De grote popmuziek van nu gaat vaak over de binnenwereld, over identiteit en mentale gezondheid. Niets mis mee, maar dwingt de vuurzee om ons heen (klimaat, oorlog, totalitarisme) niet tot een blik naar buiten?
In Nederlandse poppodia en op festivals wappert steeds vaker een Palestijnse vlag. Een groeiend aantal artiesten heeft besloten dat het op zijn minst een beetje vreemd is als je bij een optreden niet even laat zien dat de gedachten de laatste tijd toch ook ergens anders naar uitgaan. Naar de levende hel die Gaza is geworden, bijvoorbeeld.
We stelden poppodia deze week de vraag of die Palestijnse (of Oekraïense, of Soedanese, of Congolese) vlag eigenlijk welkom is op een podium dat voor iedereen, ongeacht de opvatting, toegankelijk zou moeten zijn. Het antwoord verbaasde niet. Ja, die vlaggen zijn welkom. Want poppodia moeten plaats bieden aan vele stemmen. Aan mainstreampop én obscure deathmetal. Aan Koerdische én Turkse muziek, desnoods met vlaggen. En dus ook aan proteststemmen.
Het lijkt misschien vanzelfsprekend, maar dat is het niet. In de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk en Duitsland worden bands geweerd die van plan zijn een Palestijnse vlag op het podium te planten, of die tijdens een show (Kneecap) of in een clip (Kehlani) iets hebben geroepen tegen Israël.
In de Nederlandse popsector wordt anders gedacht. Het tonen van een vlag valt onder de artistieke vrijheid. Die vlag is kennelijk een blijk van diepe frustratie over de draaikolk van ellende waarin de wereld momenteel wordt meegezogen. In Gaza dreigt een hongersnood en sterven kinderen. De wereld kijkt toe.
Mag een band dan een blijk van solidariteit tonen? Ja, natuurlijk. Maar is dat dan niet te politiek? Volgens de Ierse band The Murder Capital niet. Hún Palestijnse vlag is geen politiek, maar een humanitair statement, verklaren ze steeds.
Zo’n vlag is misschien een machteloos gebaar. Of zelfs een aflaat: ‘Kijk, we leven mee en gaan nu verder met ons feestje.’ Maar toch kan zo’n minimale steunbetuiging een maximaal effect hebben.
Collega Loes Reijmer schreef vorig jaar een stuk over vaak jonge mensen, die hun gevoelens van woede en frustratie over wat er gebeurt in Gaza niet weerspiegeld zien in de politiek of de media. Sta je dan bij een show van een idool en zie je ergens links achter, hoe klein ook, die vlag op een stok staan naast het keyboard of drumstel, dan denk je misschien, heel even, dat er toch meer mensen zijn die wakker liggen van wat er gaande is. Dat er in ieder geval iets wordt uitgesproken.
Want verder is het in de popmuziek angstvallig stil. Waar blijven de liedjes en de albums die de immense problemen van nu aan de kaak stellen. Liedjes over de oorlogen, het oprukkende totalitarisme, het klimaat?
De grote popmuziek van nu gaat vaak over de binnenwereld, over adolescente onzekerheden, identiteit en mentale gezondheid. Niets mis mee, maar dwingt de vuurzee om ons heen niet tot een blik naar buiten? Tot protestmuziek, zoals we die in de jaren zestig, zeventig en tachtig hoorden over burgerrechten, Vietnam en kernwapens?
Er is in Nederland gelukkig wel een kleine onderstoom van muzikaal protest, van punkbands als Hang Youth en songwriters als Roufaida en Sophie Straat. Zij kunnen niet anders dan zingen over wat om hen heen gebeurt, vertelde deze protestgeneratie pas in NRC, en eerder ook al in de Volkskrant.
In de Volkskrant-podcast Culturele bagage spraken we donderdag met Sophie Straat over onder andere haar wrange en aangrijpende liedje Vlinder, over bommen en verwoestingen en zwijgende politieke leiders.
Misschien kunnen we dit nummer even opzetten als we ergens een gaatje vinden tussen het geweld van drie dagen songfestivalpop, waaruit alle politiek en protest zoals gebruikelijk vakkundig wordt weggefilterd.
Wekelijks neemt Bor Beekman, Robert van Gijssel, Joris Henquet, Merlijn Kerkhof, Anna van Leeuwen of Herien Wensink stelling in de wereld van film, muziek, theater of beeldende kunst.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant columns