Home

Gerard Soeteman en Paul Verhoeven wisten: elke speelfilm heeft een goede sleutelscène nodig

Na een tijdje weet de kijker de details niet meer, wist de afgelopen vrijdag overleden scenarist Gerard Soeteman. Daarom heeft elke speelfilm een paar goede sleutelscènes nodig, zoals de stortregen in ‘Turks Fruit’ en de tango in ‘Soldaat van Oranje’. Wat maakt zijn werk onvergetelijk?

schrijft voor de Volkskrant over film, non-fictie, thrillers, muziek en graphic novels.

Zelf hadden ze het altijd over pingpongen. Scenarist Gerard Soeteman (1936-2025) stelde een scène voor, regisseur Paul Verhoeven (1938) vulde aan, of andersom, dat kon ook. ‘Beetje oorlog, best spannend’, voegde de filmmaker dan toe aan Soetemans oneliners voor Rutger Hauer in Soldaat van Oranje. Het tekstverkeer ging nog per fax; het waren ellenlange faxen, alles met de hand geschreven, vol doorhalingen en annotaties.

Zo gingen ze in samenspraak op zoek naar dingen die we in Nederlandse films nog niet eerder hadden gezien. Beetje plagen, sarren mag, liefst met een vleugje dialectiek, een noodzakelijke correctie op de geschiedschrijving, de schone schijn met sardonisch genoegen afgepeld.

Dat was de inzet. Soms liep hun zoektocht naar fel realisme uit op onderlinge onmin. Het hoorde allemaal bij het creatieve proces.

Soeteman overleed op vrijdag 16 mei, 88 jaar oud. In een eerste reactie op zijn overlijden zei Verhoeven (86): ‘We waren Leidse studenten, we keken hetzelfde tegen de wereld aan. We konden soms hard botsen omdat we allebei eigenwijs waren. Maar we maakten het ook altijd weer goed, dat was, denk ik, ons geheim.’

Wat beiden ook beseften: elke speelfilm, hoe gelaagd ook, heeft een paar sleutelscènes nodig. Dat is de etalage, te vergelijken met de single van een album, het is een oude filmwet. Kijkers zullen na verloop van tijd de details zijn vergeten, maar die sleutelscènes blijven je voor altijd bij.

De samenwerking begon speels, bij de tv-serie Floris (1969) voor de jeugd. De tekstjes van de koene ridder Rutger Hauer en zijn mysterieuze sidekick Sindala, gespeeld door Jos Bergman, leken op tekstballonnetjes uit een stripverhaal.

‘Hoe is het met haar, dokter?’

‘Slecht.’

‘Kunnen we iets doen?’

‘Een priester halen.’

Die comedytoon werd met Wat zien ik? (1971) nog even doorgezet, maar daarna begon dan toch het echte werk.

Turks Fruit (1973)

Tijdens een enorme plensbui (nog niet veroorzaakt door een professionele regenmachine, maar de spuitbrigade van de vrijwillige brandweer van Amsterdam) zitten Rutger Hauer en Monique van de Ven als de geliefden Erik en Olga buiten in de regen bij zijn atelier.

Zij stampt in de plassen, ze tongen flink, ze drinken rode wijn, de klagende mondharmonica van Toots Thieleman speelt Dat mistige rooie beest. Beter wordt het niet; het blijkt in de tragische liefdesgeschiedenis Turks Fruit hun laatste idyllische moment samen.

Voor de kijker kan het niet lang genoeg duren, maar de regisseur en scenarist grijpen rigoureus in. Daar is Tineke (Marjol Flore) al, de jeugdvriendin van Olga, ze komt aanzoeven in haar oranje Simca. Of Olga meegaat naar een feestje? Tineke doet dat in opdracht, want de familie van Olga vindt de vrijgevochten kunstenaar Erik geen goede partij. Verbijsterd blijft Rutger Hauer alleen achter, hij spoelt de rode wijn door de goot.

Hier worden de verwachtingen van de kijker opzettelijk gebruuskeerd. Daar hadden de scenario’s van Soeteman vaker een handje van. Het was een uitgekiende techniek: juist door dat abrupte einde van de scène komt-ie extra hard aan.

Soldaat van Oranje (1977)

De dunne scheidslijn tussen ‘goed’ en ‘fout’ wordt in Soldaat van Oranje verbeeld door de tango van Rutger Hauer met Derek de Lint. Erik (Hauer) is heimelijk vanuit Engeland overgevaren, glipt langs de Duitse wachtposten, en belandt ongewild op een dansfeest van de Duitsers. Daar treft hij zijn oude studievriend Alex (De Lint), inmiddels SS-er en met verlof van het oostfront. Het wordt een confrontatie op ridderlijk niveau.

In plaats van Erik onmiddellijk aan te geven, pakt Alex hem bij de hand en sleept hem naar de dansvloer. Het orkestje zet een tango in, stuwende muziek bij een gestileerde vechtpartij. Cheek to cheek doen ze hun passen, en hellen en buigen daarbij naar beide kanten over.

De strekking van de scène: met een iets andere zwengel aan het rad van fortuin waren de rollen van verzetsheld en landverrader omgedraaid geweest. Dat was helemaal conform de visie van de oorlogskinderen Soeteman en Verhoeven.

Over het morele gehalte van hun hoofdpersonen hebben ze zich nooit veel illusies gemaakt. In hun universum deugen de meeste mensen helemaal niet, integendeel: het is alom verborgen agenda’s, opportunisme en eigenbelang.

In zijn biografie zei Verhoeven al: ‘Erik is geen verzetsheld. Hij is een avonturier.’

Spetters (1980)

Het coming-of-ageverhaal Spetters moest in alles het contrapunt van Soldaat worden. Geen Leidse studenten, maar een generatieportret van werkende jongeren aan de onderkant van de samenleving. Niet in de Randstad, maar gereformeerd Maassluis. Verhoeven: ‘Gerard en ik vonden: ieder milieu is bijzonder, zolang je het bijzondere er maar van inziet.’

De 20-jarige Rien Hartman (Hans van Tongeren) is bouwvakker en in zijn vrije tijd een veelbelovend motorcrosser. Naar voorbeeld van zijn succesvolle dorpsgenoot Gerrit Witkamp (de échte motorcrosser Gerrit Wolsink) wil hij professional worden: sport als ontsnappingsroute. Het had ook popmuziek of misdaad kunnen zijn.

Dan slaat het noodlot toe. Een gezin gooit tijdens een vrolijk dagje uit op de snelweg sinaasappelschillen uit het raam, en Rien slaat daar op zijn motor van over de kop. Dwarslaesie. Carrière weg, toekomst weg, impotent. Omdat Rien wel aanvoelt dat zijn vrienden weinig meer met hem te maken willen hebben nu hij in een rolstoel zit, besluit hij op een later moment uit het leven te stappen.

Die tragische climax is gevangen in een parallelmontage. Terwijl zijn vrienden in het buurtcafé luidruchtig het succes van kampioen Gerrit Witkamp vieren, zien we Rien in het schemerdonker stilletjes wegrijden in zijn scootmobiel. Uiteindelijk gooit hij zich in een verkeerstunnel voor een aanstormende vrachtwagen.

Heftige scène, secuur opgebouwd, maar het voortijdige verlies van Rien speelde de dramaturgie parten. Op zich is het gegeven felrealistisch genoeg: het noodlot verschuilt zich altijd om de hoek, zoiets kan iedereen gebeuren. Maar daarmee verliest Spetters wel zijn dynamische protagonist. Verhoevens conclusie, achteraf: ‘In de bioscoop viel het mij op dat jongeren de film heel leuk vonden, totdat Rien van zijn motor dondert. Dan voel je in zo’n zaal: ‘Hè, moet dat nou?’ Dat hebben Gerard en ik vooraf niet goed genoeg ingeschat.’

De aanslag (1986)

Nadat ze samen in 1983 de geslaagde bovennatuurlijke thriller De vierde man maakten, en aansluitend met Flesh + Blood (1985) een Floris voor volwassenen hadden gedraaid, vertrok Paul Verhoeven naar Hollywood.

Soeteman ging verder met regisseur Fons Rademakers, met wie hij eerder had gewerkt bij Max Havelaar (1976) en Mijn vriend (1979). Een heel ander soort filmer dan Verhoeven: Rademakers was in hart en nieren een theaterman. Nu stond De aanslag (1986) op het programma, naar de roman van Harry Mulisch. En hoewel Johnny Kraaijkamp verderop in de film de show zou stelen als de voor eeuwig getraumatiseerde verzetsman Cor Takes, speelt de cruciale scène zich af in januari 1945.

Het twaalfjarige jongetje Anton Steenwijk (Marc van Uchelen) is door de Duitsers opgepakt en in Heemstede in de gevangenis gesmeten. Daar, in het halfduister, ontmoet hij verzetsstrijder Truus Coster (Monique van de Ven), medeplichtig aan de liquidatie van NSB-er Fake Ploeg. Maar dat weet de jonge Anton niet, net zomin als hij zich realiseert dat hij door haar toedoen feitelijk zijn ouders, zijn broer en zijn thuis heeft verloren, in een wraakactie van de Duitse bezetter. Andersom begrijpt Truus Coster dat door de verhalen van Anton dondersgoed. Pijnlijk.

De theaterachtige scène is intiem gefilmd, vol suspense, we krijgen haar gezicht niet te zien. Ze is heel aardig voor Anton, maar ze weigert haar naam te noemen. De raadselachtige ontmoeting zal de volwassen Anton (Derek de Lint) gedurende de rest van de film parten spelen. Wie was die vrouw? Waarom zat ze in die cel? Had zij iets te maken met de dood van zijn familie? Soeteman, destijds: ‘Omdat ik eigenlijk niet wist wat ik met de roman aanmoest, heb ik er maar een thriller van gemaakt.’ Die aanpak leverde Rademakers een Oscar voor beste niet-Engelstalige film op.

Zwartboek (2006)

Altijd weer die oorlog. Na twintig jaar onderbreking schreven Soeteman en Verhoeven samen aan Zwartboek (2006), waarin Carice van Houten als de Joodse zangeres Rachel Stein op verzoek van het verzet aanpapt met SS-Hauptsturmführer Ludwig Müntze (Sebastian Koch). Je kunt in de film meer sleutelscènes aanwijzen (denk aan die vaak aangehaalde uitroep van de geplaagde Rachel: ‘Houdt het dan nooit op?’), maar pas echt kenmerkend voor het Soeteman-Verhoeven-universum is die schrijnende situatie tegen het einde.

Verrader Thom Hoffman vecht in een hermetisch afgesloten doodskist voor zijn leven. In een lijkwagen had hij daarmee willen ontsnappen, zoals Rachel eerder deed in de film, maar zij heeft hem door, en draait de bouten strak aan. Terwijl we hem op de achtergrond horen schreeuwen, joelen en rochelen, zitten Derek de Lint en Carice van Houten heel ontspannen voor die lijkwagen, en nemen achteloos de ontwikkelingen van de afgelopen tijd nog eens door.

Conclusie: wrang, maar geestig, en behoorlijk goed verzonnen ook. Een scène in een Nederlandse film die we niet eerder hadden gezien. Soeteman en Verhoeven, ze deden het erom. Het bracht de Nederlandse film naar een hoger plan.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next