Hoe kan het dat de ene roddel werkt als sociaal smeermiddel en de andere een ongemakkelijk, immoreel gevoel achterlaat, als een zeurende roddelkater? Lena Bril onderzoekt waar die kater vandaan komt en welke rol het geklets achter elkaars rug speelt.
is filosoof en schrijft voor Volkskrant Magazine over moderne etiquette.
De setting: het verjaardagsfeest van een bekende uitgever in een zonovergoten restaurant. Linnen servetten, schalen oesters, flessen Duitse witte wijn – dat werk. Aan de lange tafels zitten romanciers in wollen jasjes, een enkele columnist heeft al rode wangen van de drank, de jonge garde legt elke beweging met de smartphone vast. We zijn, kortom, in het hart van de mediawereld (Voor je afhaakt, beste lezer, beloof ik je: deze arena heeft een functie in dit verhaal). De gesprekken kabbelen (‘Heb je al gegeten bij dat restaurant met die goede recensie? Nog vakantieplannen?’). Ik vermaak me prima, maar in mij begint het te kriebelen, steeds heviger, een drang die ik maar al te goed ken. Als het even stilvalt, grijp ik mijn kans.
‘En…
… is er nog juice?’
Een tafelgenoot buigt voorover, stem gesmoord, samenzweerderige blik in haar ogen.
‘Hebben jullie al gehoord over...’
Onmiddellijk slaat de stemming om. We leunen naar haar toe, onze hoofden raken elkaar bijna boven de tafel. Wat volgt is misschien wel de oerroddel: semibekend mediafiguur heeft mogelijk affaire met een ander semibekend mediafiguur. Mijn buurvrouw hapt naar adem. Ik stoot een ‘Dat meeeeen je niet’ uit.
De rest van het diner is de sfeer minder formeel, intiemer zelfs, en voeren we één centraal gesprek.
Even later – de eettafels hebben plaatsgemaakt voor de dansvloer – raak ik aan de praat met een vage kennis, een autofictieschrijver met een podcast. Het gesprek verloopt, ondanks de glazen wijn, moeizaam. Zoekend naar gedeelde grond, vertel ik een verhaal over een gemeenschappelijke kennis. Plots is hij een en al oor (zie ik hem nou een mentale notitie maken van mijn anekdote?). Hij haakt in met een stekende opmerking, ik knik, een venijnig verhaal volgt, ik lach wat. Als ik me uit de conversatie heb gemanoeuvreerd, voel ik me alsof ik een Big Mac heb gegeten: schuldig, vies en onverzadigd.
Hoe kan dat toch, denk ik op de fiets naar huis. Dat de ene roddel werkt als sociaal smeermiddel (al is ook dan de nasmaak meestal guilty) en de andere roddel een ongemakkelijk, immoreel gevoel achterlaat? De afgelopen jaren heb ik vooral last van dat laatste: een soort zeurende roddelkater. Om te onderzoeken waar die roddelkater vandaan komt, en welke rol dat geklets achter elkaars rug speelt in gesprekken en relaties, besluit ik een week cold turkey te gaan. Gewoon, mezelf onttrekken aan dat gespeculeer en gesmaal, om zo zicht te krijgen op mijn roddelgewoonten, en, hopelijk, te ervaren hoe het is om te leven met een schoon geweten en zonder knagende post-juice-schaamte.
*
‘Niet roddelen? Ik vraag me af of dat mogelijk is.’ Aan het woord is hoogleraar Organisatiegedrag Bianca Beersma, die aan de Vrije Universiteit onderzoek doet naar de functie van roddelen op de werkvloer. Net als veel wetenschappers hanteert Beersma een brede definitie van roddelen. Alle gesprekken over iemand die op dat moment niet aanwezig is, vallen onder de noemer ‘roddel’, en niet, zoals in de Van Dale, enkel ‘opzettelijk slechte dingen over iemand vertellen’.
De oorsprong van het Nederlandse ‘roddelen’ kent deze negatieve connotatie evenmin. Het woord stamt af van het Jiddische ‘rodeln’ en betekent zoiets als ‘murmelen’ of ‘binnensmonds’ praten. Ook het Engelse gossip heeft van oorsprong geen moreel oordeel in zich. Het is een samentrekking van het oud-Engelse ‘god’ en ‘sib’, waarmee het verwees naar een vriend of familielid met wie je vertrouwelijk praat.
Antropoloog Robin Dunbar maakt in zijn standaardwerk Grooming, Gossip, and the Evolution of Language gebruik van eenzelfde brede definitie. Volgens Dunbar is roddelen de menselijke variant op ‘vlooien’ – een manier om banden te smeden met soortgenoten. Omdat mensen, in tegenstelling tot andere primaten, samenwerken in grotere groepen (van oudsher met zo’n honderdvijftig soortgenoten), hebben onze voorouders een efficiëntere manier van vlooien ontwikkeld: praten.
Net als bij fysiek vlooien maken we tijdens roddelen endorfinen aan – een stofje dat ons een warm, vredig gevoel geeft en dat onderlinge verbinding versterkt. Die grootschalige samenwerking draagt echter ook een risico in zich: elke groep kent profiteurs, freeriders, die misbruik maken van het sociale contract. Dankzij sociale praat – ofwel roddelen – kunnen we informatie uitwisselen over dit soort freeriders (die ene collega laat telkens een steekje vallen) en smeden we onderling vertrouwen (ofwel: het ‘vlooien’). Zo bezien is roddelen niet alleen onvermijdelijk – het is volgens Dunbar het geheim van het evolutionaire succes van de menselijke soort.
Gedragswetenschapper aan de universiteit van Amsterdam Terence Dores Cruz heeft daarom eveneens grote twijfels of mijn experiment zal slagen. Dores Cruz onderzocht de functies van roddelen en concludeerde dat roddels noodzakelijk zijn om het sociale verkeer in goede banen te leiden. Hij vermoedt dat mijn roddelstop grote gevolgen zal hebben voor mijn sociale leven. ‘In het beste geval zul je belangrijke informatie over de mensen om je heen mislopen.’ Dat zou weleens nadelig voor me kunnen uitpakken: roddelaars kunnen me bijvoorbeeld waarschuwen voor een collega die vaak ideeën jat, of voor mannen die, zeg, onbetrouwbaar zijn en hun partner bedriegen. En in het slechtste geval? ‘Ik denk dat het uiteindelijk je relaties schaadt. Het lijkt mij moeilijk, zo niet onmogelijk, om intieme banden op te bouwen zonder te roddelen.’
*
Ik begin mijn experiment in de boksschool. Voor en na de les praat ik wat met clubgenoten – over het rooster en stoottechnieken. Een roddelloos gesprek kost me in deze context geen enkele moeite. Uitdaging twee is de kapper: ditmaal ben ik meer op mijn hoede. Ik ken mijn kapper al twintig jaar en de nodige achterklap is onderdeel van ons vaste repertoire. Ook hier lukt het om niet te praten over afwezige derden – als je publieke figuren zoals Dick Schoof niet meetelt. Een stuk moeilijker wordt het als ik op straat een oud-klasgenoot tegenkom. Zij komt net terug uit New York, een dankbare ingang voor een gesprek over de politieke situatie daar. Maar al snel komen onze jaargenoten ter sprake, en hun woon- en relatiestatussen. Als ik me stilhoud, zie ik het ongemak op het gezicht van mijn gesprekspartner. Gehaast verzin ik een smoes (deadline!) en maak me uit de voeten.
Vanavond wordt een moeilijkere opgave: ik heb afgesproken met mijn beste vriendin – een vriendschap die, als ik eerlijk ben, grotendeels gebouwd is op roddelen. Meestal praten we eindeloos over anderen, om onze gedachten over bepaald gedrag of relaties te vormen en onze gevoelens te delen. Een gesprek zonder referenties aan afwezigen, leer ik al na vijf minuten, is met haar vrijwel onmogelijk. Om de vijf zinnen hoor ik mezelf zeggen ‘Ooo daar gaan we weer’, waarna we samen het gesprek krampachtig richting ‘inhoudelijke’ onderwerpen proberen te manoeuvreren.
*
Al eeuwenlang wordt roddelen gezien als een inferieure manier van praten, schrijft de Amerikaanse journalist Kelsey McKinney in You Didn’t Hear This From Me: (Mostly) True Notes on Gossip (2025). ‘Serieuze mensen’, vonden filosofen als Immanuel Kant en Martin Heidegger, spraken over politiek en ideeën. Roddelen is daarentegen een futiele conversatievorm – iets voor vrouwen (dat vooral vrouwen meer roddelen is overigens een mythe. Uit onderzoeken blijkt dat beide genders evenveel roddelen: in zo’n 65 procent van de gesprekken).
Dit imagoprobleem heeft roddelen volgens McKinney – zelf een ex-gelovige – te danken aan de kerk. McKinney leerde als christen dat roddelen een zonde was (Eva zou immers alle ellende over de mensheid hebben uitgeroepen omdat ze had geluisterd naar de roddel van een slang). Ook wijlen Paus Franciscus waarschuwde in zijn kerstspeech van 2024 nog voor ‘deze duivelse vorm van praten’ en stelde dat roddelen ‘het sociale leven verwoest’ en ‘verderfelijk is voor de harten van mensen’. De reden dat de kerk roddelen zo veroordeelde, realiseerde McKinney zich nadat ze van haar geloof was gevallen, was omdat de kerk het gepraat vreesde. Het waren immers de mond-tot-mondverhalen, het doorvertellen van geruchten, die ertoe hadden geleid dat misstanden in de kerk (zoals grootschalig seksueel misbruik) aan het licht kwamen.
‘Roddelen is altijd een middel geweest voor de onmachtigen’, legt organisatiewetenschapper Beersma uit. ‘Als je geen directe invloed hebt op een situatie, kun je altijd met onderling gepraat verandering proberen af te dwingen.’ Die vieze bijsmaak die ik voel na het roddelen, is dus deels ingegeven door machtige figuren – zij hebben mij aangepraat dat roddelen immoreel of zelfs verderfelijk is.
Toch is er volgens Beersma wel een onderscheid te maken tussen ‘goed’ en ‘slecht’ roddelen. ‘In onze onderzoeken kijken we vaak naar de motivatie achter roddelen. Die kan prosociaal zijn (je waarschuwt de groep bijvoorbeeld voor een profiteur), of ‘pro-self’ (zoals: anderen naar beneden praten ten gunste van jezelf). Mensen proberen waar mogelijk op basis van de context in te schatten wat de motivatie van de roddelaar is, vertelt gedragswetenschapper Dores Cruz. Mensen die negatief roddelen, nemen dus een groter risico: zij worden sneller aangezien voor egoïstische roddelaars en kunnen daardoor minder betrouwbaar overkomen. Mijn roddelkater kan er dus op duiden dat ik te maken heb gehad met negatief geroddel, en mogelijk met pro-selfroddelen (of me daar zelf schuldig aan heb gemaakt). Misschien, suggereert Dores Cruz, kan ik in het vervolg van mijn experiment proberen om enkel deel te nemen aan die vriendelijke vorm van roddelen.
Dit nieuwe experiment dwingt me in elke sociale interactie tot een vermoeiende hoeveelheid zelfreflectie. Praat ik negatief over een afwezige uit onzekerheid, omdat ik hoop dat ik informatie kan manipuleren voor eigen gewin, of simpelweg om in de smaak te vallen bij mijn gesprekspartner? Vaak, ontdek ik al snel, is het dat laatste. Een kleine venijnige uithaal naar een collega of kennis – het is sociale heroïne.
In gesprekken met vrienden of met mijn zusje lukt het aardig om me niet te laten verleiden door zulke achterklap. Veel moeilijker is het om niet mee te gaan in de stekelige smeuïgheden van minder intieme bekenden. Als een collega begint over de oerroddel (je weet wel, de affaire tussen twee semibekende mediafiguren) en ik niet inga op haar smalende veroordelingen, kijkt ze me onthutst aan. Als ik uit ongemak stotter dat ik ‘probeer niet te roddelen’, slaat ze geïrriteerd (of beschaamd?) haar ogen neer. Een drukkende stilte volgt. Het is alsof ik voor de neus van een carnivoor met een veelzeggende toon een vegakroket bestel. Onbedoeld heb ik me moreel boven haar geplaatst – kijk mij deugmens, niet roddelend – en daarmee onze prettige band op het spel gezet.
Ik heb een werkafspraak met een opdrachtgever. Voordat we ter zake komen, wisselen we doorgaans de laatste sociale nieuwtjes uit – meestal direct gevolgd door mijn roddelkater. Plichtsgetrouw vertel ik dingen die ik liever voor me wil houden, of laat me meeslepen in veroordelend gewauwel. Ondanks mijn voornemen ditmaal écht te zwijgen als ik mijn morele kompas hoor kraken, val ik toch voor de lokroep van het bekende gesprekspatroon. Achteraf baal ik: waarom heb ik mezelf in deze situatie niet in de hand en vertel ik meer over anderen dan ik zou willen?
*
‘De relationele context heeft een grote invloed op hoe je roddelen ervaart’, legt Dores Cruz uit. In gesprekken met mensen bij wie je veilig bent, werkt het als sociale lijm. In onveilige of ongelijkwaardige relaties wakkert dezelfde roddelpraat vooral wantrouwen aan. ‘Als iemand een roddelkontreputatie geniet en je een egoïstisch motief vermoedt, acht je de kans groot dat ook jouw geheimen bij diegene niet veilig zijn.’
Idealiter vindt er ook een gelijke uitwisseling plaats: de ene keer levert de één een smakelijk verhaal, dan weer de ander. ‘Valt die balans scheef uit, dan bestaat het risico dat iemand jouw informatie vooral gebruikt om diens eigen machtspositie te bestendigen’, aldus Beersma. Een mogelijke exitstrategie uit deze situatie zou, jawel, roddelen kunnen zijn. ‘Informeer bij andere collega’s of zij dezelfde ervaring hebben. En hoe zij daarmee omgaan.’ Een andere, meer confronterende aanpak, is volgens Beersma ‘schakelen in gespreksvoering’. Dat kun je doen door de communicatie van het ‘inhoudsniveau’ (ofwel: de roddel) naar het ‘betrekkingsniveau’ te tillen (praten over het gesprek zelf). ‘Ook kun je vragen: goh, wat doe jij eigenlijk met al die informatie?’
Met een date zit ik in een Thaïs eetcafé. De oerroddel over de semibekende mediafiguren (is roddelen over een roddel óók roddelen?) komt ter sprake. Het blijkt een goede aanleiding voor een gesprek over vreemdgaan. Wat vinden wij van ontrouw: veroordelen we dat, of is een affaire overkomelijk? Wat zouden wij doen, een slippertje opbiechten of niet? En wat als er een zwangerschap in het spel is? Niemand maakt vinnige opmerkingen – en de roddelkater blijft uit.
*
Een van de belangrijkste functies van roddelen is volgens Dunbar het bestendigen van de normen in een sociale groep. Om op grote schaal samen te werken, hebben we zulke (ongeschreven) gedragsregels nodig. Wie zich niet aan die codes houdt, is onbetrouwbaar – een mogelijke profiteur. Dat mensen bij uitstek zoveel roddelen over vreemdgaan en affaires, geeft volgens Beersma aan hoe belangrijk die norm in onze samenleving is. En zeker als die norm ter discussie staat – de afgelopen jaren wordt in artikelen en boeken gepleit voor alternatieve relatie- en samenlevingsvormen – zwelt het geroddel aan. De groep gebruikt de roddel dus om de status quo te verdedigen. De ontzette reactie op de oerroddel is, zou je kunnen zeggen, dus oerconservatief. Misschien kan een roddelkater dus óók een signaal zijn dat meekletsen met normbestendigende achterklap niet in lijn ligt met je eigen (progressieve) waarden.
*
Op de gang van mijn kantoor kom ik een kennis tegen. Na de verplichte smalltalk, verzacht ze haar stem, leunt wat naar me toe – ik herken de dynamiek direct.
‘Heb je al gehoord van...’
De oerroddel volgt.
‘Hoe weet je dat’, wil ik weten. Ze werkt in een andere branche, zou nooit samenwerken met deze semibekende mediafiguren. Er volgt een verhaal over via-via, over Instagramposts, over WhatsAppgroepen waarin de casus uitvoerig besproken en becommentarieerd wordt. Direct krijg ik dat viezige, knagende gevoel. Behendig stuur ik het gesprek naar veilig terrein: de stijgende huurprijs van onze werkruimte.
*
‘Roddelen zou een u-vorm kunnen volgen’, verklaart Dores Cruz. ‘De juiste hoeveelheid roddelen bestendigt het onderling vertrouwen.’ Maar vanaf een bepaald punt bereikt het een soort verzadigingspunt en brokkelt het vertrouwen juist af. Beersma ziet nog een verklaring waarom specifiek het soort roddelen op de kantoorgang mij zo’n unheimisch gevoel geeft. ‘Dit is roddelen op een ander niveau, over mensen die we helemaal niet kennen, ook wel parasociale contacten genoemd.’
Omdat mensen in de moderne maatschappij op grote schaal samenwerken, hebben we eenzijdige relaties (ofwel: de parasociale relatie) met mensen die we niet persoonlijk hebben ontmoet. Denk hierbij aan Dick Schoof of popsterren als Taylor Swift: zij hebben ons nog nooit ontmoet, maar wij hebben het gevoel dat we een soort vrienden zijn. Zulk ‘parasociaal roddelen’ is niet nieuw – mensen kletsen al eeuwen over koningen of landheren alsof het goede bekenden zijn. Dankzij nieuwe technologie (sociale media, podcasts) is deze vorm van roddelen geëxplodeerd.
Vroeger hadden we misschien een handvol parasociale relaties, maar met de komst van massamedia en daarna sociale media, hebben we er honderden, zo niet duizenden bij gekregen. Voor een diersoort die volgens Dunbar geprogrammeerd is om met honderdvijftig mensen samen te werken, is dat een flinke aardverschuiving. ‘Onze hersenen kunnen geen onderscheid maken tussen echte relaties en parasociale relaties’, legt Beersma uit. Daarom reageren we even alert en vermaakt op roddels over beroemdheden als over mensen in onze directe omgeving.
Toch is er een groot verschil tussen roddelen en parasociaal roddelen, schrijft McKinney in haar boek: er zijn aan parasociaal roddelen nauwelijks sociale consequenties verbonden. De beroemdheid kent jou niet, en dus loop je ook niet het risico dat jullie relatie verbroken zal worden omdat je geruchten verspreidt. Voor parasociaal roddelen heb je daarom minder empathie nodig – en dan ligt ontmenselijking op de loer.
Als superster (met een goed gevulde bankrekening) kun je jezelf met beveiliging, hoge hekken en psychologische begeleiding beschermen tegen de gevolgen van dat geroddel. Maar dankzij de opmars van de ‘microberoemdheid’ – Twitter-columnisten, televisiepersoonlijkheden, podcastmakers, influencers – zijn veel meer mensen tegenwoordig slachtoffer van deze empathieloze roddeldynamiek. Zij hebben niet de voordelen van grote roem (noch de beschermingsmiddelen) maar ervaren wél de lasten.
Bovendien is nu iedereen één gênant filmpje of schandalige tweet verwijderd van parasociaal geroddel. Op een bepaalde manier is dus élk verjaardagsdiner in 2025 zoals dat van de bekende uitgever aan het begin van het verhaal: je weet nooit of je gesprekspartner jouw anekdote later in WhatsAppgroepen, op Instagram, Snapchat, of, god verhoede, in een podcast deelt. Dat maakt roddelen onveiliger en het ondermijnt daarmee wellicht de originele functie van sociale praat: het opbouwen van vertrouwen, het spreekwoordelijke ‘vlooien’.
*
In de tuin van de uitgeverij drink ik biertjes met vier goede collega’s. Mijn experiment, heb ik besloten, is bij dezen beëindigd. We praten over boeken, over deadlines, en, uiteraard, over de roddels van de afgelopen week. Na bijna zeven dagen zelfanalyse is het een verademing om weer vrijuit te kunnen praten. En: te genieten van het uitwisselen van juice met de mensen met wie ik nauw samenwerk, de mensen bij wie ik me veilig voel.
Ik voel die endorfinen weer door mijn lichaam stromen. Dat zalige, bruisende gevoel, dat alleen een goed verhaal kan oproepen, een verhaal waarover we ons samen verbazen, dat aanzet tot discussie, of ons aan het lachen maakt. Dankzij mijn korte experiment weet ik dat gevoel, van pro-sociaal smoezen met anderen, goed te onderscheiden van die twee moreel schurende soorten achterklap: de egoïstische en de empathieloze parasociale variant.
Roddelen, leerde ik in krap een week, is een van de grootste geneugten des levens, een door en door menselijke bron van plezier en onderlinge verbondenheid. Dat kan prima zonder roddelkater naderhand: doe het met mate (maar ook weer niet te zuinig), praat over anderen met goede intenties, deel alleen juice met collega’s of vrienden je die vertrouwt – en verlies nooit uit het oog dat je praat over mensen van vlees en bloed.
Geselecteerd door de redactie
Lees hier alle artikelen over dit thema
Source: Volkskrant