Als artistiek directeur en regisseur bij De Nederlandse Opera zorgde Pierre Audi voor een visuele revolutie. Met zijn poëtische aanpak maakte hij er een van de avontuurlijkste operahuizen ter wereld van.
schrijft voor de Volkskrant over klassieke muziek en opera.
Over zijn passie, de opera, raakte Pierre Audi niet uitgepraat. Op maandag 28 april hing de radiozender France Musique nog aan zijn lippen. In de aanloop naar het operafestival van Aix-en-Provence, waarover Audi sinds 2018 de scepter zwaaide, vertelde hij over Mozart, over jonge kunstenaars, over de toekomst van het muziektheater.
Op vrijdag 3 mei kwam het bericht dat Audi in de voorgaande nacht op 67-jarige leeftijd was overleden. Volstrekt onverwacht, op een werkmissie in Beijing.
De internationale operawereld hapt naar adem. Want Pierre Audi, geboren in Libanon en geland in Amsterdam met Brits en Nederlands paspoort, was uniek. Niemand combineerde zo lang en zo vruchtbaar de rollen van regisseur en directeur. De Nederlandse (vanaf 2014 ‘Nationale’) Opera in Amsterdam profiteerde er het meest van.
Toen Audi in 1988 als 31-jarige directeur aantrad, was hij voor iedereen een mysterie. Toen hij in 2018 als regisseur-directeur vertrok, had Nederland een van de avontuurlijkste operahuizen ter wereld.
Gek genoeg ontdekte hij zichzelf als operaregisseur uit nood. Na een afmelding besloot directeur Audi in 1990 dan maar zelf de leiding te nemen van Claudio Monteverdi’s Il ritorno d’Ulisse in patria. Publiek dat destijds gewend was aan rauw, gepolitiseerd muziektheater, viel als een blok voor Audi’s poëtische aanpak. Hij liet Odysseus over een vrijwel leeg toneel dwalen, met aarde, water en vuur als beeldtaal.
Ook later toverde Audi met de vele kubieke meters van het Muziektheater. Hier toneel, daar orkest, het publiek op afstand? Niet bij de Pierre Audi, die Wagners operavierluik Der Ring des Nibelungen onder handen nam. Zangers bewogen om het orkest heen; bezoekers met lef zagen de voorstelling in adventure seats vanuit de nok.
Onafzienbaar was zijn adresboek. Audi lokte topdirigenten als Pierre Boulez en Simon Rattle naar Amsterdam. Hij strikte regievorsten als Peter Stein en Peter Sellars. Met beeldend kunstenaars als Karel Appel en Jannis Kounellis sloeg hij aan het experimenteren.
Wereldpremières regisseerde hij graag zelf, zoals Fin de partie, de langverwachte opera van de levende legende György Kurtág. En hij grossierde in onmogelijke projecten, zoals Aus Licht, een driedaagse compilatie uit het megalomane zevenluik Licht van de vernieuwer Karlheinz Stockhausen.
Ook als directeur van het Holland Festival (2005-2014) was Audi eeuwig in de weer met het smeden van winnende teams. Als hij nu eens díe componist aan díe regisseur kon koppelen, of díe dirigent wist te interesseren voor dát nieuwe stuk. Ook bedacht hij de mise-en-espace, oftewel muziek en musici met een vleugje theater ‘in de ruimte plaatsen’.
Welbeschouwd bouwde hij voort op jeugdobsessies in Beiroet. Pierre Audi, de Frans-Libanese bankierszoon van christelijke komaf, lokte coryfeeën als Tati en Pasolini naar zelf georganiseerde filmavonden. Hij maakte tekeningen voor denkbeeldige opvoeringen van Verdi-opera’s; ontdekte de avant-gardemuziek van Stockhausen; liet zich betoveren in Baälbek.
Het gezin reed erheen via een feeëriek verlichte tunnel, richting een avondhemel die goud oplichtte. Daar, in het vermaarde festival, dirigeerde de grote Karajan, soleerde de cellist Rostropovitsj, danste Maurice Béjart en zong Oum Koulsoum.
Als schooljongen hunkerde hij naar het verre Europa. ‘Papa, je moet me een keer meenemen, anders denk ik nog dat het niet bestaat!’ Het liep uit op een historische datum: 21 juli 1969. Het ruimteschip Apollo 11 landde op de maan; de 11-jarige Audi zag in München zijn eerste Wagner.
Hij studeerde eerst in Parijs, daarna in Oxford. Audi wierp zich op de middeleeuwse islam, maar de kunst trok harder. In 1979, begin twintig, begon hij in Londen het kleine Almeida Theatre. Toen hij negen jaar later in Amsterdam aankwam, was hij klaar voor het grote werk.
Het kon hem ontroeren dat hij, de Levantijn, door nuchter Nederland werd omhelsd. Audi werd in 2000 benoemd tot Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw. In 2009 kreeg hij de Johannes Vermeerprijs. Maar kritiek was er ook, vooral op de operadirecteur Audi. Hij zou te weinig Nederlandse zangers en regisseurs een kans hebben gegeven; hij zou subdivisies van het repertoire als belcanto en verismo hebben verwaarloosd.
Audi legde het naast zich neer, maar kon op een pittige recensie soms vilein reageren. Verder moest je niet wagen te suggereren dat hij als bankierszoon misschien bevoorrecht was.
Na zijn vertrek bij De Nationale Opera gleed hij in Nederland langzaam uit beeld, ondanks zijn aanstelling als ‘creatief partner’ (2021-2024) van het Koninklijk Concertgebouworkest. Vorig jaar dook Audi op in Brussel, waar hij insprong voor een ontspoorde Wagnercyclus.
Die klus had hij niet kunnen klaren als hij de opera’s niet uit zijn hoofd had gekend, zei hij tegen de Volkskrant. ‘Als ik de productie in Amsterdam niet vijftien jaar lang had ingestudeerd en niet bij elke repetitie en elke voorstelling van mijn Ring aanwezig was geweest. Ik ken elke maat, ik hoef niet in de partituur te spieken.’
Een nieuwe regie zal er nu niet meer komen, al staat voor februari 2025 in Amsterdam wel de herneming gepland van zijn kijk op Wagners liefdesdrama Tristan und Isolde. Pierre Audi laat een vrouw en twee jonge kinderen achter.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant