Sholeh Rezazadeh wil paarden zien, omdat ze steeds over paarden droomt. Als schrijver kan ze zo’n droom niet negeren. Dan weet ze: hier zit een verhaal aan te komen. Dromen vormen haar literaire bron.
is verslaggever van Volkskrant Magazine.
Je dromen volgen heeft op deze regenachtige lentedag een onherroepelijke en letterlijke betekenis, voor Sholeh Rezazadeh (36). Ze loopt van haar huis in de Bijlmermeer in een stevig, weinig dromerig marstempo door het park, op weg naar een manege.
Paarden wil ze zien, omdat ze steeds over paarden droomt. Als schrijver kan ze zo’n droom niet negeren, zeker niet als de droom terugkeert. Dan weet ze: hier zit een verhaal aan te komen. Dromen vormen haar literaire bron. Dan zit ze ’s ochtends rechtop in bed en weet ze: er staat iets te gebeuren. De droom wil haar iets vertellen.
Maar het is nog te vroeg om te zeggen wat voor verhaal het is, voor een nog te schrijven boek, als opvolger van haar twee succesvolle romans, De hemel is altijd paars en Ik ken een berg die op me wacht. Maar opeens kan ze het weten, bam, en dan vliegt de roman haar vingers uit.
Daarom gaat ze iedere dag naar de paardenboerderij in de Bijlmerweide, een kwartier wandelen van haar urbane onderkomen in Amsterdam-Zuidoost. Om daar te kijken, de paarden te bespieden en te ruiken. Ze weet niet wat ze zoekt, maar ze kan wel vertellen wat er in haar gebeurt. Bij de manege legt ze contact tussen haar innerlijke wereld en de buitenwereld, en ze hoopt dat er antwoorden komen op vragen als: wat wil het paard in mijn dromen? Wat kunnen deze paarden me daarover vertellen?
Ze leest ook boeken over paarden, praat met mensen over paarden, want ze weet niets over paarden. Nooit heeft ze zelf een paard gehad, niet in Iran of in Nederland, waar ze nu al tien jaar woont met haar Nederlandse geliefde. Ja, er zijn boeken van de Amerikaanse paardentrainer Mark Rashid, auteur van Een paard is een paard, Paarden liegen nooit en Een goed paard is nooit lelijk, die ze regelmatig openslaat, om wat wijzer te worden.
Soms wordt ze afgeleid van haar innerlijke maalstroom en zoekt ze op internet wat het betekent als je een paard ziet in je dromen. Ze leest dat een paard geldt als een symbool van spiritualiteit. En een paard staat voor intuïtie, groepsgevoel en ze zijn echte kuddedieren die goed voor elkaar zorgen. Nee, nee, weg ermee, denkt ze dan, wegklikken. Ze wil het niet weten, laat het gewoon gebeuren.
Ze is nog niet uitgedroomd over het paard.
***
Ze zit aan een grote tafel in haar benedenwoning, gekleed in een veelkleurig vest, handgemaakt door een jonge Afghaanse ontwerper, ze schenkt zwarte thee in, gegarneerd met gedroogde rozenblaadjes. Er zijn grote ramen, met zicht op de binnentuin met trapveldjes, tennisbanen, groen, de metrobaan en een flinke boom.
Als Sholeh aan buitenstaanders vertelt dat ze in Kraaiennest woont, ja hartje Bijlmermeer, krijgt ze altijd hetzelfde te horen. Ooo, echt waar, ooo, vind je dat niet eng, durf je wel ’s nachts over straat. Ooo, en je komt uit Iran, ooo, zooo. Mensen menen dan gelijk een beeld van haar te hebben; een immigrant, een vluchteling hoogstwaarschijnlijk. Ze weten hoe ze zich voelt, wat voor persoon ze is, waar ze mee bezig is en hoe ze denkt. Ze weten helemaal niets, zegt Sholeh, ze vullen alles in, zo zijn de mensen.
Je zou er control-f op los kunnen laten, op het literaire werk van Sholeh Rezazadeh. Tik vervolgens ‘dromen’ in, hup daar gaat-ie, en kom je zomaar uit bij de allerlaatste zin van Neem ruim zei de zee, haar vorig jaar verschenen dichtbundel: of zal ik je tegenkomen/in mijn mistige dromen. Pagina’s terug duiken er nog meer dromen op en in haar romans regent het ook al dromen.
