Home

Verlangen naar een normale dag

‘Je kent de beelden van Gaza, maar de werkelijkheid is een miljoen keer erger’

Fady al Madhoun van Artsen zonder Grenzen doet verslag van de gruwelijke werkelijkheid in Gaza. Door honger, verwoesting en de vele doden hebben Gazanen al anderhalf jaar geen ‘normale dag’ meer gehad. Toch laat hij zich niet ontmoedigen. 

Door Sacha Kester

‘Hello dear!’

Elke keer als Fady een appje stuurt, is er die opluchting. Hij leeft nog. De bombardementen van afgelopen nacht hebben het appartementje in Gaza-Stad, waar hij nu met zijn familie verblijft, niet in puin gestort.

‘Ik zie dat het een prachtige dag is bij jullie in Nederland’, zegt hij vrolijk als we op een zonnige ochtend even videobellen. ‘Laat me de kersenboom in je tuin nog eens zien!’

Het zijn zulke snippers van ‘een normaal leven’ die Fady al Madhoun (34) na ruim anderhalf jaar oorlog zo mist: gewone huizen, gewone straten, gewoon iets kunnen eten als je honger hebt. Na een interview met de Volkskrant in april laat de arts regelmatig van zich horen. Hij is nu manager van alle medische activiteiten van een kliniek van Artsen zonder Grenzen in Gaza-Stad, en vertelt wat hij meemaakt, maar vindt het ook fijn om te kletsen over zijn kinderen (een jongen van 3 en een meisje van 5) of een vroegere vakantie, in plaats van alleen maar over honger en dood. Daar is hij de hele dag al mee bezig.

‘En de hele nacht’, vertelt hij. Vorige week, tijdens het bezoek van de Amerikaanse president Donald Trump aan de regio, voerde Israël het aantal bombardementen op Gaza op, en elke ochtend waren de berichten er weer: tachtig doden, honderd doden, zestig doden. Fady zit er middenin. Elke nacht. Met twee kleine kinderen.

‘Je probeert op tijd te gaan liggen, omdat je weet dat het na middernacht begint’, vertelt hij. ‘De klappen slaan je uit je slaap: het is pikdonker en alles beweegt, dreunt en gromt.’ Wat je dan doet? De kinderen afleiden en proberen om zelf rustig te blijven, terwijl je tegelijkertijd uitzoekt wat er gebeurt en waar het is. ‘Schuilen kan niet’, legt hij uit. ‘Er zijn geen kelders. Geen plaatsen waar het veilig is. We praten en we bidden, en als er genoeg bereik is, bel je met vrienden om informatie uit te wisselen.’

Ondanks alles is er bij Fady altijd die warme lach. Hij wordt magerder, hij moet weer verhuizen (voor de achtste keer in anderhalf jaar) en maakt zich constant zorgen, maar nee, hij is niet moedeloos. ‘We kunnen niets aan de situatie veranderen’, zegt hij rustig. ‘We kunnen voor elkaar zorgen, zo goed als onder deze omstandigheden mogelijk is.’

De gesprekken met Fady, en de video’s die hij op verzoek van de Volkskrant heeft gemaakt, geven een beeld van hoe Gazanen zich door hun dag heen slaan. ‘Want het is belangrijk dat de buitenwereld weet wie we zijn’, vindt hij. ‘Mensen die anderhalf jaar geleden een heel gewoon leven leidden en nu zijn opgesloten op een plek waar ze worden vermoord en uitgehongerd, en waar bijna niets meer is.’

De arts stuurt oude vakantiefoto’s en filmpjes van de strandtenten in Gaza waar hij hele avonden met vrienden en familie heeft doorgebracht, of de hotels waar hij met de kinderen ging zwemmen: blauw water, rode zwemvleugeltjes, gele luifels.

De beelden staan in schril contrast met zijn video’s van het Gaza van nu, waarin alles grijs is. Mensen ploeteren met een volgeladen ezelkar over het kapotte wegdek of gaan te voet met hun tassen door de woestenij. Lichamen buigen zich over kleine vuurtjes in de schemering en koken het kleine handje pasta of rijst dat ze die dag hebben weten te vinden.

Het is soms lastig, vertelt Fady, om de straten te herkennen van Jabalia, het vluchtelingenkamp in het noorden van Gaza waar hij vandaan komt. De huizen van zijn buren zijn gereduceerd tot metershoge bergen gruis. Overal staan skeletten van gebouwen: een enkele muur of een pilaar wijst nog omhoog, de vloeren van appartementencomplexen hangen mistroostig naar beneden.

Zelf heeft Fady twintig jaar lang in dezelfde straat gewoond. Elke keer als er genoeg geld was, liet hij het appartement een beetje mooier maken. De arts stuurt een filmpje van voor de oorlog, toen zijn nieuwe keuken net af was, met appeltjesgroene muren en kastjes, en allerhande inbouwapparatuur. Hierna volgt een foto van hoe het er nu uitziet: niets dan brokken hout en steen die over elkaar heen lijken te zijn gesmeten. De muren weggeblazen. Meubels verwrongen, onder het stof en het puin.

‘Dit is wat we van ons leven terugvonden toen we tijdens het bestand mochten terugkeren naar het noorden’, zegt Fady. ‘Alles is weg: de foto’s, ons heerlijke bed, het speelgoed van de kinderen. En het is er spookachtig. Sommige gezinnen trokken in de ruïnes van hun oude huizen, maar de meeste gebouwen staan leeg. Een aantal mensen sloeg een tent op bij hun oude huis. Zo waren ze in elk geval op de plek waar ze thuishoorden.’

Al deze mensen hebben hun spullen echter voor de zoveelste keer weer moeten pakken: Israël heeft Jabalia een paar weken geleden tot gevechtszone uitgeroepen en burgers opgeroepen tot evacuatie. Fady had nog een appartementje in Gaza-Stad, ooit gekocht als investering, waar hij nu woont met zijn vrouw en kinderen, zijn ouders en vijf van zijn zeven zussen. Het is klein, zo’n 70 vierkante meter, en het is zwaar beschadigd. ‘Maar het heeft een dak’, zegt hij lachend.

‘Elke dag verrijzen er nieuwe tenten bij mij in de wijk. Elke dag zijn er weer nieuwe evacuatiebevelen.’

‘En jij? Kunnen jullie blijven waar je nu zit?’

Een lange stilte, en dan: ‘Als er een evacuatiebevel komt, hebben we geen keuze, want daarna volgt het geweld. Je vertrekt of je sterft.’

Hij wil niet weer vluchten, vertelt Fady later tijdens een videogesprek. Hij is al zeven keer vertrokken, heeft appartementen gehuurd en in tenten geleefd, en kijkt nu weer om zich heen. Maar niemand weet welke plek over enkele dagen moet worden geëvacueerd. ‘Het is slopend’, zegt hij. ‘Het is onmogelijk om een plan te maken, omdat je niet weet wat er gaat gebeuren, maar tegelijkertijd hangt je leven af van een goed plan.’

De volgende ochtend stuurt Fady twee foto’s. De eerste is van een blakende baby, lange wimpers, blauwe ogen, bolle wangen. De tweede van hetzelfde kind, zwart, verkoold, de helft van de schedel is weg. ‘De zoon van mijn neef, een apotheker’, schrijft hij erbij. ‘Het kind is verbrand bij een bombardement op een tentenkamp in Khan Younis. Geen militaire zone, maar afgelopen nacht toch een doelwit.’

Die dag blijft zelfs Fady zonder lach. ‘Je kent de beelden van Gaza’, zegt hij, ‘maar de werkelijkheid is een miljoen keer erger. Elke dag zeggen we dat dit de gruwelijkste dag ooit was, maar de volgende is nog gruwelijker.’

Op zijn werk wordt Fady dagelijks geconfronteerd met de pijn van de slachtoffers. In april beschreef hij tegenover de Volkskrant wat er in de kliniek gebeurt als de tientallen gewonden na een bombardement worden binnengedragen. ‘Je hoort geschreeuw en gehuil, mensen worden in gangen op de vloer gelegd, soms liggen er ook losse ledematen tussen. Een arm. Een been. Een lichaam zonder hoofd of een hoofd zonder lichaam. En overal is bloed, soms zo veel dat je moet oppassen dat je er niet over uitglijdt.’

In deze chaos moeten er harde keuzen worden gemaakt: helpen ze het kind van wie een voetje af is geblazen of de vrouw met scherven in haar hele lijf? En dan zijn er de mensen voor wie niets meer kan worden gedaan. ‘Dat worden er steeds meer’, vertelt Fady nu, ‘want er functioneren bijna geen ziekenhuizen meer in Gaza en we hebben geen middelen. Geen medicijnen. Geen jodium. Niets. En de mensen die we oplappen, herstellen bijna niet, omdat hun lichamen te zwak zijn door de honger.’

Hij leeft even op als Israël begin deze week aankondigt onder internationale druk weer hulpgoederen door te laten. ‘Je ziet het in alle gezichten’, zegt hij, ‘het gebrek aan slaap, de stress, de honger. We zijn elke dag urenlang bezig met het vinden van voedsel, maar er is bijna niets meer te krijgen. En de prijzen zijn absurd: 20 dollar voor een kilo aardappelen, 9 dollar voor één ui, een kilo bloem voor 30 dollar!’

Drie dagen later zijn er inderdaad een aantal vrachtwagens de grens met Gaza gepasseerd, maar er is nog geen blikje bonen bij de Gazanen terechtgekomen: volgens de VN kunnen de trucks niet veilig verder rijden naar de opslagplaatsen. ‘Het is net als met de geruchten over een bestand’, reageert Fady. ‘Het klinkt alsof het ieder moment kan gebeuren, en toch staan we steeds met lege handen.’

Soms twijfelt Fady of hij er goed aan heeft gedaan om in Gaza te blijven. ‘Ik heb aan het begin van de oorlog, toen de grens nog open was, overwogen naar Egypte te vertrekken, maar ik wilde mijn volk niet verlaten.’ Om dezelfde reden reist Fady’s vrouw, die als anesthesist voor Save the Children werkt, elke dag naar een kliniek in het zuiden van Gaza, over de Netzarim-corridor, die Israël heeft ingesteld. ‘Zij is zó dapper’, zegt Fady bewonderend. ‘Ik kan wel zeggen: doe het niet, het is te gevaarlijk, maar als mijn kind of moeder gewond raakt, wil ik ook dat ze geholpen kunnen worden. Wat blijft er van ons over als elke arts thuisblijft of in Egypte zit? Wat moet er van ons worden als we zelfs elkaar niet meer helpen?’

Donderdagochtend ziet Fady er vermoeider uit dan normaal. ‘De aanvallen waren heel erg dichtbij’, vertelt hij. ‘De bommen beukten in op een pand 50 meter verderop, dat daarna volledig instortte.’ Hij schudt zijn hoofd. ‘Gelukkig stond het leeg, maar dat bulderende geluid, zo dichtbij... Ik kan niet beschrijven wat dat met je lichaam doet. Hoe bang je dan bent.’

Een uur later appt Fady het jongste evacuatiebevel: een kaartje van Gaza-Stad, opgedeeld in kleine blokjes in verschillende kleuren. Mensen die in een rood blokje wonen, moeten vertrekken, en het appartement van Fady staat vlak bij die rode lijn. ‘We moeten dus gaan’, schrijft hij. Maar nee, hij weet nog niet waar naartoe.

‘Een normale dag’, verzucht Fady aan de telefoon. ‘Er is niets waar ik meer naar verlang dan gewoon een normale dag. Dus alsjeblieft, doe jij dat voor mij. Leef in je huis met de kersenboom, zwaai je kinderen uit als ze naar school gaan, kook iets wat ze lekker vinden en lach als ze vragen om een toetje. Denk niet dat dit kleine dingen zijn. Het is zo groot. Een gewone dag is het mooiste wat er is!’

Die middag appt Fady een filmpje van zijn 5-jarige dochter Tulip. Ze staat op de restanten van hun oude appartement in Jabalia en zingt keihard mee met een lied dat elders uit een luidspreker schalt, terwijl ze haar armen spreidt en de wereld omarmt.

‘Vreeeeede voor Gaza, vrede, vrede! Vrede voor een groot volk, wij zijn de getuigen!’

Ze heeft Fady’s lach.

Artsen in Gaza maken harde keuzes: ‘Je wilt het beste doen voor zoveel mogelijk mensen’

Als de slachtoffers van Israëlische bombardementen in Gaza het ziekenhuis binnenkomen, moeten artsen kiezen wie ze wel en wie ze niet kunnen redden. De blokkade van hulpgoederen en voedsel verergert de situatie.

Het leven in Gaza is een horror, zegt UNRWA-directeur: ‘Het is bizar wat je normaal gaat vinden’

Nu zijn hulporganisatie UNRWA niet in Gaza mag werken, vertelt directeur Sam Rose zoveel mogelijk mensen – politici, met name – over de gruwelijke realiteit van de Palestijnen in hongersnood. ‘Het is moeilijk te bevatten dat zoveel leed kan plaatsvinden zonder dat iemand iets doet.’

Weer raken Gazanen alles kwijt: hun huis, hun spullen, hun leven

Nu Israël zijn operaties in Gaza in hoog tempo opvoert, lijkt de situatie in het gebied weer hetzelfde als voor het bestand. Het noorden wordt leeggeveegd en afgesloten van het zuiden, en elke dag vallen er talloze doden, onder wie veel kinderen.

Source: Volkskrant

Previous

Next