In 1945 verschoof Polen een heel stuk naar het westen, een geschiedenis die nog altijd haar weerslag heeft op de huidige inwoners. Voelen de Polen die destijds gedwongen werden naar voormalig Duits grondgebied te verhuizen zich na tachtig jaar eindelijk thuis?
Door Arnout le Clercq
Fotografie Piotr Małecki
Władysław Dobrołowicz (99) was voor zijn 20ste al tweemaal aan het noodlot ontkomen – en toen moest zijn 1.000 kilometer lange tocht door naoorlogs Polen nog beginnen. Hij was ontsnapt aan een transport met dwangarbeiders naar Duitsland en had na een tyfusinfectie op het randje van de dood gezweefd.
In de koele woonkamer van het familiehuis in Radoszyn, in het uiterste westen van het hedendaagse Polen, vertelt hij een mensenleven later over het jaar 1945. Over het einde van de oorlog en hoe hij, samen met miljoenen andere Polen, hun huizen in het oosten moesten verlaten voor een ongewisse toekomst in het westen. Boven hun hoofd werden de grenzen namelijk hertekend, het land werd honderden kilometers verplaatst – en de Polen moesten mee.
De Duitse capitulatie op 8 mei 1945 markeerde het einde van de Tweede Wereldoorlog in Europa. Op sommige plekken, zoals het bevrijde Nederland, gingen mensen feestend de straat op. In andere delen van Europa, zoals in Polen, zag het bevrijdingsjaar er heel anders uit.
Gedurende zes jaren van oorlog en bezetting – in september 1939 vielen zowel nazi-Duitsland als de Sovjet-Unie Polen binnen en deelden het land op – werden zes miljoen inwoners van het vooroorlogse Polen, van wie de helft Joden, vermoord – bijna een vijfde van de bevolking. Van de overlevenden waren tallozen ontheemd, steden lagen in puin.
Władysław Dobrołowicz (en zijn kleindochter Agata Tumiłowicz-Mazur) bij zijn huis in het Poolse Radoszyn.
Weinig landen zijn zo getekend door de gewelddadige 20ste eeuw als Polen, een geschiedenis die nog altijd doorwerkt in het heden. In familieverhalen speelt de grilligheid van het lot een hoofdrol, de oorlogsgeneratie was een speelbal van hogere machten. Het maakt Polen vandaag de dag nog gevoelig en ongerust over grootmachtpolitiek, zoals de Russische oorlog tegen Oekraïne en het kwikzilverachtige Witte Huis: in maart liet de Amerikaanse vicepresident Vance doorschemeren dat gebiedsconcessies door Kyiv in zijn ogen onvermijdelijk zijn.
Op de verschrikkingen van de oorlog volgde een nieuwe chaotische periode waarin landsgrenzen veranderden. Stalin wilde de oostelijke Poolse gebieden houden die hij in 1939 had geannexeerd, Polen zou daarvoor Duitse gebieden in het westen terugkrijgen. Dit werd met de andere geallieerden besproken op de conferentie van Jalta in februari 1945 en ruim vijf maanden later bezegeld op de conferentie van Potsdam. Het hele land kwam binnen de invloedssfeer van de Sovjets – en schoof op naar het westen. Er kwam een volksverhuizing op gang: eerst van miljoenen verdreven Duitsers, en in hun kielzog miljoenen Polen die hun plaats innamen.
‘Repatrianten’, noemden de nieuwe communistische machthebbers in Polen hen, alsof ze terugkeerden naar hun vaderland, in plaats van het onbekende tegemoet. Met de naam ‘Herwonnen Gebieden’ werden de nieuwe regio’s van een ideologisch jasje voorzien: dit land was altijd al Pools geweest, ging het verhaal op basis van middeleeuwse geschiedenis. En nu keerden Polen als Władysław ‘terug’ op een plek waar ze nog nooit van hadden gehoord, in het huis van iemand anders.
Władysław loopt naar de donkere kast in de woonkamer, pakt een kammetje, haalt het door zijn dunne haren, en vertelt. ‘Ik was zwak’, herinnert hij zich, over het einde van de oorlog. Hij moest twee jaar dwangarbeid verrichten voor de Duitse bezetter, vlak bij zijn geboortedorp in het oosten van vooroorlogs Polen, naast het plaatsje Traby, tegenwoordig in Belarus.
‘Ze behandelden Polen als slaven. Ze sloegen ons.’ Hij slikt even. Als in 1944 het Rode Leger nadert, slaan de Duitsers op de vlucht en nemen de dwangarbeiders mee. Władysław wist te ontsnappen: op het juiste moment had een van de Duitsers – ‘een goede man’ – hem weggestuurd. Toen hij terugkwam, waren ze weg.
De grenzen van Polen tussen de twee wereldoorlogen.
De grenzen van Polen tussen de twee wereldoorlogen.
Een Poolse verzetsgroep wilde hem rekruteren voor het gevecht tegen de nieuwe bezetter: de Sovjets. Maar Władysław werd ziek, hij kreeg tyfus en belandde in het ziekenhuis. ‘Volgens de arts was ik ten dode opgeschreven.’
Ondertussen verschoven de grenzen. Terug in zijn dorp en herstellende, hoorde hij het nieuws via een van de vertegenwoordigers van de nieuwe communistische Poolse regering. Die trokken het voorjaar en zomer rond in de oostelijke gebieden om Polen te vertellen dat ze naar het westen moesten. Władysław ging vrijwillig, stelt hij – althans, hij was opnieuw op de vlucht: hij vreesde dat de NKVD (voorloper van de KGB) hem zou zoeken wegens zijn banden met het Poolse verzet.
Een echte keuze was er niet voor de Polen in dit deel van hun land dat nu de Sovjet-Unie was geworden: wie niet vrijwillig ging, werd op den duur gedwongen. Władysław doorkruiste het hele land, naar Poznań. Vervolgens kregen ze een woonplaats toegewezen: Szczecin, niet ver van Berlijn. ‘Maar we waren bang dat de Duitsers terug zouden komen.’
Liever wilden ze naar een plek dicht bij de oude Duits-Poolse grens. Samen met anderen zamelden ze ‘prachtige hammen’ in, iemand had nog een gouden muntstuk. Om naar een andere plaats te mogen werden de ambtenaren omgekocht. ‘Zo kwam ik hier terecht, in Radoszyn.’
‘Ook deze wijnranken waren vroeger Duits.’ Kleindochter Agata Tumiłowicz-Mazur (36) wijst op de planten die opklimmen tegen de houten veranda voor het huis. Het Pools heeft een apart woord voor al die Duitse sporen: poniemieckie, ‘voormalig Duits’. Zij groeide op in Jelenia Góra, in het zuidwesten van Polen. Alle vier haar grootouders kwamen in 1945 naar het westen. Ze bracht haar zomervakanties in dit huis door, tussen de verhalen van vroeger.
Agata Tumiłowicz-Mazur.
Het eerste moment waarop Agata besefte dat er iets niet helemaal klopte, een vroege herinnering, vond hier plaats. ‘Ik was 5 of 6, mijn grootmoeder werd plotseling heel bang. Dat maakte mij weer bang, want ze was een heel sterke vrouw. ‘De Duitsers zijn gekomen’, zei ze. ‘Ze wijzen naar het huis.’ Ze deed de deur op slot, en ik keek door het sleutelgat naar de mensen op straat.’
Mogelijk waren het Duitsers die na de val van de Muur terugkeerden. Als academica doet ze nu onderzoek naar de geschiedenis van haar geboortestreek en de Duitse sporen. ‘Hier opgroeien is alsof je in één groot archief bent, maar dan zonder catalogus.’
Er valt dan ook niet één verhaal te vertellen over het jaar 1945 of over deze gebieden, zegt etnograaf Karolina Ćwiek-Rogalska op het Instituut voor Slavische Studies in Warschau. ‘Het is een mozaïek.’ Ze doet onderzoek naar de nieuwe gemeenschappen in de Herwonnen Gebieden en publiceerde er vorig jaar een omvangrijk boek over.
