Home

‘Onze commandant vond dat we Bergen-Belsen moesten zien, zodat we wisten waarvoor we vochten

George Brewster bevrijdde Nederland op zijn 20ste vanuit zijn Spitfire

Tachtig jaar geleden kwam de Tweede Wereldoorlog ten einde. Er zijn steeds minder mensen die uit eigen ervaring over de oorlog kunnen vertellen. De Volkskrant sprak met zes van deze laatste ooggetuigen.

Door Rik Kuiper en Ellen de Visser

Fotografie Stephan Vanfleteren

‘Ik besloot zelf naar Europa te gaan, hè? Ik was niet dienstplichtig! Ik meldde me vrijwillig bij het leger en ik meldde me vrijwillig als piloot van een Spitfire. Iedereen dacht dat ik het niet zou redden, omdat ik een mager klein onderkruipsel was. Maar het lukte. En ik werd een prima piloot en een erg goede schutter.’

George Brewster – 102 jaar oud inmiddels – vertelt nog levendig over de Tweede Wereldoorlog, over het moment dat hij als 20-jarige jongeman vanuit Canada de oceaan over werd gestuurd om daar te helpen de nazi’s te verslaan, over dat prachtige jachtvliegtuig waarmee hij in totaal 66 missies uitvoerde – soms twee of drie op een dag.

Deze week is hij opnieuw in Nederland, ditmaal om met zo’n vijftig andere veteranen uit de Tweede Wereldoorlog mee te lopen in het Vrijheidsdefilé in Wageningen. Daarmee wil hij benadrukken hoe belangrijk vrijheid is. ‘Want een leven zonder vrijheid is nauwelijks de moeite waard.’ En dan, in een sneer naar Trump: ‘Dat zou ik ook tegen de Amerikanen willen zeggen.’

George ‘Brucie’ Brewster werd op 5 april 1923 geboren in Moncton, in New Brunswick, een van de meest oostelijke provincies van Canada. Zijn vader was militair, hij had gevochten in de Eerste Wereldoorlog, waar hij deel uitmaakte van de cavalerie van het Britse leger. Nadat hij gewond was geraakt aan zijn voet, ging hij naar Engeland om te herstellen.

‘Daarna werd hij opgeroepen voor de luchtmacht, maar ik weet niet of hij zijn training heeft afgerond’, zegt Brewster. ‘Dat hij gevlogen heeft, is zeker. Hij is zelfs neergestort, waarna hij een stalen plaat in zijn hoofd kreeg.’

Brewster herinnert zich dat zijn vader erg goed kon paardrijden, en dat hij terug in Canada later geregeld deelnam aan parades. ‘Toen ik nog klein was, plukte hij me soms uit het publiek en nam me even mee op zijn paard, waarmee hij een paar kunstjes deed. Daarna bracht hij me weer terug naar mijn moeder. He was a great fellow.

‘Ik denk dat ik 6, 7, 8 jaar oud was, toen ik al vliegtuigjes maakte van stukjes hout. Later maakte ik een vliegtuig met een spanwijdte van meer dan een meter. Dat steeg op en vloog rond. Het was prachtig.’

‘Als kind rende ik rond, waarbij ik mijn armen bewoog als propellers. Als vogels konden vliegen, waarom ik dan niet?’

Zijn droom werd waarheid. Op 28 januari 1942 sloot Brewster zich aan bij de Royal Canadian Air Force. Nadat hij zijn training tot gevechtspiloot had afgerond, stak hij in 1944 de oceaan over naar Engeland en Schotland. In het voorjaar van 1945 vloog hij zijn eerste missie op het Europese vasteland, waar de nazi’s steeds meer terrein verloren.

Hij kwam in Eindhoven terecht, op luchtmachtbasis B.78, zoals die werd genoemd. ‘Ik verving twee jongens die waren neergeschoten’, zegt hij. ‘Niet door de Duitsers, maar door Amerikanen die niet wisten hoe een Spitfire eruitzag. Ze liepen ernstige brandwonden op, maar hebben het overleefd.’

‘Mensen daar hadden enorm te lijden onder het juk van de nazi’s. Dat brak mijn hart. En ik kreeg het gevoel dat de Heer wilde dat ik die mensen zou gaan helpen. Ik was bereid te vechten, en zelfs om te sterven.’

‘We deden tactische bombardementen, waarbij we twee bommen van 250 pond of één bom van 500 pond loslieten. Daarmee bliezen we bijvoorbeeld spoorwegknooppunten op, om zo de nazi’s te dwarsbomen. Daarna zetten we de daling in om met onze kanonnen en machinegeweren tanks, schepen en treinen onschadelijk te maken. Ik richtte meestal op de stoomketel van locomotieven en op de aandrijfstang die de wielen met elkaar verbindt. Die zijn niet snel te repareren.

‘Ik had er een hekel aan treinen te bombarderen. We hadden er allemaal een hekel aan. De meeste treinen waren bewapend: op platte wagons stonden kanonnen waarmee ze ons beschoten. We moesten voorzichtig zijn en snel en accuraat toeslaan.’

Oh, yes! We vielen treinen aan die munitie of voedsel voor het leger vervoerden, of de troepen zelf. Zo bleven we de nazi’s opjagen. Als we een konvooi tanks troffen, of vrachtwagens met soldaten of voorraden, dan vielen we het aan. It was a ferocity, een geweldsexplosie! En als we iets gemist hadden, dan keerden we later terug. We keerden terug om ze op te ruimen.’

‘Het zag er ordentelijk uit: kleine huizen, nette boerderijtjes. Ik vond het prachtig, het was zo anders dan de Canadese wildernis met haar bossen, rivieren en meren. En ik begreep ook dat het land deels onder zeeniveau lag. Ik kon me niet voorstellen hoe de Nederlanders dat voor elkaar hadden gekregen.’

‘Mijn moeder had me er veel over verteld. Als kunstenaar schilderde ze soms kleine Nederlandse meisjes met van die kapjes op hun hoofd, en jongens met klompen. Ook vertelde ze het verhaal van de jongen die zijn vinger in de dijk stak. Ik ken zijn naam nog: Hans Brinker.

‘En dan waren er ook nog verhalen over mijn voorouders. Een van hen werkte voor de Britse koning, maar toen de monarchie het protestantisme inruilde voor het katholicisme, kwamen ze achter hem aan. Als hij niet naar Nederland was gevlucht, hadden ze hem opgehangen of gevierendeeld. En dan had ik nooit bestaan. Later zijn ze als pelgrims op de boot naar Canada gestapt.’

‘Ja, ik herinner me de mensen. Ze waren erg blij ons te zien. We hebben ze het voedsel gegeven dat we uit Canada hadden meegebracht. De Nederlanders waren uitgehongerd.

‘Uiteindelijk waren we niet lang in Nederland. De Duitsers trokken zich terug en wij bewogen met de frontlijn mee naar het oosten. We wilden geen tijd verspillen. We bleven ze opjagen, richting huis.’

Hoe herdenken we de Tweede Wereldoorlog, als de laatste ooggetuigen niet meer leven?

Het zijn altijd de ooggetuigen die met hun herinneringen de Tweede Wereldoorlog dichtbij weten te brengen. Maar elk jaar zijn zij met minder, en wordt de vraag urgenter: hoe herdenk je de oorlog zonder hen?

‘Ik was in Duitsland met een kameraad op de terugweg van een missie, we hadden onze bommen gedropt en zagen het Kielerkanaal opdoemen. Hij vloog naast me, wees naar een brug en ik wist wat hij bedoelde: zullen we eronderdoor gaan? Ik knikte. Hij ging voor, op het laatste moment bedacht ik me nog bijna, maar ik ben hem toch gevolgd.

‘Met een snelheid van honderden kilometers per uur zijn we onder de brug door gevlogen. Het is het meest idiote wat ik ooit in mijn leven heb gedaan, en ook een van de stomste dingen. Het was absoluut verboden, het is een wonder dat we niet zijn neergestort.’

De montere toon waarop Brewster vertelt over zijn komst naar Europa en zijn avonturen in de Spitfire verandert als concentratiekamp Bergen-Belsen ter sprake komt. In dat kamp, ten noorden van Hannover, dreven de nazi’s tienduizenden krijgsgevangenen, Joden en tegenstanders van het regime bijeen. De omstandigheden waren er zo erbarmelijk dat zeventigduizend gevangenen dat niet overleefden.

Toen de Britse geallieerden het kamp op 15 april 1945 bevrijdden, was Brewster gestationeerd op een basis in de buurt. ‘Onze commandant vond dat we Bergen-Belsen moesten zien’, zegt hij, ‘zodat we wisten waar we voor vochten.’

Samen met een groep militairen reed hij ernaartoe, met een truck vol voedsel. ’s Morgens heen en ’s avonds weer terug, maar die ene dag was genoeg om bij de jonge George een levenslange, diepe indruk achter te laten. Als hij de beelden terughaalt, sluit hij even zijn ogen.

‘De commandant had ons gezegd: ik wil dat jullie met eigen ogen aanschouwen wat daar is gebeurd, anders geloof je het niet. En dat was ook zo. Wat we er aantroffen ging ieders verbeeldingskracht te boven. De geur was vreselijk. Overal lagen lijken, honderden, op grote stapels. De kuilen die waren gegraven voor al die lichamen waren zo groot, daar kon makkelijk een heel huis in verdwijnen.

‘Ik herinner me dat we onszelf en onze kleding met een speciaal poeder moesten behandelen om te voorkomen dat we een besmettelijke ziekte zouden oplopen.’

‘Ja, maar velen waren zo ver heen, zo mishandeld en uitgehongerd dat we geen contact met ze konden krijgen. Sommige gevangenen lagen op de grond met een opgezwollen buik. Ze realiseerden zich niet wie wij waren.’

‘Nee, helaas niet. De gevangenen konden geen normaal voedsel meer verdragen. Ze moesten heel langzaam weer op krachten komen. Ze kregen pap; ze moesten worden gevoerd, lepel voor lepel.’

‘Ik had er iets over gehoord, maar ik realiseerde me niet hoe georganiseerd het systeem was. Pas toen ik in Bergen-Belsen was, besefte ik dat er in de kampen op grote schaal mannen, vrouwen en kinderen waren vermoord om wie ze waren. Mensen die niemand kwaad deden, gedood om niks, het brak mijn hart. Het was het allerergste wat ik tijdens de oorlog heb gezien, ik was echt overstuur.

‘Op de heenweg hadden we langs een spoorlijn overal hopen stro zien liggen, althans, daar leek het van veraf op. In werkelijkheid waren het lichamen van mensen die waren doodgeschoten. Steeds een stuk of vijftig op een rij, bedekt met stro, en dan verderop een nieuwe rij.

‘Onze commandant heeft de Duitsers uit de naburige dorpen verplicht om de doden netjes te begraven. Ik weet nog dat sommigen van hen eerst handschoenen aan wilden doen, maar dat mocht niet van hem. Jullie doen het met jullie blote handen, zei hij, dan weet je hoe het voelt.’

‘Toen ik terugkwam in Canada en vertelde over Bergen-Belsen en de andere kampen, wilde niemand me geloven. Zoiets vreselijks zouden de Duitsers toch niet doen? Zo zaten ze toch niet in elkaar? Het is kennelijk makkelijker om leugens te geloven dan om de waarheid onder ogen te zien.

‘Wat ik in Bergen-Belsen heb gezien, heeft me nog jaren achtervolgd. Ik had er nachtmerries over, ik begon te drinken om die beelden uit mijn hoofd te krijgen, om het kamp te vergeten. Gelukkig kon ik er met mijn vrouw over praten. Ik ben gestopt met de alcohol, het is langzaam beter gegaan.’

‘Dat was op de avond van 5 mei, ik had net een Spitfire getest die beschadigd was geraakt en weer was opgeknapt. Ik was op de terugweg naar een vliegbasis in Noord-Duitsland en ik vroeg via de radio toestemming om te landen. Nee, klonk het vanuit de verkeerstoren, je moet eerst een paar victory rolls boven de basis maken. Betekent dit wat ik denk dat het betekent, vroeg ik. Ja, was het antwoord, de oorlog is voorbij, wil je een show voor ons opvoeren?

‘Dat heb ik gedaan. Ik ben met het toestel op zijn kop heel dicht boven de grond gevlogen, toen omhoog en daarna in een spiraalvlucht naar beneden, terwijl ik het vliegtuig om zijn as liet draaien. Zoiets hadden ze nog nooit gezien. I gave them the full monty, as they say it. I gave them the works. In een lokaal krantje schreven ze: ‘We bedanken meneer Brewster voor zijn optreden.’’

Over de makers

Rik Kuiper is regiocorrespondent Utrecht en Flevoland en schrijft ook met regelmaat over de Tweede Wereldoorlog. Dankzij een medewerker van het Niod kreeg Kuiper in 2017 liefdesbrieven in handen van de tot levenslang veroordeelde oorlogsmisdadiger Willem van der Neut. Het heeft geresulteerd in de artikelenreeks Liefdesbrieven van een kampbeul, dat inmiddels ook is verschenen als boek.

Ellen de Visser is wetenschapsredacteur en schrijft regelmatig over de Tweede Wereldoorlog. Eerder was ze betrokken bij Gestolen herinneringen, een project waarin ze met onderzoekers persoonlijke voorwerpen, die decennialang in Duitse en Nederlandse archieven lagen, wist terug te geven aan nabestaanden van gevangenen van concentratiekamp Neuengamme.

Stephan Vanfleteren werkt sinds 1993 als freelancefotograaf voor onder meer de Volkskrant. Hij geniet bekendheid om zijn indringende zwart-witportretten. Daarnaast fotografeert hij landschappen, naakten en stillevens, in opdracht van kranten, uitgeverijen en musea.

Source: Volkskrant

Previous

Next