervormd. Zelf was en ben ik noch gelovig noch ongelovig, ik weet het gewoon niet. Maar dat vonden ze geen punt. Dat was bijzonder voor die tijd, in Nederland.’
Welke verschillen ontdekte u tussen Zweden en Nederland?
‘Ik had een afspraak gemaakt met de directrice van een kinderziekenhuis in Rotterdam, voor een baan. We zaten heel leuk te praten, toen ze ineens vroeg: ‘Wat doe je hier in Nederland?’ Ik vertelde dat ik getrouwd was met een Nederlander. ‘Oh’, zei ze resoluut, ‘dan kun je hier niet komen werken.’ Het was een schok voor mij dat getrouwde vrouwen in Nederland niet werken mochten. Al mijn getrouwde vriendinnen in Zweden konden gewoon hun baan behouden.
‘Thuis vertelde ik Joop teleurgesteld wat er was gebeurd en zei: ‘Nu heb ik nóg een bewijs dat Nederland vijftig jaar achterloopt.’ Zo was ik in Zweden ook gewend aan centrale verwarming in huis, maar onze eerste flat in Rotterdam, had maar één kachel, pfff, een kolenkachel in de woonkamer. In de slaapkamer was het in de winter steenkoud, de ijsbloemen stonden op de ramen. Mijn flat in Zweden was sowieso veel mooier, met een prachtige badkamer en een keuken met een fornuis en koelkast. In Nederland waren de woningen veel soberder, apparaten moest je zelf kopen.
‘Na ons huwelijk gingen we elke zomer naar Zweden, ook toen we kinderen kregen. Dan kwamen we vaak terug met een auto vol spullen die je in Nederland nog niet kon krijgen, zoals een stofzuiger met een snoer dat je met een druk op een knop in de zuiger kon opbergen, knäckebröd en kinderkamermeubels van Ikea.
‘Als ik tegen iemand zei dat Nederland achterliep op Zweden, viel dat meestal niet in goede aarde – ‘luxepopje’ werd ik dan genoemd. Dat vond ik niet leuk, het was gewoon waar wat ik zei. Na de geboorte van onze eerste dochter zijn we verhuisd naar een nieuwbouwflat met centrale verwarming – dat was de hemel!’
Was u niet liever in het moderne en geëmancipeerde Zweden blijven wonen, met Joop aan uw zijde?
‘Voor ons trouwen spraken we veel over de vraag in welk land we zouden gaan wonen. Joop zag Zweden wel zitten. We spraken Engels met elkaar, maar Zweeds pakte hij snel op, dus dat was het punt niet. Ook kon hij er makkelijk aan een baan komen. Een korte periode werkte hij in Stockholm, dankzij bemiddeling van mijn vader. Maar aan alles merkte ik dat hij liever in zijn geboorteland wilde zijn, dus hakte ik de knoop door: het wordt Nederland.
‘Vooral in de beginjaren had ik last van heimwee, ik miste mijn vriendinnen en vooral mijn ouders. Als ik naar huis belde, stond Joop op de klok te kijken – we hadden weinig geld en bellen was kostbaar. Mijn moeder stuurde mij elke week een pakket met Zweedse kranten en tijdschriften, om op de hoogte te blijven van het nieuws in Zweden. De laatste jaren volg ik het niet meer. Als er iets belangrijks is, hoor ik het wel op tv.
‘Om andere Zweden te ontmoeten, ging ik naar de Zweedse Zeemanskerk in Rotterdam. Het ging mij om de contacten, de gezelligheid en de binding met Zweedse tradities. Zodra mijn eerste kind was geboren, zei de huisarts: ‘Vanaf nu praat ik alleen nog maar Nederlands met je.’ Dat stimuleerde mij om de taal te leren, al doende is het gelukt, zonder cursus.’
Welke gewoonten van uw ouders heeft u overgenomen?
‘Als een gast vertrekt, altijd meelopen tot de deur. En eerlijk zijn tegen je ouders. Liegen kan ik niet. Tegen mijn kinderen zei ik altijd: ‘Als je iets geks hebt gedaan, wil ik het niet van een ander horen, maar van jou.’ De opvoeding is eigenlijk vanzelf gegaan. Boeken las ik er niet over, zoals nu veel wordt gedaan. Ik volgde mijn intuïtie, voelde aan wat ik wel en niet moest doen.
‘Met onze kinderen vierden we op zijn Zweeds kerstavond, met een kerstman en cadeaus. Toen ze wat ouder waren en van Sinterklaasavond hoorden, mochten ze kiezen. Ze kozen voor de kerstman. Met andere Zweden in Nederland vierden we in juni altijd Midsommarafton, de langste dag van het jaar, in de tuin van de Zweedse Zeemanskerk. Dan dansten we om een met bloemen versierde Midsommarstang, een boomstam.’
Hoe is het voor u om zo oud te zijn?
‘Soms vraag ik mij af: hoelang heb ik nog? Een halfjaar, een jaar, of nog langer? Ik zit in de wachtkamer en moet er niet aan denken ook nog 101 of 102 te worden, maar dat kan wel, want ik ben kerngezond. Ik heb er alleen geen zin meer in. Dat kan mij verdrietig maken, dan denk ik: waarom moet ik hier nog zitten in deze stoel in deze kamer?
‘Ik ben dankbaar voor het leven dat ik heb gehad, maar 100 jaar is lang genoeg. Er is weinig vooruitzicht meer. Ik beleef bijna niets meer, behalve mijn dochters die langskomen en mijn zoon, die in Italië woont. Ik kan ook nog uitkijken naar bezoekjes van of aan vriendinnen en uitstapjes met mijn dochter naar het dorp.
‘Eigenlijk moet ik elke dag even naar buiten voor een wandelingetje, maar het ontbreekt mij aan energie, terwijl ik niet kan zeggen dat ik zo druk bezig ben. Wel probeer ik elke dag over de gang te lopen en doe ik mee aan bewegen op muziek, hier in het woonzorgcentrum. Euthanasie wil ik niet. Ik heb het leven ontvangen en mag het niet zelf stoppen, zo voel ik dat heel sterk. Ik zal mijn tijd dus moeten uitzitten.’
geboren: 4 november 1924 in Munkedal, Zweden
woont: in een woonzorgcentrum in Bilthoven
familie: 3 kinderen, 2 kleinkinderen, 2 achterkleinkinderen
beroep: verpleegkundige
weduwe sinds 1999
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant