Aan het onderhouden van hechte vriendschappen kunnen, voor gorilla’s althans, ook nadelen kleven. Dat blijkt uit een onderzoek naar berggorilla’s in Rwanda – waarbij een opvallend verschil tussen mannen en vrouwen werd gevonden.
Hanneke de Klerck is wetenschapsredacteur van de Volkskrant.
Weinig mensen kunnen zonder vriendschappen en wie vrienden heeft, leeft langer en gezonder. Maar vriendschappen zijn niet altijd zonder nadelen. Een nieuwe studie naar de sociale banden van gorilla’s, naaste verwanten van de mens, laat zien dat het nogal uitmaakt wat de omstandigheden zijn. Het is niet alleen maar gunstig om veel en hechte vriendschappen te onderhouden – in elk geval voor gorilla’s.
Voor het onderzoek, deze week gepubliceerd in PNAS, hebben wetenschappers van het Dian Fossey Gorilla Fund en de universiteiten van Zürich en Exeter data geanalyseerd uit ruim twintig jaar veldonderzoek bij 164 berggorilla’s. De dieren leven in het Volcanoes National Park in het noordwesten van Rwanda, waar gorilla’s al sinds 1967 worden geobserveerd. Indertijd is de Amerikaanse primatoloog Dian Fossey, die in 1985 in het park werd vermoord, daarmee begonnen. Zij schreef het boek Gorillas in the Mist over de populatie, die in het begin maar rond dertig individuen groot was.
Bijzonder aan de studie naar sociale banden is dat de onderzoekers niet alleen hebben gekeken naar hoe individuele gorilla’s met hun drie belangrijkste contacten omgingen, maar ook naar de kenmerken van de groepen waarin ze leefden. Die zijn in de loop van een gorillaleven niet altijd dezelfde: vrouwen zoeken geregeld aansluiting bij een nieuwe groep, terwijl mannen meestal in de groep blijven waarin ze geboren zijn, totdat ze leider worden van een eigen groep. Ook komt het voor dat groepen uit elkaar vallen.
Een van de opvallende bevindingen uit het onderzoek is dat gorillavrouwen van sociale banden lijken te profiteren, maar mannen niet per se. Vrouwen met sterke, stabiele bondgenootschappen worden minder ziek, mannen juist meer, al raken ze wel minder vaak gewond in gevechten met andere mannen. Ook werd gevonden dat vrouwen in grote groepen vaker ziek werden, maar meer jongen kregen dan vrouwen in kleine groepen. Voor hen gold precies het omgekeerde: minder vaak ziek, maar ook minder jongen.
Die variatie in hoe bondgenootschappen in verschillende omstandigheden uitpakken, zou het begin van een verklaring kunnen zijn voor het grote verschil in sociaal gedrag bij groepsdieren, waaronder mensen. Ook bij mensen beïnvloeden vriendschappen hun welbevinden en ook bij hen maakt het uit tot welke grotere groep ze behoren. Als de mores in zo’n groep veranderen, kunnen mensen hun gedrag daaraan aanpassen, of zich aansluiten bij een andere sociale groep, waar ze meer profijt hebben van hun eigen sociale gedrag.
Mariska Kret is hoogleraar vergelijkende psychologie en affectieve neurowetenschappen aan de Universiteit Leiden. Ze onderzoekt niet alleen emoties bij de mens, maar ook bij de nauw aan de mens verwante mensapen. De studie in PNAS noemt ze mooi, door de duur ervan, het aantal bestudeerde individuen en de verschillende manieren waarop is gemeten hoe sociaal de bestudeerde gorilla’s zijn.
‘Zeker omdat het om een naaste verwant gaat, zijn de verbanden sterk. Om écht wat te kunnen zeggen over de evolutionaire functie van deze sociale parameters is meer onderzoek nodig, vooral een directe vergelijking tussen de mensapensoorten, de mens incluis. Alle soorten hebben namelijk een unieke sociale structuur: chimpansees en bonobo’s leven in een groep met een hiërarchische structuur en een mannelijke respectievelijk vrouwelijke alfa; mensen leven (het vaakst) in gezinsvorm, vergelijkbaar met gibbons, orang-oetans zijn semi-solitair en gorilla’s leven in harems geleid door een grote zilverrug.’
De hypothese waarmee de onderzoekers begonnen was dat gorilla’s met sterke, stabiele banden met hun drie favoriete soortgenoten minder snel ziek zouden worden of gewond zouden raken, omdat die sleutelfiguren hen helpen en steunen.
Dat bleek alleen te gelden voor vrouwen. Dat zou kunnen komen doordat hun immuunsysteem anders werkt. Daarnaast of daarbij hebben vrouwen mogelijk meer profijt van banden met anderen, vooral mannen, dan omgekeerd. Vrouwen die bevriend waren met een man kwamen makkelijker aan voedsel.
Voor mannen die bevriend waren met een vrouw gold juist dat hun leven wat moeilijker werd: ze moesten andere mannen verjagen. De onderzoekers vermoeden dat ze daardoor stress ervaren, of dat juist de mannen die banden met vrouwen aangaan wat dominanter zijn en daardoor gevoeliger voor stress. Dat zou deels kunnen verklaren waarom ze vaker ziek werden: stress kan het immuunsysteem aantasten.
Hun vriendschappen beschermen sociale mannen wel tegen stress, maar misschien niet voldoende omdat ze door hun sociale contacten ook meer worden blootgesteld aan infecties. Daar staat weer tegenover dat ze minder vaak gewond raken, omdat ze bondgenoten hebben als het tot gevechten komt met mannen binnen of buiten de groep. Het effect werd vooral gevonden bij jonge mannen die leefden in groepen met verschillende mannen en die alleen met mannen vriendschappen onderhielden.
‘Erg interessant’, noemt Kret dat effect. ‘Vrienden geven niet alleen praktische voordelen, maar een enorme psychologische buffer. Ik denk dat er in de geneeskunde ook meer oog zou moeten zijn voor de effecten van psychosociale factoren en dat deze zeer serieus moeten worden genomen. We zijn sociale dieren, geen robots.’
Luister hieronder naar onze wetenschapspodcast Ondertussen in de kosmos. Kijk voor al onze podcasts op volkskrant.nl/podcasts.
Alles over wetenschap vindt u hier.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant