schrijft elke week over een alledaags opvoedkundig probleem waarvoor ze een oplossing zoekt.
‘Onze zoon van 7 is liever lui dan moe’, mailt een moeder. Aankleden kan hij prima zelf, maar liever wacht hij tot zijn ouders hem een trui over het hoofd trekken of op hun knieën gaan om zijn schoenen aan te schuiven. ‘Omdat we haast hebben, schieten we hem vaak te hulp.’ Bij zijn oudere zus speelt dit niet. ‘Hoe stimuleren we zijn zelfstandigheid?’
Het stimuleren van zelfredzaamheid is belangrijk. ‘Kinderen die merken dat ze zelf iets kunnen, voelen zich competent en bouwen zelfvertrouwen op’, zegt Amaranta de Haan, bijzonder hoogleraar versterken van de pedagogische basis aan de Rijksuniversiteit Groningen en expert opvoeden en ontwikkeling bij het Nederlands Jeugdinstituut.
En dat is niet het enige. Wie zijn eigen jas dichtknoopt of zijn bord naar de keuken brengt, leert ook verantwoordelijkheid nemen. In haar boek Jagen, verzamelen, opvoeden beschrijft wetenschapsjournalist Michaeleen Doucleff hoe kinderen in Maya-gemeenschappen van jongs af aan helpen in het huishouden. Moeders laten hun kinderen misvormde maïstortilla’s maken zonder in te grijpen omdat ze het zien als een oefenmoment.
‘Al die klusjes helpen kinderen bovendien hun probleemoplossend vermogen te ontwikkelen,’ zegt De Haan. ‘En dat komt later goed van pas.’
Aan ouders de taak om op hun handen te zitten als hun kind iets probeert. ‘Grijp niet direct in als hij zijn trui verkeerd om aantrekt’, adviseert ontwikkelingspsycholoog Sander Kooijman. ‘De meeste kinderen wíllen zelfstandig zijn. Dat geeft ze een trots gevoel.’ Maar er kunnen drempels zijn. ‘Sommige kinderen proberen iets pas als ze denken dat ze het al kunnen. Angst om te falen maakt ze afwachtend.’
Is het een jongste-kind-ding? ‘Veel ouders denken dat hun oudste kind verantwoordelijker is, terwijl de jongste meer van de vrijheid blijheid is’, zegt De Haan. Maar wetenschappelijke studies vinden er geen bewijs voor dat geboortevolgorde invloed heeft op de zelfstandigheid van kinderen. ‘Het hangt vooral af van het karakter.’
Volgens de ontwikkelingspsycholoog zou de vuistregel moeten zijn: alles wat een kind zelfstandig kan doen, doet het ook. Stel geen vragen (‘Ga je je nu aankleden?’), maar communiceer neutraal. ‘Het is tijd om je kleren aan te doen.’
Haast is funest. ‘Oefen met zelfstandig aankleden op rustige momenten, zoals in het weekend’, adviseert Kooijman. ‘Laat hem tobben en stuntelen. Neem de tijd.’
Helderheid helpt. Maak samen een takenlijst. ‘Soms werkt een beloningssysteem met stickers’, zegt De Haan. Je wil dat aankleden en spullen opruimen routine worden, maar in het begin kun je kinderen best wat extra stimuleren. Het is mooi als kinderen naderhand een gevoel van winst ervaren, namelijk dat ze het helemaal zelf hebben gedaan.
Wat als de zoon protesteert? ‘Je mag hem best op weg helpen, door de trui te pakken en te zeggen: pak jij de rechter- of de linkermouw?’ Het idee is om een flow te creëren.
Dat werkt beter dan streng aankondigen: vanaf nu ga je alles zelf doen. Want dan is de kans op strijd groot en dat wil je als ouders voorkomen. ‘Blijkbaar is er een flinke hobbel te nemen voor dit kind’, zegt Kooijman. ‘Gebruik daarom verbindende communicatie, anders gaat hij met zijn hakken in het zand.’
Een beetje humor doet ook wonderen. ‘Ik zeg weleens: pak je tas en stop er twee oliebollen in. Dan denkt het kind: huh? Oliebollen? Zo is hij even afgeleid van zijn eigen protest.’
Over de auteur
Anna van den Breemer schrijft over grote en kleine levensvragen voor de Volkskrant. In de opvoedrubriek ‘Iedereen doet maar wat’ behandelt ze elke week kwesties waar ouders tegenaan lopen. Ze publiceerde meerdere boeken, waaronder Alle ouders klungelen maar wat aan.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant