De emotie zit nog hoog in Rouwjournaal, het boek dat Jan Siebelink schreef na de dood van zijn vrouw. Omfloerst is hij alleen over zijn bedrog. ‘Was ze trots een man te hebben op wie andere vrouwen verliefd werden?’
is recensent en columnist voor de Volkskrant.
Zijn vrouw stierf vorig jaar juni aan een onbehandelbare, extreem agressieve vorm van kanker – na een huwelijk van bijna zestig jaar. Anderhalve maand later vertelde Jan Siebelink, bekend van de megabestseller Knielen op een bed violen (2005), in de Volkskrant hoe vriend en collega Frans Thomése hem na haar overlijden had aangespoord.
Je moet schrijven, zei hij. Je bent schrijver, waarom zou je niet proberen vorm te geven aan je verdriet?
Nu, nog geen jaar later, ligt daar Rouwjournaal, dat als motto een variant meekreeg op een regel van de Franse dichter Alphonse de Lamartine: ‘Un seul être me manque et tout est dépeuplé.’ In Siebelinks vertaling: ‘Eén ontbreekt en de wereld is leeg.’
Anders dan, zeg, Beladen huis van Christien Brinkgreve wil Rouwjournaal géén memoir zijn. Siebelink blikt niet met serene afstand en veel duiding terug op een lang huwelijk en zijn eigen rol daarin. Integendeel. In 125 korte, soms ultrakorte hoofdstukjes (hoofdstuk 10: ‘Ik zal doodgaan zonder jou’), doet hij verslag van de rouw die hem bespringt na de dood van zijn vrouw Gerda. De wond, schrijft hij, is bij lange na nog geen litteken, het bloed sijpelt eruit.
De dag na de begrafenis loopt hij de tuin in en slaat aan het rekenen. ‘Ik ben 86, hoelang heb ik nog? Laten we zeggen, drie jaar, ruim duizend dagen. Zo lang, zonder haar? Nee, onmogelijk. (…) Abrupt ga ik het huis binnen, loop de gang in, sta onderaan de trap, roep haar naam, schreeuw, gil. Misschien was ik de enige die vroege zondagmorgen, in deze snelgroeiende stad in de Gelderse vallei, die in de schemerige, kille hal, onderaan de trap, om zijn vrouw gilde.’
Siebelink herhaalt zichzelf in Rouwjournaal veelvuldig, maar dat werkt wonderwel. Door er telkens opnieuw over te beginnen, nietwaar, probeert een mens vat te krijgen op het onbevattelijke. Verscheidene keren beschrijft hij hoe hij na een wandeling met de hond bij thuiskomst gedachteloos roept: ‘Ik ben er’, waarna het huis in alle talen zwijgt.
Regelmatig haalt hij op hoe Gerda en hij elkaar ooit ontmoetten, zij het mooiste meisje van de kweekschool, hij die dacht bij haar geen kans te maken. Ook haar ziekenhuisverblijven komen dikwijls en naar mijn smaak soms wat al te plastisch langs (ik had althans medische details over opgezwollen benen en darminhoud heel best kunnen missen).
Indruk maken dan weer Siebelinks herhaalde pogingen om het sterfbed te doorgronden. Zijn vrouw blijkt te behoren tot de benijdenswaardigen die volkomen vrede hebben met het naderende einde. Liefst zestig uur lang ligt ze rustig ‘laag’ te rochelen. Het p-team, de verpleegkundigen die thuis de palliatieve zorg leveren, is volgens hem ‘opgetogen’. Dat maken ze vaak ‘heel anders’ mee, vertellen ze, met patiënten die in deze fase ‘woest om zich heen trappen’.
Even goed werkt dat Siebelink nerveuzig hopt van perspectief naar perspectief. Nu eens spreekt hij zijn vrouw (‘Gem’) rechtstreeks toe (‘Jij moest soms schaterlachen om mijn humor. Jij was de enige’), dan weer schrijft hij over zij en haar, en tegen het eind transformeert hijzelf tijdelijk van ik in hij. ‘Hij oogt ontspannen. Zou iemand onverwacht door de tuinpoort komen en naar binnen kijken, hij zou een oude man aantreffen die het ervan neemt, een glas witte wijn op de lage tafel, daaronder het medicijnmandje, de kop van de hond op zijn schoot. (...) Een stiekeme rilling gaat over zijn rug, die onprettig aanvoelt. Nee, hij heeft het niet koud, maar hij voelt dat hij alleen is.’
Minder overtuigend zijn de passages waarin de weduwnaar laat doorschemeren dat er in dat lange huwelijk heus weleens problemen waren. Uiterst omfloerst schrijft hij over ‘mijn scabreuze periode’.
In een interview met het AD vertelde jongste dochter Janneke vorig jaar hoe de plotselinge roem door Knielen op een bed violen haar vader enigszins naar het hoofd steeg. ‘Mijn vader, hoe zeg ik dat, permitteerde zich ook dingen waarvan hij zich niet realiseerde dat hij daar mensen, onder wie mijn moeder, pijn mee deed. Ja, dat gaat over vrouwen.’
In Rouwjournaal schrijft Siebelink hoe zijn vrouw ‘extra lief’ deed toen ze erachter kwam dat hij haar bedroog. ‘Begreep ze dat het niets voorstelde, was ze trots een man te hebben op wie andere vrouwen verliefd werden? Er is niet meer over gesproken.’
Geen misverstand, die omfloerstheid staat Siebelink natuurlijk geheel vrij. Per slot doet hij wat we allemáál min of meer doen: van ons leven een kloppend verhaal maken waarin we zelf de niet al te onsympathieke hoofdrol spelen. Alleen schrijven de meesten van ons het niet op.
Al sinds zijn debuut in 1975 begint voor Siebelink dat verhaal bij de kwekerij van zijn zeer godvrezende vader aan de Bergweg te Velp. En zie. Gerda ligt begraven op het kerkhof dat pal ernaast ligt. Haar graf, waarin Siebelink naar de mens gesproken straks ook zelf zal belanden, bevindt zich op enkele meters van de beroemdste haag uit de Nederlandse letteren – de haag waardoor in zijn jeugd de mannenbroeders kropen met koffers vol stichtelijke lectuur. (Er schijnt tegenwoordig een bordje te hangen dat naar genoemde megabestseller verwijst.)
In het slothoofdstuk is Siebelink weer het aandoenlijke jongetje dat hij misschien wel altijd was. Hij denkt terug aan de dood van zijn vader, van zijn moeder. ‘Niet alleen verse wonden doen pijn’, schrijft hij, ‘ook diepe littekens blijven pijnlijk.’
Allerlaatste zin: ‘De afgelopen tijd heb ik de veiligheid en geborgenheid van het ouderlijk huis extra gemist.’
Jan Siebelink: Rouwjournaal. De Bezige Bij; 192 pagina’s; € 23,99.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant