De boekenredactie publiceert wekelijks een nog niet verschenen gedicht van een van onze favoriete dichters. Deze keer: Drs. P.
Hier deel ik u iets mee dat u nog nimmer heeft gehoord
Betreffende Siberië, een afgelegen oord
Dit lied is rijk aan informatie en aan dramatiek
Let verder op de voordracht en de pakkende muziek
We reizen met de troika door het eindeloze woud
Waarbij we ons veel zorgen maken om ons lijfsbehoud
Want ’s winters wordt gewoonlijk, dat is algemeen bekend
In dit gebied door wolven achter sleden aangerend
En ja hoor, na een tijdje komt die diersoort al in zicht
Ze lopen op ons in, want daarvoor zijn ze ingericht
Het is om zo te zeggen een consumptiemaatschappij
Voor ons is dat bedenkelijk: ze zijn nu al vlakbij
Nieuwsgierig vraagt de voorste wolf: ‘Waar komt u nu vandaan –
Uit Oekraïne, Georgië, Rusland of Tadzjikistan?
Of komt u van de Krim, of uit Moldavië afgezakt?’
Wij zeggen: ‘Nee, uit Nederland’, en zijn gezicht verstrakt
‘Ik weet wel iets van Nederland’, verklaart hij met een frons
‘Daar maakte iemand indertijd dat rotlied over ons
Bij wijze van goedkoop en twijfelachtig volksvermaak
En Nederlanders vallen hier dus niet meer in de smaak
Het heeft dan ook geen zin dat u zich opdient in dit woud
U kunt zo delicieus zijn als u wilt, het laat ons koud
Ja, zelfs al trad u op met mayonaise en met friet
Al zou u zich flamberen, wij verorberden u niet’
De wolven laten ons vertrekken met bedroefd gelaat
Vanwege hun nog altijd even hongerige staat
Maar stellig zien ze straks de toestand minder somber in
Want daar verschijnt een troika met een kinderrijk gezin
Troika hier, troika daar
Dit behoeft geen commentaar
Troika hier, troika daar
Van de voordrachtskunstenaar
Troika hier, troika daar
Met een portie kaviaar
Troika hier, troika daar
En een drankje aan de bar
Troika hier, troika daar
Hier komt Jan van Schaffelaar
Troika hier, troika daar
Sterk beschadigd exemplaar
Troika hier, troika daar
Haal dus even een brancard
Troika hier, troika daar
O, en reinig het trottoir
Troika hier, troika daar
Is dit lied nu nog niet klaar?
Troika hier, troika daar
Ja hoor, nog één regel maar
Troika hier, troika daar
Leve onze goede Czaar!
Deze week verscheen bij Nijgh & Van Ditmar Tante Constance en Tante Mathilde: de beste liedteksten van Drs. P (Heinz Hermann Polzer, 1919-2015), grootmeester van het Nederlandse lied, samengesteld door Ivo de Wijs. De bundel bevat inmiddels klassieke hits als Dodenrit (‘Troika hier, troika daar’), Veerpont en Knolraap en lof, schorseneren en prei.
Aan Tante Constance en Tante Mathilde zijn 25 teksten toegevoegd die niet in eerdere bundels van Drs. P stonden – waaronder deze Dodenrit (bis).
29
Door mensen uitgespuugd, geschuwd door ’t lot
jank ik, alleen, om mijn verworpenheid.
Bestook met loos geraas een dove god,
bezie mezelf en sakker dan van spijt.
Dan wou ik dat ik hoopvoller kon zijn,
aantrekkelijk, een man die vrienden had
en meer talent, een sterke levenslijn,
mijn innigste genoegens nog niet zat.
Dan, walgend van gestaag mijn lot beklagen,
denk ik aan jou waarna mijn hoop weer gloort,
zoals de leeuwerik die ’t licht ziet dagen
en hymnes kwettert aan de hemelpoort.
Zolang jij mij zo zoet te binnen schiet
boeit zelfs het lot van koningen mij niet.
73
In mij zie je dat kille jaargetij,
als hier en daar een enkel gelend blad
zich vastklampt in die doodse galerij
van takken, waar het vogelkoor ooit zat.
In mij zie je het einde van de dag,
wanneer de zon zich in het westen blust
waarna de zwarte nacht hem hebben mag,
de dagelijkse dood ons hult in rust.
In mij zie je de sintels van dat vuur
dat jeugdig vlamde; nu ligt het in as,
als op een doodsbed, in zijn laatste uur
verteerd door wat zojuist nog brandstof was.
Kijk goed, zodat je liefde sterker wordt,
want wat je liefhebt heb je nog maar kort.
