Home

Hoe westers was de renaissance eigenlijk?

(Minder dan je denkt)

De Italiaanse renaissance geldt als de bakermat van de westerse kunst en cultuur. Maar hoe westers was de inspiratie voor de renaissance? Wieteke van Zeil in The National Gallery in Londen ook veel Arabische invloeden.

Door Wieteke van Zeil

‘Zou u willen dat er in onze scholen gebruik wordt gemaakt van Arabische cijfers?’

In 2019 stelde een wetenschappelijk onderzoeksbureau in Pittsburgh deze vraag aan 3.200 Amerikanen. Ruim de helft van de respondenten (56 procent) zei nee, 15 procent had geen mening. Die gezamenlijke 71 procent zou mogelijk liever hebben dat we het in dit bericht over LXXI procent hadden, van MMMCC respondenten.

Of zouden ze niet doorhebben dat de vraag over de cijfers 0, 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, en 9 ging? Ons Arabische numerieke systeem, dat ze als kind zo enthousiast opdreunden bij het kijken naar Sesamstraat? De cijfers die ze leerden van Graaf Tel en de kleuterschooljuf, die zich in de 7de eeuw uit India naar de Arabische wereld uitspreidden en in de 13de eeuw dankzij de Italiaanse wiskundige Fibonacci in gebruik raakten in Europa?

Het onderzoek ging niet over schoolsystemen, maar over vooroordelen. ‘Het verdrietigste en grappigste bewijs van Amerikaanse onverdraagzaamheid dat ooit in onze data verscheen’, schreef John Dick, de directeur van het onderzoeksbureau destijds op Twitter. Voor de 56 procent die meteen ‘nee’ had geantwoord, was het woord ‘Arabisch’ blijkbaar genoeg om niet verder na te denken.

Wat het onderzoek ook laat zien: wat wij als ‘westers’ beschouwen, hoeft helemaal niet westers te zijn. De Arabische (en eigenlijk dus ook Aziatische) cijfers die we dagelijks gebruiken bijvoorbeeld. Zo gewoon, dat je je niet afvraagt waar ze vandaan komen. De tulpen op je balkon, of het potje schaak met je vriend. De woorden algebra, suiker, caravan, masker of matras (allemaal Arabisch), ook het woord cijfer.

Als je dat eenmaal doorhebt, probeer het dan eens toe te passen op iets typisch ‘eigens’ als de Europese keuken, of, zoals nu in Londen te zien is: renaissancekunst. De kunst die vanaf eind 13de eeuw werd gemaakt in een piepklein gebied, Italië (het begon in Toscane), en die nog altijd wordt beschouwd als de bakermat van de westerse kunst en cultuur.

Duccio, Triptiek met de Kruisiging en andere scènes, c. 1302-08. Op het rechterluik draagt Maria een witte zijden jurk met goud geborduurde kruizen en sterren. De stof en het geometrische patroon komt uit het Midden-Oosten en is herhaald in de doek die de troon bekleed, waarop Maria en Christus zitten.

The Royal Collection HM King Charles, via Wikimedia Commons

Dat die renaissance zo westers nog niet is als we veronderstellen, is een van de aandachtspunten in Siena: The Rise of Painting 1300-1350, nu te zien in The National Gallery in Londen. Hierin zie je op een kostbaar triptiek van Duccio – Siena’s beroemdste schilder – dat de lange mantel van Maria gemaakt is van witte zijde (uit China), maar kruis- en stermotieven bevat zoals je die op tegels in Marrakech of het Alhambra in Granada tegenkomt. Typisch islamitische geometrische decoratie. Samen met Jezus zit Maria op een troon die bekleed is met dezelfde motieven in goud en andere kleuren zijde – de kruizen krijgen hier een symbolische draai, als verwijzing naar de kruisiging van Christus.

In andere belangrijke werken van Duccio, zoals de Maestà (het gigantische altaar in de kathedraal van Siena) en de Rucellai Madonna, in de Uffizi in Florence, komen die decoraties terug.

Textielfragment met kleine bloemen en bladeren, goud geweven op witte zijde, Centraal Azië (Iran). Dergelijke stoffen zijn veel verbeeld in de mantels van Maria en heiligen in de Renaissance.