Bovenal is er die ene terugkerende vraag in haar oeuvre, Wat heb je vannacht gedroomd?, als nauwsluitend bewijs dat je echt in een ander bent geïnteresseerd.
je bent niet bang om even weg te dromen
je wilt niet weten hoe het met mijn werk is maar wel
waarover ik heb gedroomd
De afgelopen nacht had ze veel gedroomd, en de dromen beschrijft ze op een weelderig-zangerige toon, afgewisseld met een schaterlach. Ze was in de natuur aan het wandelen, maar ze raakte in de war, gedurende de droom. Waar was ze nu? Was het Nederland? Waren dat heuvels? Toch geen bergen? Of was het toch in Iran? Het is een droom die zich op gezette tijden meldt: niet precies weten waar je bent.
Een andere herhalende droom: een huisje uit haar kinderjaren van een tante van haar moeder. Een hele lieve tante uit Tabriz waar ze graag heen ging. Dat huisje komt steeds terug, en dan vooral de buitenkant. De volgende ochtend moet ze zich inhouden om familie in Iran niet op te bellen met de vraag: staat het huisje van tante nog rechtop?
Wat het allemaal betekent, hoeft ze niet te weten, maar ze denkt er wel over na. Ze rekt haar dromen uit, zou je kunnen zeggen. Soms droomt ze pardoes een gedicht, zin voor zin. Of droomt ze een scène die ze later verwerkt in haar romans. In een van haar boeken zegt een hoofdpersoon dat ze sommige mensen mist. Dat het voelt alsof er glas zit tussen haar en degene die ze dolgraag wil treffen. Je kunt iemand zien, maar toch kun je er niet bij. Precies zo heeft ze het gedroomd.
Feitelijk begon haar roman De hemel is altijd paars ook met een droom, een droom over een boom, die maar terugkeerde. Ze bleef maar denken aan bomen, aan alle bomen, maar ook aan die flinke boom op de binnenplaats van haar huis, ze wijst ’m aan, en daar staat-ie tussen de struiken, niet per se opvallend.
En voor Ik ken een berg die op me wacht droomde ze de hele tijd over een nomadentent, dus ging het boek uiteindelijk voor een deel over een bruisende rivier waar een nomadenvolk woont. Ze is zelfs drie keer te gast geweest bij een Iraans nomadenvolk. Bij de trap hangt een weefgetouw als herinnering.
Dat dromen de spiegel van je ziel zijn, gelooft ze zeker. Je moet dromen in haar optiek als waardevol beschouwen, omdat ze je kunnen vertellen wat je bezighoudt. Onbelangrijk? Ze snapt niet dat mensen dat zeggen. Als je tijd neemt voor je dromen, neem je tijd voor jezelf.
Voor haar staat vast dat als ze niet droomt, ze te veel afstand heeft genomen van haar innerlijke wereld. Zie het als een alarm dat afgaat. Dan moet ze zorgen dat ze het niet te druk heeft, een beetje opletten, en dan komen de dromen vanzelf terug – als een vlucht vogels.
Ze droomt altijd veel over haar vader, over haar kindertijd, dat ze samen wandelden. Haar vader noemt ze een heel belangrijk persoon in haar leven. En dat hij in haar debuut voorkomt – de aan opium verslaafde man die haar met literatuur liet kennismaken – wist ze ook niet van tevoren. In het Perzisch had ze niet over haar vader kunnen schrijven: te emotioneel. Maar in die vreemde Nederlandse taal, die ze zich toch zo snel heeft toegeëigend, lukte dat wel.
Tijdens een lezing in het land stond er opeens een man op. Hij zei psychiater te zijn en hij wist precies hoe het zat met de boom in het boek, de boom die dreigt te worden gekapt. Die boom is je vader, hij loopt gevaar, en jij voelt je machteloos om daar wat aan te doen.
Mmm, dacht ze, dat zou zomaar kunnen. Daar zit wat in. Droom. Boom. Vader.
Het voelde alsof de man het ontbrekende puzzelstukje had gevonden. Want vanaf het moment dat ze in Nederland woonde, had ze moeite om contact te maken, vooral door de taal. Ze kon niet met andere mensen afspreken en gewoon een beetje kletsen. Ze voelde zich eenzaam, miste haar familie en vrienden.
En toen was daar de boom in de binnentuin. Die was altijd aanwezig, ze kon zomaar naar die boom lopen en met de boom praten. Ja misschien was hij wel haar vader.
Sinds ze in Nederland woont, hebben bomen een hele andere betekenis gekregen. Ze bieden troost.
Soms denkt ze weleens: had ze wel over haar vader moeten schrijven? Maar zo werkt het niet. Ze had geen keus. Het kwam gewoon. Ze had het al jaren in zich. Het brandde van binnen, het moest eruit. Dit moest ze opschrijven, anders kon ze niet door in het leven. Ook al is het een negatief beeld van hem, van haar ouders als permanente ruziemakers. Hij rookt zichzelf op, zegt haar moeder, en dat is het.
***
Ze ziet zichzelf weer zitten, in het vliegtuig op weg naar haar Nederlandse vriend, bioloog van beroep. In Tabriz hadden ze elkaar ontmoet in een park, hij met een groep en zijn vader. Het was een klassieker: liefde op het eerste gezicht. Na twee jaar wikken en wegen besloten ze een leven in Nederland op te bouwen.
Vanuit het vliegtuig zag ze – ja wat zag ze? Huh! Is dat een land, dat Nederland? Al die vakjes. Geen bergen. Zo plat. Zo netjes. Wow, wat is dit? Het lijkt wel een mozaïek. En toen in de trein van Schiphol naar Utrecht, met haar vriend samen. Nog meer verbazing. Waarom is iedereen zo haastig? Waar moeten ze naartoe, is er iets aan de hand? Waarom kijken ze niet naar elkaar? Die taal. Ttt-ttt-ttt-ttttt. Die klinkt als ruzie, als een agressieve woordenwisseling, terwijl mensen heel vriendelijk naar elkaar kijken.
Zou ze ooit in die taal gaan praten?
Ze was, net in Nederland, eigenlijk opnieuw een kind. Afgestudeerd arts weliswaar en toch echt volwassen, maar maatschappelijk gezien weer aan het begin. Dat was erg moeilijk. Als arts mocht ze niet gaan werken, ze diende nog drieënhalf jaar opnieuw te studeren en examens af te leggen. Ze verdiende geld met afwassen, werken in winkels en taallessen geven. Maar op een dag was het klaar.
Nu ga ik doen, sprak ze tot zichzelf, wat ik altijd al wilde doen. Wat maakt het uit, ze heeft niets te verliezen. Dan maar iets dat ze al sinds haar tienerjaren wilde: schrijver worden. Want schrijver werd nooit gezien als een beroep, meer als een hobby. Iemand als zij die zo goed kon leren, diende advocaat te worden, of arts. Dus ging ze studeren.
Maar poëzie bleef haar hart bedienen, zelf schrijvend, lezend.
Alleen: hoe pak je dat aan in een vreemd land? Eerst maar eens de taal leren, en dan eens kijken of mensen het wat vinden, wat ze heeft gemaakt. Zo struinde ze talloze openpodiumavonden af. Stond ze in een kroeg met tien mensen die ook allemaal dichter waren. Het ging steeds beter, op betere plekken, met meer mensen. En ze bedacht een manier om te zien of het echt wat voorstelde. Ze leerde alles uit haar hoofd, zodat ze aan het publiek kon zien wat haar woorden deden. O, dus dat vinden ze mooi. O, dat heeft effect, daar houden ze van. De taal begon voor haar te werken.
Het voelde alsof de horkerige taal een plekje voor haar had ingeruimd.
En ze draagt op zoetvloeiende wijze een gedicht voor:
Neem ruim, zei de zee
haar natte armen wijd open
als het leven voorbij is
dan heb je ons oude zwijgen
In Iran is poëzie vooral voordragen en vertellen, zegt ze. Poëzie is vergroeid met het dagelijks leven, voor alles is een gedicht. Toespraken. Verjaardagen. Begrafenissen. Op televisie, op de radio. In shishahuizen wordt voorgedragen, voor bij de waterpijp. Dood, levend, jong, oud, intellectueel, analfabeet, rijk en arm. Poëzie is alom aanwezig.
En in Nederland? Pffff. In Nederland zijn mensen bang voor poëzie, zegt ze. Oef, poëzie, ik snap er niets van, moet dat? Ingewikkeld! Moeilijk! Als ze op scholen komt en het woord poëzie laat vallen, dan klinkt een collectief: arwgggggggg. Het komt een beetje uit de cultuur, denkt ze, het is de Nederlandse cultuur van alles moet nut hebben, alles moet duidelijk en helder zijn. Zeg gewoon wat je bedoelt. Ook leven we met grote haast. Poëzie is nooit haastig. Je kunt niet haastig een gedicht lezen. Aandacht en tijd zijn nodig. Een poëziebundel kun je niet in één keer uitlezen.
Eerlijk gezegd: er zijn volgens haar ook weinig echt mooie poëziebundels die schitterend gepresenteerd en gebracht worden. Mensen krijgen zo niet de kans om kennis te maken met poëzie, het blijft een niche voor intellectuelen. Met poëzie moet je overdrijven, je moet dramatisch en romantisch zijn. Dat je doodgaat van verdriet.
Hier zeggen ze: doe niet zo melodramatisch, hou ’ns op. Maar als je dat zegt, ken je de mensen niet. Want ze maakt het zo vaak mee dat mensen in tranen zijn door haar gedichten. Ik wist niet dat een gedicht me zo kon raken, krijgt ze dan te horen. Da’s toch mooi, dat er iemand is die je niet kent die een verborgen lade in je ziel opent. In ons leven is er weinig tijd om diepgravende gesprekken te voeren, of heel erg met elkaar te worden verbonden. Daar heb je poëzie voor nodig.
Het is niet voor niks dat poëzie al duizenden jaren bestaat.
In Iran is poëzie vergroeid met de natuur. Overal is natuur, zelfs in de namen. Sholeh betekent Vlam. Andere mensen heten Hemel, of Zand, of Regen of Bries. Alles heeft een ziel, en dat idee zit diep in de taal. En de rol van de poëzie is ook om kritiek te leveren, maar op een beleefde en veelzeggende manier.
Niet zo lang geleden dacht ze: hoe zeg ik in Nederland tegen iemand dat iets ongepast is, maar blijf ik toch beleefd? Als iemand zijn rug naar je toekeert, dan is dat heel erg onbeleefd. In Iran zeg je dan: bloemen hebben geen rug. Dan weet je gelijk wat wordt bedoeld, dus zonder boos of verdrietig te zijn. Hier zegt iemand: doe niet zo asociaal. Hard, schel. Dat is het verschil.
Ze neemt een slokje van haar zwarte thee en vertelt over verdrietige ritjes in de metro. Ze zag de onverschilligheid om zich heen, niemand was zich bewust van de aanwezigheid van een ander. Ze moest erom huilen. Aanvankelijk dacht ze nog haar tranen te verstoppen, maar dat hoefde helemaal niet. Niemand in de metro was geïnteresseerd in een ander, ook niet in haar verdriet.
Maar wat is er toch aan de hand dat mensen zo zijn?
Ze denkt dat de snelle veranderingen van de laatste twintig jaar de mens geen goed hebben gedaan. Veel mensen in haar omgeving hebben last van eenzaamheid, kunnen niet genieten, terwijl ze alles hebben: een mooi huis, mooi gezin, auto, carrière. En dan zeggen ze: ik mis toch wat.
Wat ze missen, ziet Sholeh, is tijd voor elkaar. Aandacht voor elkaar. Iedereen is zo bezig met zichzelf. Wat blijft dan over? Die warmte, naar elkaar luisteren, echt verbinden, empathie. Die kilte hoort bij deze tijd, er lijkt geen ontkomen aan.
