Voor meesjes in de tuin, of voor vleermuizen en dassen in de natuur: Nederland hangt vol met nestkasten. Hoe zinvol is dat en bij welke dieren is het wel of niet gewenst? Het luistert nauw, zo blijkt.
is wetenschapsredacteur van de Volkskrant. Hij schrijft over natuur en biodiversiteit.
Misschien zijn ze al aangekomen, en anders kunnen ze elk moment arriveren vanuit tropisch Afrika: boomvalken. De roofvogel – met ‘blauwgrijze bovenzijde, opvallend witte wangen die contrasteren met zijn zwarte kopkap, en een kenmerkend roodbruine broek’, aldus de Vogelbescherming – wordt in de stad Den Haag met open armen ontvangen. De gemeente heeft in zijn geliefde broedboom, de populier, verspreid over verschillende stadsgebieden zo’n twintig handgemaakte kunstnesten opgehangen. Een gespreid bedje voor de vogel, die volgens stadsecoloog Marcus Bouma ‘een goede graadmeter is voor hoe het in de stad gaat met de biodiversiteit’.
De laatste jaren was het aantal boomvalken in Den Haag afgenomen en dat is volgens de stadsecoloog een slecht teken. De oorzaak is onduidelijk, maar vaststaat dat het aantal populieren in de stad afneemt. De boomsoort werd na de Tweede Wereldoorlog massaal aangeplant vanwege zijn snelle groei. Nu, ruim zeventig jaar later, zijn vele ziek en zwak; takken vallen af, bij storm leggen verzwakte exemplaren het loodje. Nu worden ze gekapt en heeft de boomvalk het nakijken.
Het Haagse hulpje lijkt welkom, maar zo eenvoudig is het niet: anders dan kool- en pimpelmezen laat niet de hele natuur zich zo makkelijk in hokjes duwen. Zo broedde aan de rand van de Haagse wijk Statenkwartier jarenlang een boomvalk in een populier, totdat die werd omgekapt. Ter compensatie plaatste de gemeente (‘een morele plicht’, zegt ecoloog Bouma) enkele bomen verderop een kunstnest, maar de vogel haalde er z’n neus voor op. Die koos het jaar erna voor een boom enkele honderden meters verder weg, waar hij broedde in een nest dat net verlaten was door een gezinnetje zwarte kraai – die twee soorten leven samen in perfecte symbiose. ‘Dat we de gelegenheid tenminste hebben gecreëerd is ook wat waard’, zegt Bouma. ‘Als stad kunnen we dan toch zeggen dat we er alles aan hebben gedaan.’
Nederland hangt vol met nestkasten, van mezenkastjes in de tuin tot ijsvogelwanden, vleermuizenkasten en dassenburchten in de vrije natuur. Hoe zinvol is dat? Welke dieren helpen we wel en welke moeten het maar uitzoeken?
Om meteen nog maar een dilemma te schetsen nog even terug naar die boomvalk. De aanwezigheid van die vogel (van oorsprong meer een bosbewoner, maar door de opkomst van de havik daar meer naar de stad getrokken) mag dan een graadmeter voor stedelijke biodiversiteit zijn, hij jaagt wel op libellen en gierzwaluwen. Met die twee gaat het ook al niet best. Enkele weken geleden maakte het Centraal Bureau voor de Statistiek bekend dat sinds 2008 een kwart minder libellen in Nederland leven.
De gierzwaluw komt elk jaar rond 30 april vanuit zuidelijk Afrika naar Nederland gevlogen, om daar bij voorkeur te nestelen onder exact dezelfde losse dakpan als vorig jaar. Door renovatie en verduurzaming verdwijnen steeds meer schots en scheve dakpannen, en daarmee geschikte nestruimte.
Om de pechvogel te helpen hangen vrijwilligers gierzwaluwkasten op onder dakgoten. Dat blijkt lang niet altijd succesvol. Onderzoekers van gierzwaluwwerkgroepen stelden in 2018 vast dat de bezettingsgraad in Amsterdam en de gemeente Utrecht rond de 8 procent lag. Op andere locaties varieerde die van slechts 1 tot maximaal 25 procent. Dat komt overeen met bevindingen in Duitsland: in stedelijk gebied waar zwaluwkasten werden opgehangen na renovaties bleek 24,3 procent werkelijk gebruikt te worden door gierzwaluwen.
Hoeveel nestkasten er in Nederland hangen, is onbekend. Het moeten er vele tienduizenden zijn, vermoedelijk zelfs een veelvoud. De meeste – verkrijgbaar in elke dierenwinkel of tuincentrum – zijn ongetwijfeld voor mezen en andere kleine zangvogels.
Een indicatie vormen de cijfers van het project Nestkast van onderzoeksorganisatie Sovon. Het jaarverslag 2024 meldt gegevens van 13.674 nestkasten. Daarvan waren er bijna negenduizend bezet, de gemiddelde bezettingsgraad was daarmee 65,2 procent. ‘Dat is zeer laag ten opzichte van het langjarig gemiddelde van 74,1 procent’, schrijft de organisatie. Niettemin kwamen alleen al uit die kastjes bijna 66 duizend jongen voort, waarvan er ruim 58 duizend uitvlogen.
De menselijke sympathie wordt grotendeels getekend door ‘wenssoorten’. Dat wordt duidelijk uit het aanbod van leveranciers. Op de website van grootleverancier Vivara staan vooral huisjes voor algemene tuinvogels als kool-en pimpelmees, roodborst, huismus en spreeuw en 24 andere vogelsoorten. De overige van de tweehonderd broedvogelsoorten moeten zichzelf maar redden in de jungle van de huizenmarkt.
Er zijn diersoorten die goeddeels afhankelijk zijn geworden van mensen. De steenuil bijvoorbeeld. In 2016 hebben onderzoekers ruim 2.500 steenuilennesten geïnspecteerd. De Vogelbescherming schatte op basis daarvan dat tenminste zo’n 30 tot 35 procent van de ongeveer achtduizend steenuilen in Nederland in nestkasten broeden, al denkt de organisatie tegelijk dat het werkelijke percentage veel hoger ligt.
Dat is een beloning voor inspanningen van vogelwerkgroepen en andere vrijwilligers die zich inzetten voor het behoud van die soort, die in de natuur onvoldoende broedgelegenheid vindt. Maar de Vogelbescherming plaatste ook een kanttekening: ‘Een grote afhankelijkheid van nestkasten maakt de populatie ook kwetsbaar, want het verlangt een constante inspanning van werkgroepen die nestkasten bijplaatsen, onderhouden en vervangen.’ Met andere woorden: het succes van broedkasten is tevens de illustratie van een tekort aan natuurlijke kansen.
Succes kan ook te groot zijn. Zo roept de Stichting Ooievaars Research & Know how (Stork) al enige tijd op om te stoppen met het plaatsen van nestpalen voor ooievaars. ‘Het aantal beschikbare kunstnesten in Nederland is te groot’, stelt de organisatie. Er zijn zoveel geschikte bomen voor de vogel te vinden dat er meer dan genoeg nestruimte is voor de ongeveer tweeduizend broedpaar die in Nederland zitten. Het is volgens Stork zelfs ‘niet wenselijk’ meer om nog palen te plaatsen. ‘Het is niet nodig om een soort waarmee het al zo goed gaat met kunstnesten te bevoordelen in gebieden waar kwetsbare soorten leven’, aldus Stork. Bovendien: ‘Er hoeven niet overal ooievaars te broeden.’
Zo succesvol als bij steenuilen of ooievaars zijn nestkasten lang niet altijd. Neem de vleermuizen, waarvan in Nederland zo’n twintig soorten leven. Ze nestelen oorspronkelijk in gaten, scheuren en holten van oude (loof)bomen, maar kiezen ook verrassend vaak voor de ruimtes tussen de spouwmuren van woningen. Daar vallen ze steeds vaker ten prooi aan isolatiewerkzaamheden. Een vleermuizenkast ophangen aan de gevel is niet altijd een goed alternatief, volgens deskundigen. Het is overbodig in een omgeving waar voldoende oude bomen met spleten, gaten en scheuren staan, maar dat zal voor de gemiddelde Vinexwoning niet het geval zijn. Maar: ‘Spouwmuurbewonende vleermuissoorten maken doorgaans geen gebruik van holle bomen en vleermuiskasten’, waarschuwt de Wageningen Universiteit in een publicatie over de zin en onzin van vleermuizenkasten.
Het succes hangt mede af van de plaats waar de kast wordt opgehangen. Zo geeft de ruige dwergvleermuis de voorkeur aan kasten die in de richting hangen van open ruimtes als bosranden, hoog opstaande houtwallen en brede boslanen, maar de gewone grootoorvleermuis kiest eerder voor kasten die hangen aan bomen in dichte vegetatie, aldus de universiteit.
De wederopstanding van de das (na een drastische afname in de vorige eeuw werd de soort geherintroduceerd) is nu zo succesvol dat de marterachtige spoorlijnen ondermijnt met de burchten (gangenstelsels) die hij graaft. Omdat de das beschermd is, mag spoorbeheerder ProRail hem niet verjagen wanneer zo’n gangenstelsel instortingsgevaar oplevert voor treinbanen. De oplossing: verderop kunstburchten aanleggen en dan hopen dat het dier zich daarheen verplaatst. Dat gebeurde onlangs bij het Noord-Brabantse Ravenstein. De begroeiing rond de oorspronkelijke burcht werd weggehaald om de das te bewegen op te krassen. Dat deed hij ook, alleen niet naar de aangelegde kunstburcht, maar naar een geheel naar eigen smaak ingerichte zelfgebouwde woning.
Toch slaagt zo’n project ‘best regelmatig’, zegt Bert Hesse, die namens de stichting Das & Boom betrokken is bij dergelijke operaties. Moeilijk en onvoorspelbaar is het wel: ‘De aantrekkelijkheid van een kunstburcht is maar een van de variabele factoren. Hij moet ook in het territorium van de das liggen, op een route die hij vaak gebruikt, het moet een rustige en droge plek zijn, het afwatersysteem moet van reukloos materiaal zijn gemaakt, er moet voldoende dekking zijn tegen wind en het mag geen tochtige constructie zijn.’
Hesse geeft toe: de aanleg van kunstburchten voor dassen is lang niet altijd zinvol of geslaagd. Wat geen reden is het niet te proberen.
Schrale troost voor wie in de eigen tuin maar geen meesjes in zijn kastje krijgt: de houten hokjes herbergen soms onverwachte gasten. In gierzwaluwkasten komen soms huismussen te zitten. In 2014 onderzocht de Natuur- en Vogelwacht Vijfheerenlanden de biodiversiteit in zestien nestkastjes tussen Vianen, Leerdam en Gorinchem. In totaal vonden zij negenhonderd insecten en parasieten die werden aangetrokken door veertjes, poepresten en nestmateriaal van de vogels. De vogelvlo werd het meest gevonden, maar ook spiegelkevers, spekkevers, zwartlijven en enkele rupsen van microvlinders die mensenhaar en veertjes eten.
Conclusie: een nestkast ophangen om de natuur te helpen is vaak een goed idee. Maar Moeder Natuur blijft zelf de baas over de woningmarkt.
Alles over wetenschap vindt u hier.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant