is journalist en columnist van de Volkskrant, gespecialiseerd in financieel-economische onderwerpen.
Over onze columns
Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
In december 2009 besloten de roemruchte ratingbureaus de kredietwaardigheid van Griekenland terug te brengen. Standard & Poor’s, Moody’s en Fitch hadden twijfels gekregen of dat land zijn schuld nog wel kon aflossen, nadat was gebleken dat de cijfers over het begrotingstekort waren gemanipuleerd.
Toen Fitch de rating verlaagde van A- naar BBB+ – van investmentgrade (veilig) naar junk (rommel) – was Griekenland het eerste euroland dat geen A-rating meer had. Het leidde tot een mondiale uitverkoop van Grieks staatspapier, waardoor het land niet meer kon lenen en op de rand van het bankroet kwam te staan. De rating was zelfs te laag om staatspapier als onderpand te gebruiken voor leningen bij de Europese Centrale Bank (ECB).
Al gauw werden andere Zuid-Europese landen meegesleept in de val en was de eurocrisis een feit. Pas drie jaar later werd die gesmoord met Mario Draghi’s ‘whatever it takes’. Wat het ook kost, zei de toenmalige president van de ECB, we zullen de muntunie redden.
Eind vorige week verlaagde Moody’s de triple A-rating van de VS, nadat Standard & Poor’s en Fitch dat al eerder hadden gedaan. De VS zijn nu AA+. Nog geen junk, maar wel zo verontrustend dat het een schokgolf op de financiële markten veroorzaakte en de rente op de Amerikaanse staatsobligatie deed oplopen.
Het zou het eerste stapje naar een dollarcrisis kunnen zijn – op een moment dat beleggers in China en Japan al hebben voorgesorteerd door dollarobligaties in te ruilen voor goud. Toen Griekenland zijn A-status verloor in 2009, werd gezegd dat het misschien zes jaar te laat was geweest. En misschien geldt dat ook voor de VS, waarvan de schuld al is opgelopen tot 36 duizend miljard dollar, 124 procent van het bbp.
Grote institutionele beleggers als de pensioenfondsen, verzekeraars of banken die moeten passen op de centen van hun deelnemers, zijn gefixeerd op deze ratings. Ze willen een stevige basis van investmentgrade papier – staatsleningen van landen met een triple A-rating, zoals Nederland, Duitsland, Canada, Australië en Zweden. Ze willen zo weinig mogelijk rommel waaraan ze zich een buil kunnen vallen. Of waarvoor ze hoge kosten moeten maken om zich tegen ongelukken in te dekken met de aankoop van derivaten zoals kredietverzekeringen (cds).
Pensioenfondsen vragen hun vermogensbeheerders daarom rating triggers in te bouwen: computerprogramma’s die alarm slaan als de rating van een land wordt verlaagd. Dat betekent dat er geen schuldpapier mag worden bijgekocht. Of dat – met name als de rating wordt verlaagd tot BBB of junk – de hele boel moet worden verkocht. Veel fondsen hebben dat statutair zelfs vastgelegd.
Vaak treden automatische verkoopprogramma’s in werking. Als dat wereldwijd gebeurt, kelderen de koersen en loopt de rente op. Speculanten als hedgefondsen springen op de rijdende trein en gaan short (verkoop op termijn), in de hoop op verdere koersdalingen. De schuld van een land wordt onhoudbaar.
Het is in potentie een Griekse tragedie, in een land dat de wereld militair, politiek en financieel naar zijn hand wil zetten en nu een despoot als leider heeft.
Geselecteerd door de redactie
Lees hier alle artikelen over dit thema
Source: Volkskrant columns