Haar kleine revolutie: ze wil niet meedoen aan die eigenaardige Nederlandse gewoonte om ruim van tevoren afspraken te maken. Dat vaststaat waar ze heen gaan, van hoe laat tot hoe laat, en hoeveel kopjes thee ze gaan drinken. Nee, zegt ze, ze wil het NU, NU iemand zien, als ze iemand mist. Daarom: een lege agenda, omwille van de spontaniteit. Om het NU! En we zien wel wat er gebeurt.
Kijk, soms is het fijn, omdat alles zo goed is geregeld in Nederland. Dat zij als Iraanse zo ver heeft kunnen komen, tot waar ze nu is, een gewaardeerd en gelauwerd schrijver in de Nederlandse taal. Dat mensen snel reageren. Dat je wordt geholpen. Maar het nadeel: we zitten zo vast in de tijd. Het allermooiste cadeau dat wij elkaar kunnen schenken is tijd. Tijd is beperkt, tijd kun je niet kopen. Je weet niet wanneer je tijd op is. Opeens ben je dood.
Dus schenk tijd, zomaar, spontaan, als ode aan het onverwachte.
Want het is net als poëzie, het onverwachte. We hebben het nodig. Het zit ergens in ons, maar we zijn er bang voor. Oei, oei, wat gaan we doen. Hoeveel tijd kost dit? Ben ik wel goed voorbereid, heeft het nut, is het bedreigend?
Haar theorie: Je komt te ver van je ziel te staan. In je borst huist iets ovaals, en dat is je ziel. Die moet je koesteren.
Heel belangrijk: een mooi, diepgaand gesprek, veel tijd met elkaar doorbrengen, praten over emoties en gedachten, over wat je bezighoudt. En natuurlijk, elkaar vragen wat je hebt gedroomd.
***
Sholeh Rezazadeh twijfelt even, op weg naar de manege, welke weg in te slaan in de Bijlmerweide. Net als in die ene herhalende droom, even niet wetend waar ze is en waar ze naartoe moet. Dan gaat de vaart er weer in, d’r lange haar danst in een vast ritme op haar rug.
Ze passeert hardlopers, bejaarde blowers en gepensioneerden die elektrisch-versterkt en gehelmd door het park fietsen. Ongeacht wie ze tegenkomt, altijd reciteert ze haar gedichten tijdens de wandeling, als geheugenoefening, maar vooral om te voelen of de woorden op papier passen op haar tong.
plant een ster in mijn borst
elke dag
bloei ik wat gedichten
uit mijn mond
Daar zijn de paarden, verdeeld in de paardenbak, grazend. Er wordt even opgekeken vanwege het bezoek. Zijn dit de paarden uit haar dromen? Rezazadeh kan het niet vertellen. Het is nooit een compleet paard dat ze in haar dromen te zien krijgt. Er zijn delen, soms is er alleen een oog, hals of een been.
Haar ogen gaan snel heen en weer, of er sprake is van herkenning. Ja Goldie, die ziet ze altijd, en ze aait het hoofd van het bruine paard. Wat ze zoekt op deze regenachtige lentedag kan ze niet precies duiden, ze moet hier zijn om dat uit te vogelen. Ze zegt goed te kijken hoe de paarden lopen en hoe ze op haar reageren, of ze contact zoeken.
Terwijl ze terugloopt door het park ruikt ze intensief aan haar hand. Het is de opbrengst van het bezoek vandaag aan de manege. Ze moet hier nog vele malen terugkeren om haar verhaal te vinden. En de geur helpt daarbij.
Als ze zo thuis is, ruikt ze de paarden nog.
2 april 1989 Geboren Tarbriz (Iran).
2010 Studeert af in geneeskunde.
2015 Verhuist naar Nederland.
2018 Wint Agora Lettera Schrijfwedstrijd proza.
2019 El Hizjra Literatuurprijs voor poëzie.
2021 Prozadebuut De hemel is altijd paars.
2021 Bronzen Uil Debutantenprijs van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde.
2023 Tweede roman Ik ken een berg die op me wacht.
2024 Poëziedebuut: Neem ruim zei de zee.
2025 Boekenweekgedicht.
Sholeh Rezazadeh woont met haar vriend in Amsterdam.
Geselecteerd door de redactie
Lees hier alle artikelen over dit thema
Source: Volkskrant