116
Waar ware liefde geestverwanten bindt
daar zal ik zwijgen. Liefde is een klucht
wanneer zij buigt zodra ze weerstand vindt
of barst en dan de kloof niet overbrugt.
Zij is een baken dat bestendig straalt,
dat ondanks onweersstormen toch blijft drijven;
de poolster voor elk scheepje dat verdwaalt,
onpeilbaar, ook al laat zij zich beschrijven.
Zij danst niet naar de pijpen van de tijd
wiens vlot verstrijken niets met haar vermag.
Daar waar diens sikkel ons met rimpels snijdt
blijft liefde heel tot op de jongste dag.
Als iemand kan weerleggen wat ik vind,
dan schreef ik niets en heb ik nooit bemind.
Deze Shakespeare-sonnetten komen uit Voor jou en jou alleen, dat deze week verschijnt bij Van Oorschot. De vertalingen zijn van Frans van Deursen (1962), schrijver, zanger, acteur en vertaler. De bundel bevat alle 154 genummerde sonnetten die William Shakespeare achterliet. Ze behoren tot de bekendste liefdespoëzie uit de canon. Over zijn Shakespeare-vertalingen maakte Van Deursen de podcast Dat weet ik sonnet nog niet.
Eerder vertaalde Van Deursen werk van Tom Waits en Leonard Cohen en maakte hij muziektheater met de poëzie van Leo Vroman en Remco Campert.
I.
Toen de kunstenaar zijn tapeloops wilde digitaliseren,
merkte hij hoe de banden losraakten,
steeds verder loslieten bij elke doorgang langs de afspeelknop.
Wat moest bewaren, begon te wissen.
Een basklarinet, omgevingsgeluiden,
flarden radio, fragmenten van toen –
ze rekten zich uit, verkruimelden langzaam:
de muziek maakte zich los,
versleet zich maar schreed verder,
werd steeds minder en minder zichzelf
Zoals alles op weg naar de stilte.
II.
Elke ochtend klom Li Bai de berg op,
ook wanneer hij in het laagland verbleef.
Elke avond opnieuw schreef hij
nadat de vogels waren verdwenen
en de laatste wolk was opgelost:
‘Wij zitten samen, de berg en ik –
tot alleen de berg overblijft.’
Philip Huff (1984) is schrijver, dichter en filmmaker. Hij schreef onder meer de romans Niemand in de stad, Wat je van bloed weet en Open. Dit jaar stelde hij De gedichtenapotheek samen - ‘poëzie op recept voor het hoofd en het hart’.
Op een nat stuk gras vind ik hem in elkaar gekruld.
Aarde in zijn vacht, beestjes die hem bijten.
Een drijfnat voorwerp met een hapje
uit zijn linkeroor, hij heeft het niet eens door
als ik hem water geef en brokjes
die ik sprokkelde, hoe is dit ongeveinsd
het ritme van de slaap, wat om het even wat.
Dan gaapt hij als een jachtluipaard, dan doet hij
of hij mij niet hoort, geen strekking, geen vermoeienis.
Hij rolt voldaan over de grond, zijn groene ogen
staan wijd open – spoken vliegen op
en weg – hij was hier echt
wat ik van hem gezien heb en geweten
nergens is het nog.
Alfred Schaffer (1973) is dichter en publiceerde onder meer de bundels Mens dier ding en Wie was ik – Strafregels. Voor zijn oeuvre kreeg hij in 2021 de P.C. Hooft-prijs.
Papa is in de tuin aan het werk
als jij hem een vraag stelt:
‘Waarom ben ik op de wereld?’
‘Nou,’ begint hij, ‘vroeger
vonden je moeder en ik elkaar
heel lief en toen –’
‘Nee-hee,’ zeg je snel.
‘Waarom zijn wij op de wereld?
Wat is de reden van ons bestaan?’
‘Gewoon genieten,’ antwoordt papa.
‘Daar gaat het om in dit leven.’
‘Waarvan dan?’
Maar voor hij antwoord kan geven,
denk jij: hoe kan ik genieten
van klimaatverandering?
Daarna vertel je papa
dat je vanmiddag een bericht zag
over vluchtelingen met bijna niets,
hun hele leven in één kleine tas,
en dat je vervolgens de reacties las.
Je wist niet dat mensen
zo gemeen konden zijn.
Zo kun je nog wel even doorgaan,
maar je weet ineens
de reden van je eigen bestaan:
deze wereld kan wel wat liefde gebruiken.
Ondertussen hangt papa’s heggenschaar
nog altijd stil boven de struiken,
aan zijn gezicht kun je zien
dat hij op zoek is
(voor jou én voor zichzelf)
naar troostende zinnen.
Je geeft hem een kus.
Je kunt er maar beter
meteen
mee beginnen.
Pim Lammers (1993) is schrijver en dichter – voor jonge lezers en álle andere lezers. Hij schreef onder meer De boer en de dierenarts (2018) en Het lammetje dat een varken is (2017), waarmee hij een Zilveren Griffel won. Zijn bundel Ik denk dat ik ontvoerd ben haalde in 2022 de bestsellerlijsten.
Dit gedicht komt uit Ben je vergeten dat babygeitjes bestaan?, die in november zal verschijnen bij Querido.
‘In wijsheid schuilt veel droefenis.’
Het Schriftwoord blijkt maar al te waar:
wij worden wijzer, ieder jaar
met minder monden rond de dis.
Wij spreken er niet over waar
wat dierbaar was verdwenen is,
maar koesteren een stil gemis
dat allen weten van elkaar.
En elk jaar schuiven wij weer aan,
de wreed gekrompen vriendenkring,
en heffen als vanouds het glas
op alles wat voorbij moet gaan
en alles wat nooit overging,
op wat er wordt, en wat er was.
Jean Pierre Rawie (1951) ontving in 2008 de Charlotte Köhler Prijs voor zijn gehele oeuvre. In 2024 verscheen zijn Verzamelde gedichten bij Prometheus.
Als iemand je vraagt je zo klein
als een week te maken, ontdoe je dan
van kleding, accessoires.
Rol op tot de kleinste botten die je bent,
en haal nog eenmaal diep adem.
Je zal alle adem nodig hebben.
Als iemand je vraagt je zo klein
als een week te maken, maak dan ook geen
geluid steek ledematen uit, over jou heen
moet naar een horizon worden gestaard.
Ontdoe je van handen, van aanraakbare huid, van
alle reizen die je in gedachten samen al had gemaakt,
wees alleen het hoogstnoodzakelijke.
Denk voorlopig ook je ouders, vrienden
kinderwens maar weg.
Wees maximaal wat in de broekzak van de
ander past, dus weg ook met ongeborstelde zaterdagen.
Verlang geen kampvuur en al helemaal geen
verjaardagen. Wees zo groot
als een geluksmunt, een kalmeringspil, een doffe
amulet.
Als iemand je vraagt je niet
groter dan een week te maken, weet dan
dat zo’n vraag alleen op de schouders
van giganten past.
Laurine Verweijen is dichter bij Van Oorschot en schreef onder andere de dichtbundel Gasthuis (2020).
Ik liep vandaag je schilderijen in
Als kind met woorden van de dag
Ik zag de dingen bij hun naam
De daken de randen van de wereld
Je huizen ontdaan van huizen
Je stem als van een levenslied
De deur de ingang en het binnen
De stille glimlach van je mond
Er was geen wind geen oorzaak
En gevolg de daken stil als bron
Het hek het raam de drempel daar
Je verwondering van huis en deur
De lijn het vierkant de rechthoek
Je oog en ogenblik je kleur
Op de achterkant de letters van je naam
Geschilderd in de woorden van je naam
Kees ’t Hart (1944) is schrijver, criticus en dichter. Zijn meest recente roman verscheen in februari: De rode olifant.
Toen je me een gele bloem gaf
geboren als een juichende zin in een stomme film
vergat ik dat ze van jou is
en geen geschenk voor het kille verblijf op mijn vensterbank
plastic als een goedkope keuken
Het Chinese meisje verkocht je met tegenzin
Haar taal ongeschikt voor jouw platte cactusoren
die je steeds blijft baren
In die verdoemde straat geen spoor
van vroegere oude kunst, Japans lakwerk, kompaskaarten, zinloze munten
maar epigonen van mannelijke schilders die zich net als jij
vermeerderen zonder dat ik jouw beweging begrijp
omdat je roerloos bent, al voel ik dagenlang mijn handpalmen
prikken zonder je aan te raken
De wereld is een mes, zal ik haar dat zeggen?
Je areolen als sterren geven oranjerood af
dezelfde kleur als het gesteente van Abiquiú met de verweesde
schedels van Georgia O’Keeffe die luchtgeesten ving
en een diepe wind door sommige dingen zag gaan
zoals een mes met jaden heft, het groene goud
zoals jouw stijve handen
kubist van de ronde vormen
Gij zijt goden, zeg je
Maar een gele bloem kreeg ik niet meer
Sasja Janssen (1968) is veelbekroond dichter. Deze maand lezen we in de Volkskrant Leesclub haar recente bundel Mijn vader zegt entropie mijn moeder logica.
Source: Volkskrant