Zelf groeide ze op in Wałcz, een voormalig Duits plaatsje in het noordwesten van Polen. Een vroege herinnering is die van de watertoren naast het station. Daarop stond in grote letters de Poolse plaatsnaam, maar door het jarenlange afbladderen van de verf werden opnieuw de contouren zichtbaar van ‘Deutsch Krone’, de Duitse gemeentenaam.
Soms worden de Polen in deze gebieden beschreven als vreemden in eigen land, nooit op hun gemak. Maar dat ligt genuanceerder, weet Ćwiek-Rogalska. ‘Er zijn verhalen van mensen die jarenlang hun koffers niet hebben uitgepakt, met de gedachte opnieuw te moeten verplaatsen. Maar anderen voelden zich snel thuis.’
Behalve de ontwortelde Polen uit het oosten kwamen er ook mensen uit het midden van het land, op zoek naar betere kansen na de verwoestende oorlog, zoals de grootouders van Ćwiek-Rogalska.
Een ontmoeting in het plaatsje Świdnica dreigt te ontaarden in chaos. Twaalf mensen van de universiteit voor ouderenonderwijs zijn afgekomen op een verzoek om te praten over hun familiegeschiedenis. Iedereen wil zijn verhaal kwijt, mensen spreken elkaar tegen over hoe het was, of brommen juist instemmend. Een koorzang van de Poolse geschiedenis.
Deze verhalen komen niet vaak ter sprake, zegt directeur Wiesław Łabecki. ‘Maar als we eenmaal beginnen, is er geen houden aan. Dan is het een uitbarsting.’
‘Ze deporteerden hele Poolse dorpen, zoals dat van mijn schoonouders’, zegt Barbara (63). Ze heeft een kopie meegenomen van het document waarop de Sovjets het schamele aantal bezittingen hadden genoteerd dat mee mocht naar het westen. Kazimierz (86): ‘Mijn familie is uitgewaaierd over alle nieuwe Poolse gebieden.’
Irena (72) voelt zich door haar vader nog altijd verbonden met zijn geboortestreek in het huidige Oekraïne. ‘Het was niet de bedoeling dat we over die geschiedenis spraken. Mijn ouders zeiden dat ik het buitenshuis niet mocht noemen.’ Kazimierz: ‘Het is een tragedie voor de Duitsers. Maar wat ons is overkomen is ook een tragedie.’
Het plaatsje Świdnica.
De communistische regering probeerde orde te scheppen in de chaos, zegt etnograaf Ćwiek-Rogalska. Er kwam een speciaal instituut, dat met kaarten en plannen probeerde de volksverhuizing in goede banen te leiden. Zo kwam het voor dat gehele dorpen werden verplaatst naar een nieuwe plek. Er werd zelfs een speciale commissie in het leven geroepen om nieuwe plaatsnamen te bedenken.
Dan nog hadden de autoriteiten niet altijd grip op de mensen. Ćwiek-Rogalska vertelt over een familie die samen met haar bijenkorven stapvoets in de trein naar het westen reisde. ‘De zwerm bijen maakte zich los van de korf en vloog naar buiten. De familie kon niet zonder de bijen, dus stapten ze uit en volgden de zwerm totdat ze deze weer hadden gevangen. Daarna trokken ze in een huis in het dichtstbijzijnde dorp.’
Toen Władysław in juli 1945 aankwam in Radoszyn, was het dorp zo goed als leeg. De Duitsers waren verdreven en hadden een deel van hun spullen meegenomen. Ook hadden plunderaars toegeslagen, een vast element van het leven in de nieuwe gebieden na de oorlog.
In het dorp was nog één Duitser, Katschmarek, ‘die deed alsof hij Pools was’. Maar de akkers waren ingezaaid en de velden stonden die zomer in volle bloei. ‘Katschmarek liet ons zien waar ze de landbouwwerktuigen hadden verstopt en hoe ze werkten.’
