Home

De tovenaarsworkshop

Mijn Suriname Soortkill, Karin Amatmoekrim, Raoul de Jong en Nina Jurna over hun band met Suriname. „Het Koto Museum is de eerste plek waar me luid en duidelijk verteld werd dat ik niet afstam van ‘slaven’.”

Tien jaar geleden was het Koto Museum het eerste museum dat ik bezocht in Paramaribo waarvan ik niet onmiddellijk al mijn geloof in de mensheid verloor. Ik was 31 en voor het eerst in mijn leven in het land waar de helft van mijn voorouders werd geboren. Ik hoopte daar uit te vogelen hoe die voorouders erin waren geslaagd mij dit leven door te geven, ondanks alle gruwelen die ze hadden moeten doorstaan. Maar in alle musea en archieven die ik bezocht, stuitte ik op een muur van duisternis. Ik vond slavenhalsbanden, martelwerktuigen en geweren, lijstjes en afschriften waarin mensen als mijn voorouders slechts nummertjes waren, en las talloze boekjes waarin Nederlandse, Engelse en Duitse missionarissen en plantage-eigenaren die voorouders beschreven als het laagste, domste, kwaadaardigste soort mens dat er bestaat; net iets minder dan een mens, een ‘slaaf’. Alles bij elkaar gaf het vooral een goed beeld van hoe misdadig Europeanen zich in Suriname hadden gedragen, maar hoe Surinamers al dit geweld hadden overleefd, en met welke krachten, dat werd nergens verteld. Tot ik op een middag het Koto Museum binnenstapte.

NRC Magazine #38 Suriname

Suriname is dit jaar 50 jaar onafhankelijk. In NRC Magazine #38 een ode aan de Surinaamse cultuur, natuur en stijl. Lees hier

Het was gevestigd in een wit houten gebouwtje op nummer 43 in de Prinsessestraat. De eigenaresse leek op een koningin. Ze was een soort panter, met groene ogen, strak naar achteren gekamd haar, bijeengehouden door een haarclip. Haar naam was Christine van Russel-Henar. Madame Christine zou ik haar willen noemen, een eretitel.

Het museum had twee verdiepingen en was ingericht met paspoppen in de traditionele Surinaamse klederdracht die ik tot dan toe vooral kende van Gerda Havertong, de koto. De koto is de rok. Daarbij horen een jasje, een yaki, en een hoofddoek, een angisa. De koto ontstond tijdens de slavernij. Volgens één versie van het verhaal omdat Europese vrouwen zo zorgden dat ‘slavinnen’ er zo onaantrekkelijk mogelijk uitzagen. De koto gaf hun een bochel en een dikke kont. „Maar je moet onze oma’s niet onderschatten”, lachte Madame Christine. „Ze maakten er hun eigen ding van.”

Door Nederlandse ogen ziet zo’n koto er vooral gezellig uit, maar terwijl Madame Christine me leidde langs de paspoppen begreep ik dat in dit museum niets was wat het leek: de koto werd gebruikt om recht onder de neus van de onderdrukker allerlei geheime boodschappen door te geven.

Elk element had een diepere betekenis. De kleuren van de koto konden bijvoorbeeld worden gebruikt om Afrikaanse goden te vereren die ooit met Afrikanen op slavenschepen waren meegereisd. De bindwijze van de angisa werd gebruikt om gemoedstoestanden uit te drukken, of een bevel, zoals ‘volg me’ of ‘wacht op me op de hoek’. Dit was niet zomaar een museum, begreep ik. Dit was een tovenaarsworkshop, waar je met hulp van Christine werd ingewijd in een aantal van de geheime formules waarmee vrouwen zoals mijn voormoeders Saraatje, Merri en Doortje de hel op aarde hadden overleefd. Het was alsof ze naast me liepen tijdens die rondleiding, alsof ik hen kon zien.

Eeuwenlang was er van alles gedaan om het vuur van vrouwen zoals zij te blussen, maar hun vuur werd al die tijd bewaard en doorgegeven. Door moeders en vaders, opa’s en oma’s en kinderen. Tot het veilig was om dat vuur in het volle daglicht aan de rest van de mensheid te laten zien. Op plekken zoals het Koto Museum. Door mensen als Madame Christine.

Sinds mijn eerste bezoek aan het museum is er in mijn leven van alles groots en magisch gebeurd door het vuur, dat dit museum me gaf, te volgen. Ik schreef een boek, Jaguarman, over de geheime formules waarmee mijn Surinaamse voorouders de slavernij overleefden. Het werd vertaald in het Frans, Duits en Engels, waardoor ik in de afgelopen vijf jaar de hele wereld over werd gekatapulteerd. Jaguarman zorgde er ook voor dat ik in 2023 werd gevraagd als Boekenweekauteur, de eerste met Surinaamse wortels. Op het Boekenbal volgde ik de formules van de heldinnen uit het Koto Museum: ik gebruikte mijn outfit om geheime boodschappen door te geven. Ik droeg een wit pak met een blauwe voering, de kleuren die in het winti-geloof worden gebruikt om de voorouders te eren, en handschoenen met luipaardprint, een kleine verwijzing naar de Kromanti, een van de Afrikaanse beschermgeesten van mijn Surinaamse voorouders.

Tijdens het zaalprogramma voorafgaand aan het Boekenbal werd mijn naam omgeroepen en kreeg ik een spot op me gericht. Een zaal vol met prominente Nederlanders stond voor me op en juichte me toe, als een koning van de Boekenweek. Dat voelde als een overwinning die veel groter was dan alleen ikzelf. Toch was het niet zo bijzonder als toen ik, een maand later aan de andere kant van de oceaan, het Koto Museum weer binnenstapte en daar zingend werd verwelkomd door Madame Christine. Ze wist wat ik gedaan had met het vuur dat zij mij doorgaf en ze bedankte me met een liedje dat zij van haar moeders moeder had geleerd.

Het Koto Museum is een van de plekken waaraan ik denk als ik aan de schoonheid van Suriname denk; de eerste plek waar me luid en duidelijk verteld werd dat ik niet afstam van ‘slaven’ maar van mensen die wisten hoe je vrij kunt zijn, zelfs als al je vrijheid je wordt afgenomen: met humor, stijl, kleur, eigenwijsheid, creativiteit en fantasie. Mensen die wisten dat wij, mensen, net als al het andere leven op aarde, gemaakt zijn om te bloeien en dat alle verhalen die iets anders beweren, sprookjes zijn. Wat je van die mensen kunt leren gaat uiteindelijk niet over Nederland of Suriname, over wit of over zwart, maar over menselijkheid. De afgelopen tien jaar heb ik hun lessen getest, hun vuur zo goed als ik dat kon geprobeerd door te geven, en zowaar mijn naam Raoul de Jong is, kan ik zeggen dat dat mijn leven magisch heeft gemaakt.

Source: NRC

Previous

Next