Suriname houdt zondag verkiezingen, en voor het eerst in jaren gloort er weer hoop aan de horizon. Het land krijgt een duizelingwekkende stroom aan olie-inkomsten. ‘Op een dag is de olie op, en dan moet de economie op iets anders kunnen leunen.’
Door Ashwant Nandram
Fotografie Guus Dubbelman
Jerihne Ravenberg (21) hoeft haar ogen maar te sluiten en dan kan ze ’m haast aanraken: de glanzend rode Mazda CX-5, die ze gaat kopen zodra ze op een boorplatform werkt.
Het is maandagavond in Paramaribo en Ravenberg staat op de campus van het Natuurtechnisch Instituut, waar ze wordt opgeleid tot oliewerker. Ze heeft net haar eerste tentamen achter de rug en nu staat ze weer buiten. Breed grijnzend, want de toets geologie ging haar uitstekend af. Daarmee is ze een stapje dichter bij die baan waar ze straks grof geld mee hoopt te verdienen.
Niemand zal het toegeven, maar geld is natuurlijk het eerste waaraan je denkt. Dat gaat mijn leven veranderen
Jerihne Ravenberg
Student
Zondag zijn er verkiezingen in Suriname, een land dat in koortsige opwinding verkeert dankzij een grote olievondst, zo’n vier jaar geleden. Het gaat om een oliebel in het zogeheten blok 58, 200 kilometer voor de Surinaamse kust. Een consortium van de Franse oliegigant Total, het Amerikaanse APA en het Surinaamse staatsoliebedrijf bouwt nu het productieplatform. Vanaf 2028 wordt op zee de olie opgepompt. Het gaat om in totaal 750 miljoen vaten, die op basis van de huidige olieprijs een marktwaarde hebben van zo’n 50 miljard dollar.
Studenten op het Natuurtechnisch Instituut, dat onder meer een opleiding tot oliewerker aanbiedt.
Op de campus fantaseren Ravenberg en haar medestudenten voorzichtig over de rijkdommen die de olie hun kan brengen. Ze werkt nu nog bij een architectenbureau voor omgerekend 500 euro per maand. In de oliesector zal dat salaris ruimschoots worden verdubbeld, en dat opent tal van deuren: ze kan sparen voor een eigen huis, vaker op vakantie en haar familie verwennen. ‘Ik wil mijn ouders meenemen naar Griekenland. En geld apart zetten voor mijn pasgeboren nichtje.’
Elders in de stad krijgt de oliekoorts een meer tastbare vorm. Er verrijzen nieuwe hotelgebouwen en appartementencomplexen waar binnen- en buitenlandse oliewerkers en hun gezinnen straks kunnen neerstrijken. Aan de rand van de stad is pas een nieuwe luchthaven geopend voor helikopters en zakenjets.
In Suriname hangt een belofte in de lucht. Er is straks geld, heel veel geld. Alleen de overheid ontvangt al tussen de 18- en 28 miljard dollar aan belastinginkomsten en royalty’s, meer dan het land ooit heeft binnengekregen. De olie-industrie zal bovendien voor dusdanig veel werkgelegenheid zorgen, jubelde directeur Annand Jagesar van staatsoliebedrijf Staatsolie, dat ‘geen enkele Surinamer meer arm hoeft te zijn’.
President Chan Santokhi (VHP) en fractievoorzitter Jenny Simons (NDP) op campagne in Paramaribo.
De olie is dan ook hét onderwerp van deze verkiezingen, die toch al bijzonder zijn: het zijn de eerste in ruim veertig jaar zonder oud-dictator en ex-president Desi Bouterse. De twee grootste partijen staan in de campagne uitgebreid stil bij de olievondst. ‘Jullie gaan allemaal rijk worden’, belooft president Chan Santokhi van de Vooruitstrevende Hervormings Partij (VHP). Hij heeft in zijn eerste termijn zware bezuinigingen doorgevoerd en wil nu graag laten merken dat hij het volk nog ziet staan.
De Nationale Democratische Partij (NDP) probeert juist het omgekeerde: zich profileren als betrouwbare bestuurderspartij. De NDP liet de staatskas in het verleden meermaals berooid achter, maar inmiddels heeft ze haar lesje geleerd, bezweert lijsttrekker Jenny Simons. ‘We hebben toen te veel geld uitgegeven en de inkomsten te weinig verhoogd.’
De oliedollars niet verbrassen is één ding. Het geld omzetten naar langdurige economische voorspoed, dat is veel moeilijker. Suriname kreeg met de bauxietwinning in de vorige eeuw al eens een grote hoeveelheid centen in de schoot geworpen. En dat liep niet goed af.
‘Hier gaat het allemaal gebeuren’, roept een glunderende Vinood Ramkhelawan (53), terwijl hij wijst naar een vrijwel lege kade. De CEO van het havenbedrijf probeert het aanhoudende gedreun van heipalen te overstemmen. Hier, aan de oever van de Surinamerivier, staat de haven van de firma Kuldipsingh, die vijf bouwmarkten uitbaat in Suriname. Het is een terrein van 30 hectare, op een kwartier rijden van Paramaribo.
Nog niet zo lang geleden meerde hier sporadisch een schip aan met cement of staal; inmiddels is vrijwel de hele boel afgehuurd door oliegiganten en talrijke toeleveranciers. TotalEnergies en Petronas zijn klant, later in het jaar komen ook boten van Shell en Chevron hierheen. Deze haven wordt de homebase van de oliewerkers van blok 58. Er worden spullen en voorraden opgeslagen en in schepen geladen, die af en aan zullen varen naar het platform op zee.
Klanten bedelen om meer ruimte, maar die kunnen we ze gewoon niet geven, onze capaciteit zit al helemaal vol
Vinood Ramkhelawan
CEO
Omdat de uitbreiding nog in volle gang is, wordt slechts een deel van de haven gebruikt. Op de kade staat een rijtje hoge blauwe opslagtanks, waarin koelvloeistof wordt bewaard voor tijdens het boren. Daarachter staat een pakhuis voor opslag van al het andere dat nodig is voor het wekenlange verblijf en werkzaamheden op een boorplatform. Daarnaast werkplaatsen om de machinerie te onderhouden.
Ramkhelawan vertelt graag hoe deze plek een spil wordt in de oil boom. Er breken gouden tijden aan voor zijn haven, de ondernemers uit de buurt en de rest van Suriname. Maar gedurende zijn leven heeft het land vooral economische malaise gekend. Dat kwam deels door de aard van de Surinaamse economie, die ook vroeger al sterk leunde op de export van grondstoffen: bauxiet, olie, goud en hout. Een dalende prijs op de wereldmarkt veroorzaakte direct een terugval van inkomsten. In andere gevallen werd de economie onderuit geholpen door politici als Bouterse, die het geld lieten rollen en de staatsschuld flink lieten oplopen.
In de haven van Kuldipsingh wordt hard gewerkt om de oliewinning voor de kust van Suriname mogelijk te maken.
Het was voor het bedrijf van Ramkhelawan dan ook geen uitgemaakte zaak om de haven uit te breiden. Tot eind 2024 was nog onzeker of er voldoende winbare olie aanwezig was. Bovendien hadden de oliegiganten al andere bases in havens in Trinidad en Guyana, buurlanden waar al olie wordt gewonnen op zee.
Het bedrijf nam de gok en dat betaalt zich nu uit. Er is sinds 2013 ruim 50 miljoen dollar in de haven geïnvesteerd. ‘Klanten bedelen om meer ruimte, maar die kunnen we ze gewoon niet geven, onze capaciteit zit al helemaal vol.’ Om de boel draaiende te houden heeft Ramkhelawan in korte tijd veel meer handjes nodig. Hij heeft nu 120 man op de loonlijst en verwacht eind volgend jaar 300 medewerkers nodig te hebben.
Dat wordt nog knap lastig, verwacht de topman, want ‘veel praktisch geschoolde jongens willen niet in dienst. Dan moeten ze elke dag op een vast tijdstip op het werk zijn.’ Liever werken ze als dagloner of goudzoeker, baantjes met meer vrijheid.
Rocher Kodjo (30) en zijn broertje Jean-Claude Leitsel (20) hebben een nieuwe baan gevonden in de haven van Kuldipsingh.
Enkele nieuwe collega’s heeft Ramkhelawan alvast gevonden in Rocher Kodjo (30) en zijn broertje Jean-Claude (20). Ze staan bij een schip van Halliburton, dat wordt volgepompt met vloeistoffen om boringen uit te voeren. Kodjo werkte sinds zijn 12de als stratenmaker, en ‘dat is niet goed voor je rug’. Sinds twee weken zit hij niet meer de hele dag op de knieën, maar werkt hij als ‘helper’ in de haven. Hij staat in de buurt van de installaties en wacht op instructies van de voorman, zoals het oprollen van kabels. Geweldig werk, vindt Kodjo, want fysiek kan hij dit gemakkelijk aan. ‘Ik zou dit mijn hele leven kunnen doen.’
Voor steeds meer Surinamers in de haven en daarbuiten gloort hoop aan de horizon. De oliewinning kan het land en de levens van zijn inwoners veranderen. Maar het kan ook misgaan.
De afgelopen eeuw dreef de economie van Suriname op de bauxiet, waarvan aluminium wordt gemaakt. Het werd vanaf 1915 door het Amerikaanse Alcoa uit de grond gehaald. Bauxiet leek het land enorme welvaart te gaan opleveren, en net als nu bruiste Suriname van optimisme.
Oud-mijnwerker Antonius Abiting bij zijn huis in Moengo.
De 73-jarige Antonius Abiting kan zich het gevoel nog goed herinneren. Hij woont in Moengo, een mijnstadje op twee uur rijden van Paramaribo. Vanaf het moment dat Alcoa in Suriname arriveerde, was dit het epicentrum van de bauxietwinning. Het werd de company town van het bedrijf waar ook Abiting sinds zijn 19de voor werkte.
Moengo was voor Surinaamse begrippen ‘echt luxe’, vertelt Abiting, waarna hij enkele basisvoorzieningen opsomt. Zo hadden de huizen, anders dan in omringende dorpen, stroom en riolering. ‘En toen ik jong was, had je hier een ziekenhuis en een supermarkt waar we als medewerkers op rekening boodschappen deden.’
Van die weelde is nu weinig meer over. In de allesverzengende hitte leidt Abiting rond langs plekken die herinneren aan de hoogtijdagen: het afgebladderde ziekenhuis, de vervallen directeurswoning, een overwoekerd zwembad en het oude fabrieksterrein.
In de oude mijnstad Moengo is het ziekenhuis afgebladderd en het zwembad overwoekerd.
De Surinaamse bauxietwinning veroorzaakte een klassiek geval van wat onder economen de ‘Hollandse ziekte’ is gaan heten, legt Karel Eckhorst (56) later uit, als econoom werkzaam voor het Internationaal Monetair Fonds en het Surinaamse ministerie van Financiën. De benaming verwijst naar de Nederlandse economie, die steeds minder concurrerend werd nadat er aardgas was ontdekt.
Ook in Suriname werd de economie ‘steeds fragieler’ vanwege de grondstoffen, zegt Eckhorst. Door de bauxietwinning klotste het geld in Suriname tegen de plinten. En dat was een probleem, want het kon bijna nergens heen.
We hadden bijna geen binnenlandse productie en importeerden daardoor steeds meer producten uit het buitenland
Karel Eckhorst
Econoom
Dus toen het onvermijdelijke moment kwam dat Alcoa de productie afbouwde, nadat in de jaren negentig elders grote bauxietvondsten waren gedaan, werd plots duidelijk hoe slecht de economie eraan toe was. Mannen als Abiting hadden jarenlang een prima salaris verdiend, maar nu de mijnen sloten, was er in Suriname bijna geen ander werk te vinden. Eckhorst: ‘Zo’n smalle productiebasis leidt tot enorme ellende.’
Het slechte nieuws, zegt Eckhorst: deze geschiedenis kan zich gaan herhalen. In 2028 wordt de eerste olie opgepompt. De overheid ontvangt datzelfde jaar al meer dan 600 miljoen dollar aan inkomsten. Dat is nog afgezien van alle salarissen die oliewerkers, havenmedewerkers en hotelpersoneel zullen ontvangen. Het is een ‘tsunami’ aan oliegeld en Suriname is daar nog lang niet klaar voor. ‘En als je niet ready bent, zal het niet op je wachten.’
Het goede nieuws: er zijn mogelijkheden om de schade te beperken. Een belangrijk element is voorkomen dat te veel geld de lokale economie overspoelt. De volgende regering die aantreedt zal ‘niet te veel mogen uitgeven en moet een belangrijk deel sparen’. Zulke limieten op uitgaven en schulden zijn pasgeleden in meerdere wetten vastgelegd, maar spijkerharde afspraken zijn het niet: politici kunnen ze met een meerderheid in het parlement weer afzwakken.
Volgelopen kraters van een oude bauxietmijn bij Moengo.
Ook moet de volgende regering ‘echt serieus’ werk maken van corruptiebestrijding, zegt Eckhorst. Corruptie en vriendjespolitiek zijn wijdverbreid in de Surinaamse politiek, het bedrijfsleven en de ambtenarij. De econoom noemt een waslijst aan voorstellen om ze in te dammen, maar ziet hoe opeenvolgende regeringen treuzelen met de uitvoering.
Maar het allerbelangrijkste is dat de overheid het oliegeld gebruikt om lokale bedrijven te stimuleren. Dat kan volgens Eckhorst bijvoorbeeld door te zorgen dat er makkelijker geld kan worden geleend door ondernemers in ‘kansrijke sectoren’, zoals de landbouw, toerisme, visserij en veeteelt. ‘Want op een dag is de olie op, en dan moet onze economie op duurzame sectoren kunnen leunen.’
De verkiezingskandidaten hebben de campagne gebruikt om duidelijk te maken dat ze van het verleden hebben geleerd. ‘De gemiddelde Surinamer heeft niets van het bauxiet en goud overgehouden’, stelt VHP-president Santokhi. ‘Bij de olie gaat dat anders zijn.’ NDP-leider Simons voert vooral campagne met de belofte van ‘goed bestuur’. ‘Want als we het niet goed doen, dan kunnen twintig families in Suriname miljardair worden en kan de rest van het land in de goot gaan liggen.’
De haven van Kuldipsingh
Na zondag zal blijken aan wie Suriname zijn economische toekomst toevertrouwt. De 21-jarige Ravenberg, die voor het eerst haar stem zal uitbrengen, twijfelt nog hevig. Havenbaas Ramkhelawan kan de keuze snel maken, hoewel hij vanwege zijn Nederlandse nationaliteit geen stemrecht heeft. ‘Ik zou op de VHP stemmen. Niet omdat president Santokhi en ik beiden Hindostaa zijn, maar omdat het bedrijfsleven snakt naar een stabiele economie. En daar heeft deze regering voor gezorgd.’
Het goud regeert in Suriname. Het edelmetaal is goed voor bijna 70 procent van de export en domineert ook de omvangrijke informele economie. Maar het land betaalt een hoge prijs voor de goudkoorts. En die wordt pijnlijk zichtbaar vanuit de lucht.
Norine, kind van een Afro-Surinaamse moeder en een Hindoestaanse vader, kreeg laatst de vraag of ze zich een Nederlandse voelt. Het deed haar aarzelen. Hoe zien de Nederlanders haar? En: waar hoort ze eigenlijk bij?
Colombia staat voor radicale verduurzaming. Maar samen met veel andere zuidelijke landen zit het vast in een valstrik: iedereen hamert op vergroenen, maar landen die het roer willen omgooien, worden gestraft door het wereldwijde financiële systeem.
Source: Volkskrant