Uit de collectie van paus Benedictus XI, 13de eeuw, Metropolitan Museum of Art

Een variant is het fenomeen van pseudo-Arabische letters, geborduurd in dure stoffen, die ‘tiraz’ werden genoemd (van het Perzische woord tarazidan, borduren). Soms zijn er fragmenten van woorden leesbaar, bijvoorbeeld al-mulk, wat ‘de kracht is van God’ betekent, maar meestal zijn het decoratief bedoelde nepletters.

Het is natuurlijk allemaal verf, een suggestie van zijde, fluweel, van borduursels en van islamitische motieven en letters, maar de echte voorbeelden waren voorhanden in Siena. De stad, economisch in bloei in de 13de eeuw, was een financieel centrum en een handelsstad op de pelgrimsroute van Canterbury naar Rome, de Via Francigena. En bovendien een knooppunt in de zijderoute, het netwerk van handelssteden tussen Italië, het Midden-Oosten, India en China.

Digitale reconstructie van 'de Maestá' van Duccio, het hoofdaltaar dat hij in 1308-11 maakte voor de Duomo van Siena. Het altaar is ontmanteld in de 18de eeuw, de delen verspreid geraakt over de hele wereld. In de tentoonstelling zijn voor het eerst alle acht predella's (voorstellingen aan de onderzijde) van de achterkant van het altaar bijeengebracht, naast verschillende andere delen.

via Wikimedia Commons

De contacten reikten dus nog veel verder dan alleen het nabije Oosten. Na de dood van de Mongoolse heerser Dzjengis Khan in 1227 ontstond een periode van veilige toegang tot het Mongoolse Rijk over land voor handel, missie en diplomatie. Die duurde ongeveer een eeuw. Italiaanse franciscanen en dominicanen gingen op missie naar India en China. De franciscaner monnik Petrus van Siena strandde in Tana, nu deel van Mumbai, en stierf daar – zijn martelaarschap staat afgebeeld op een fresco uit 1325 in de Duomo van Siena. De Perzische stad Tabriz kreeg een dominicaner monnik uit Siena als bisschop.

In deze prekoloniale tijd waren contacten relatief vrij en gelijkwaardig. Het werd normaal om mensen uit het Oosten in Italië te zien; bij het jubileum van paus Bonifatius VIII in 1300 stuurde de heerser van Iran bijvoorbeeld honderd diplomaten met giften naar Rome.

Bartolo di Fredi, Triptiek met de Annunciatie en andere scenes, 1370. Twee predella's uit de Maestá van Duccio, met voorstellingen van Jezus en de Samaritaanse vrouw en de Verleiding van Christus op de berg, beide c. 1308.

The Wyvern Collection, VK, Museum Thyssen-Bornemisza Madrid en The Frick Collection New York)

Die nieuwe opening naar de wereld is tot in de haarvaten van de renaissancekunst zichtbaar. De Siënese schilders, beroemd om hun gebruik van goud, leunden voor hun ‘typisch lokale stijl’ op goud uit West-Afrika, voor het diepe blauw op lapis lazuli uit Badachsjan (in Afghanistan), voor de rode pigmenten op lakluizen uit China en India.

De geliefde Mongoolse stoffen, in Italië panni tartarici genoemd, waren een favoriet van de grote schilders van Siena die in Londen te zien zijn; naast Duccio ook Simone Martini en de broers Ambrogio en Pietro Lorenzetti. Van geruite zijde tot rood fluweel met goud geborduurde plant- en diermotieven. Stukjes van de kostbare oude stoffen zijn ook tentoongesteld.

De Rucellai Madonna van Duccio, 1286, uit de Uffizi in Florence. Niet in de tentoonstelling, wel een topstuk van Duccio. chter Maria op de troon hangt een magnifiek voorbeeld van een zijden kleed met Islamitische geometrische motieven en een zoom van tariz, pseudo-Arabische letters.

via Wikimedia Commons

De Sienese kunstenaars waren de eersten in Europa die de oosterse stoffen en motieven afbeeldden. Ze scherpten zich in de weergave van materialen en hoe licht op de plooien valt. Daarom lijkt alles wat ze uitbeeldden zo ontzettend tastbaar.

Om die stoffen, die in het echt bij wet alleen gedragen mochten worden door de allerhoogste klasse, te vertalen in verf was nogal een uitdaging. Hoe wek je de suggestie van zijde, van borduursel en van fluweel? Om het reliëf te geven werkten de schilders met pasta’s, gesso, en het bladgoud werd op én onder de verf aangebracht. Soms werd gekleurde verf weggeschraapt – een techniek die sgraffito heet – om een decoratie te maken waarin het onderliggende bladgoud zichtbaar werd.

Siena had een goed werkende democratie in deze periode: onlangs nog gaf fiscalist Reinier Kooiman in een pleidooi voor afschaffing van alle belasting in de Volkskrant het belastingstelsel in 13de-eeuws Siena als voorbeeld. De stad werd van 1287 tot 1355 geregeerd door negen verkozen mannen, Il Nove, die samenleefden in het Palazzo Pubblico, aan dat uitzonderlijke, komvormige centrale stadsplein. Zij vormden de Buon Governo en wisselden in hoog tempo; elke twee maanden werden er negen nieuwe mannen verkozen.

Zo maakten talloze Siënese mannen deel uit van de raad die de leiders benoemden in het financiële circuit, de rechtspraak en ridderorde. Het was een uitzonderlijk stabiele regeervorm die leunde op samenwerking en een breed net van connecties.

In het schilderij van Martini zie je de invloed van de Arabische wereld.

Je ziet goud geïmporteerd uit West-Afrika.

Afgebeeld op het schilderij zie je blauw gemaakt van lapis lazuli uit Badachsjan (nu Afghanistan).

Ook zie je tariz - pseudo-Arabische letters - als decoratie langs de zomen van hun mantels, schilderde Simone Martini de Heilige familie. 

We zien een zeldzaam puberale Jezus; armen voor zijn borst gevouwen, een opstandige blik in zijn ogen.

In Latijn staat er een tekst met de strekking: 'zoon, waarom doe je ons dit aan?'

Zijn bezorgde ouders waren hem kwijt en geven hem op z'n donder - de jonge tiener bleek te staan preken in de tempel van Jeruzalem. 

Bijkomstig voordeel: het was een vruchtbare grond voor artistieke ontwikkeling. De drie grote trekpleisters die toen gebouwd werden – het Palazzo Pubblico, de kathedraal (met een prachtig in wit en groen marmer gestreept interieur) en het ziekenhuis Santa Maria della Scala, nu een museum – waren grote opdrachtgevers, zodat er onder kunstenaars levendige concurrentie was. Voor hen was de verbinding met de rest van de wereld een gegeven; ze kwamen behalve met materialen ook in aanraking met kunst die uit China en andere culturen werd meegebracht.

Typisch Siënees zijn ook de kleine reisaltaartjes die er werden gemaakt en die makkelijk door pelgrims konden worden meegenomen. Daarvan zijn mooie voorbeelden in Londen te zien.

Pietro Lorenzetti, De geboorte van de Maagd, 1335-45.

Museo dellÓpera della Metropolitano, studio Lensini Siena

Hoe diep die internationale invloed is verankerd, was vorige week te zien bij de begrafenis van paus Franciscus. Een relatief sobere uitvaart voor een paus die zich liet vernoemen naar de ascetische Franciscus van Assisi, in wiens naam begin 13de eeuw een kathedraal verrees om de hoek van Siena, beschilderd door Giotto en ook door Siënese schilders.

De Britse kunsthistoricus Margaret Squires wees er in The Art Newspaper op: er werden wat protocollen geskipt bij de uitvaart, maar een traditie stond overeind; het gebruik van oosterse tapijten op cruciale plekken, zoals onder de doodskist van de paus.

In deze traditie, die sinds de 14de eeuw bestaat, symboliseert het tapijt een heilige grond. Trek toch uwe schoenen uit, want de plaats waar gij staat is heilig. Een christelijke boodschap in een oosterse vorm: dat fenomeen vind je terug in de schilderkunst, en dat begon in Siena.

Niccolò di Buanaccorso, Het huwelijk van de Maagd, c. 1380. Het echtpaar staat op een vlakgeweven tapijt met vogelmotieven zoals die uit Anatolië (nu Turkije) werden geïmporteerd.

National Gallery Londen, via Wikimedia Commons

In The National Gallery hangt daarvan een van de vroegste voorbeelden. Op De bruiloft van de Maagd (1380) van Niccolò di Buonaccorso trouwen Maria en Jozef terwijl ze op een kleurrijk gedecoreerd tapijt staan. De eerste voorbeelden van Anatolische en Perzische tapijten in Europese kunst zijn alleen te vinden op religieuze schilderijen. Lang werd aangenomen dat tapijten vooral een statussymbool waren, zoals ze dat zijn op latere Hollandse schilderijen – bedoeld om de rijkdom van de burgers te tonen.

Kunsthistoricus Lauren Arnold van de Universiteit van San Francisco leek dat onzin. Zij maakte ‘The Carpet Index’, een online index met ruim 350 voorbeelden van oosterse tapijten in Europese kunst.

Werkelijk alles op de religieuze schilderijen in de renaissance is verzadigd van symbolische betekenis, schrijft Arnold, van het blauw van de mantel van Maria tot de witte lelies aan haar voeten – behálve de afgebeelde oosterse tapijten?

Simone Martini, De Annunciatie, 1326-34, KMSKA Antwerpen, foto door Hugo Maertens

‘This hardly seems likely’, schreef ze in 2014 in een artikel voor The Silk Road Foundation. Ze betoogde overtuigend dat de betekenis van het tapijt als heilige grond uit Azië was meegenomen naar Europa, en daar werd ‘vertaald’ naar de christelijke iconografie. Voorbeelden te over in Londen.

Hoe een detail de wereld over reist en steeds nieuwe betekenis krijgt door lokale toepassing, is in de kunst van de renaissance zo veelvoorkomend dat je er gerust een puzzel van kunt maken. In The National Gallery of, uiteraard, bij een bezoek aan de stad zelf.

Wat komt oorspronkelijk waar vandaan?

Motieven van wijnranken op Mongoolse stoffen kregen betekenis als verwijzing naar de eucharistie op mantels van bisschoppen.

De Chinese mythische vogel fenghuang, verwant aan de fenix, werd afgebeeld op het zijde van Maria’s kleding om wedergeboorte te symboliseren.

Aan het einde van de periode die in de tentoonstelling centraal staat, zo rond 1350, namen de Italiaanse producenten het over. Wevers in Venetië en Lucca gingen zijde en satijn imiteren, net als de islamitische en Aziatische motieven. Wat van ver kwam, kreeg een lokale variant. Maar juist door te kiezen voor de bloeiperiode van 1300 tot 1350 wordt in Londen de ontstaansgeschiedenis van de westerse bakermat zichtbaar – en hoe weinig westers die eigenlijk is.

Siena: The Rise of Painting is tot 22/6 te zien in The National Gallery in Londen.

Ruim baan voor de ‘bizar gespierde blote mannen’ van renaissanceschilder Maarten van Heemskerck

Drie musea, één tentoonstelling: Nederland is klaar voor Maarten van Heemskerck, weten kenners. Eindelijk wordt het extravagante, on-Hollandse werk van de renaissanceschilder op waarde geschat. Euh, heeft zijn Christus nou een erectie?

Het romantiseren van seksueel geweld heeft een lange geschiedenis in de westerse kunst

In Museum Gouda is de tentoonstelling Susanna: van middeleeuwen tot MeToo te zien. Volkskrant-criticus Wieteke van Zeil ging kijken en ziet een verontrustend patroon in hoe er sinds de Bijbel en de Grieken over de seksuele omgang met vrouwen wordt gedacht.

‘Christendom en Slavernij’ maakt een pijnlijke realiteit enigszins te verdragen

In Museum Catharijneconvent zijn beelden te zien die een licht schijnen op de relatie tussen christelijke instituten en de slavernij. Niet eerder is er in een tentoonstelling zo diepgaand aandacht geweest voor deze vervlochtenheid.

Source: Volkskrant

Previous

Next