Het dorp zag er ‘volslagen anders’ uit dan waar ze vandaan kwamen. Grotere huizen, van baksteen in plaats van hout. Daar troffen ze ‘oude kranten, boeken’ aan, ‘een tafel en stoelen. Het servies lag op de vloer.’ Er was geen tijd om bij stil te staan. ‘We ruimden op’, vertelt Władysław. ‘We moesten verder met ons leven.’
‘We waren blij dat we het hadden overleefd’, zegt ook Stanisława Sarycz (95). De elegante oude vrouw zit in een kamer van het stadsmuseum in Wrocław. Nadat de Sovjets in 1939 het oosten van Polen hadden bezet, werden 320 duizend Polen gedeporteerd naar de goelags in Siberië.
‘Het was nacht toen ze kwamen’, herinnert Sarycz zich. ‘En het was koud.’ De treinreis duurde een maand. ‘Eén keer per dag kregen we ‘soep’, water met bloem. Wanneer iemand stierf, en dat waren vooral kinderen, werden ze uit de trein in de sneeuw gegooid.’
Stanisława Sarycz (95); resten van een Duits verleden in het centrum van Wrocław (voorheen Breslau); Stanisława Sarycz en Ryszard Janosz in het het stadsmuseum in Wrocław, in een replica van een treinwagon die in 1945 Polen naar het westen vervoerde.
Aangekomen in het kamp zeiden de Sovjets: ‘Jullie zullen Polen nooit meer zien. Polen bestaat niet meer.’ Twee jaar brachten Sarycz en haar familie op de taiga door. Ze verloor haar 20-jarige zus en haar 8-jarige broertje. Aan het einde van de oorlog werden de Polen uit de goelags gehaald om de nieuwe gebieden te bevolken. Sarycz werd opnieuw gedeporteerd, ditmaal naar het veroverde Breslau, dat nu Wrocław heette.
‘De stad lag in puin, er waren enkel ruïnes. Er werd nog geschoten. Sovjetsoldaten verkrachtten vrouwen. We gingen nooit alleen over straat’, zegt Sarycz. Ze vond een voormalig Duits huis, in een mooie buitenwijk. ‘Na alles wat we hadden meegemaakt, hadden we geen scrupules. We hadden het gevoel dat dit ons toekwam.’
Terug wilde ze nooit. ‘Ik was zo bang voor de Russen.’ Ze kijkt met angst naar de huidige oorlog in Oekraïne. ‘Je weet nooit wat er kan gebeuren. Ik wil niet dat mijn kinderen en kleinkinderen hetzelfde moeten meemaken als wij. En ik weet niet of ze even sterk zijn als wij.’
Bij het huis dat de ouders van kleindochter Agata begin jaren negentig kochten in Jelenia Góra, hoorde een waarschuwing: er lag een bom op zolder. Een Duitse blindganger, nog van de oorlog. Haar ouders lieten dit deel van de zolder ongemoeid.
Maar toen Agata in 2017 samen met haar echtgenoot het huis opknapte, besloot ze toch de zolder op te gaan. De bom ging af – in metaforische zin. Ze vonden oude gasmaskers, Duitse boeken, bladmuziek, brieven, een dagboek. Twee notarisborden: eentje in het Duits, het ander van de Poolse opvolger.
Bij het opknappen van hun huis vonden Agata Tumiłowicz-Mazur en haar echtgenoot op zolder oude gasmaskers, Duitse boeken, bladmuziek, brieven, een dagboek en twee notarisborden.
Agata herinnert zich de vondst als ‘iets overweldigends’, zegt ze, terwijl ze de zolder laat zien. Het huis had nóg een verrassing in petto. Bij het verven van de muren bleken achter het oude behang Duitse kranten als onderlaag te dienen.
‘Je denkt dat je het huis kent en dan blijkt dat niet zo te zijn. Het was een intense ervaring, het voelde plotseling alsof deze plek je niet toebehoort. Ik kon niet langer onverschillig zijn tegenover deze objecten en deze geschiedenis, ze verdienden een stem. Daarom ging ik erover schrijven.’
Etnograaf Ćwiek-Rogalska leidt een nieuw onderzoeksproject, waarbij ze deze sporen benadert als spoken. ‘Een van mijn geïnterviewden zei: ze komen terug. Hij doelde niet op de Duitsers, maar op hun sporen.’ Ze omschrijven als spoken ‘is een manier om iets te grijpen wat ongrijpbaar is. Het voelt als losse draden. Waarom staat er een boomgaard midden in een bos? Waarom hebben we inscripties in onze kledingkasten met ‘Deutsch Krone’ erop, of servies met swastika’s? De voorwerpen dagen ons uit om na te denken over wat er voor ons was.’
Zelf kwam ze er tijdens haar onderzoek achter dat een van haar favoriete speeltuinen uit haar kindertijd zich boven op een Duitse begraafplaats bevond. ‘Het idee dat je op het graf van Duitse doden speelt is heel onthutsend. Tegelijkertijd heb ik heel fijne herinneringen aan die plek.’
Agata laat een oude Duitse begraafplaats zien in Radoszyn.
Een jaar nadat Władysław was neergestreken in het westen, kwam zijn vader Piotr met de rest van de familie. De Sovjets hadden hun boerderij onteigend, de familie Dobrołowicz werd hier een nieuwe boerderij in het vooruitzicht gesteld. Ze namen hun vee mee. ‘Met de trein’, vertelt Władysław. ‘Voor elke familie en hun dieren was er één wagon.’
Praten over het verleden, zoals nu, dat deed men destijds niet, zegt hij. ‘Daar was geen tijd voor. We moesten samenwerken, de samenleving opbouwen.’
Er kwam leven in de brouwerij. ‘Er was een koffietentje, ’s avonds organiseerden ze dansfeesten. Mensen wilden na de oorlog tijd met elkaar doorbrengen en samenkomen.’ Terugblikkend benadrukt Władysław de positieve kanten van hoe zijn leven is gelopen. ‘In mijn dorp was ik misschien smid geworden, voor de oorlog uitbrak kreeg ik al een leerplek aangeboden. Maar hier kon ik economie studeren.’
Later vond hij een baan bij de Poolse spoorwegen. ‘De PRL (Volksrepubliek Polen, red.) schiep geen rijke mensen’, zegt hij. ‘Maar er was werk. Je kon trouwen, je eigen familie beginnen.’
Thuis in Radoszyn bekijkt Władysław oude familiefoto’s.
Heimwee zegt hij niet te hebben, hoewel hij door de jaren heen een aantal keer is teruggegaan. Op tafel in Radoszyn liggen familiefoto’s, zwart-wit, de randen verkleurd door de tijd. Władysławs eigen familie, met z’n allen voor hun eerste huis in Radoszyn. De familie van zijn toekomstige echtgenote, pal voor de houten veranda waar nog altijd ‘Duitse’ wijnranken tegenop klimmen.
Władysław pakt een loep en tuurt aandachtig naar het verleden. Een foto van hemzelf, een knappe jonge man op zijn hurken, hij kijkt blij naar de camera. Eind jaren veertig. Zijn twee oudste kinderen staan naast hem. Op de achtergrond de weidse velden waarin ze aarden.
Tachtig jaar geleden kwam de Tweede Wereldoorlog ten einde. Er zijn steeds minder mensen die uit eigen ervaring over de oorlog kunnen vertellen. De Volkskrant sprak met zes van deze laatste ooggetuigen.
De rubriek Beeldvormers onderzoekt hoe een foto onze kijk op de werkelijkheid beïnvloedt. Deze week: de anti-dictatoriale Poolse vlaggen van weleer komen Poetin nu heel goed uit.
Het aantal wapenvergunningen in Polen neemt snel toe vanwege de Russische agressie in Oost-Europa. Op de schietbaan klinken tussen de schoten zorgen over de toekomst van het land. ‘Ik voel me niet per se veiliger met een vuurwapen. Maar ik voel me wel krachtiger.’
Source: Volkskrant