Home

‘We waren te jong om ons erbij neer te leggen

Peter Molthoff werd op zijn 18de gearresteerd voor verzetswerk en zat drie jaar vast

Tachtig jaar geleden kwam de Tweede Wereldoorlog ten einde. Er zijn steeds minder mensen die uit eigen ervaring over de oorlog kunnen vertellen. De Volkskrant sprak met zes van deze laatste ooggetuigen.

Door Ellen de Visser

Fotografie Stephan Vanfleteren

De foto die zes weken na de bevrijding is genomen, maakt onmiskenbaar duidelijk wat Peter Molthoff moet hebben doorstaan. De oorlog zit in zijn ogen, in de doffe blik en de donkere kringen; hij kijkt in de lens, maar zoekt geen contact. Bijna drie jaar zat hij vast, een week voor zijn 19de verjaardag was hij door de Sicherheitspolizei gearresteerd. De honger, de kou, de heimwee, de doodsangst: het ligt allemaal besloten in die oogopslag.

Op 10 mei 1945 was hij vanuit Duitsland met de trein in Den Bosch aangekomen. Hij kon een stuk oostwaarts meerijden met de Canadezen, het laatste stuk over het Achterhoekse platteland had hij gelopen. Zijn inderhaast gewaarschuwde vader kwam hem tegemoet. Peter Molthoff is nu 101 jaar, maar hij weet nog altijd wat zijn vader zei: ‘Nú heb ik de oorlog gewonnen.’

Peter Molthoff: ‘Ik voelde me verlaten door God en de hele wereld.’

Daarna begon het zwijgen. Molthoff maakte carrière, werd gemeenteambtenaar, vervolgens burgemeester in het Zeeuwse Vogelwaarde en Hulst, en stopte zijn oorlogservaringen diep weg. Op het laatst had hij 37 bijbanen, vertelt zoon Teun: ‘Hij was overal voorzitter van. Alleen maar werken, om niet te hoeven denken, om niet te hoeven voelen.’ Dochter Monique: ‘Hij was nooit thuis, wij zagen hem alleen tijdens de vakanties. Ik heb hem pas beter leren kennen sinds hij met pensioen is.’

Hij heeft nog altijd nachtmerries, vertelt hij in zijn appartement in een Eindhovense serviceflat. Dan is hij weer terug in Kamp Vught of in het tuchthuis in Rheinbach. Over de emoties die daarbij horen praat hij nog altijd niet, liever vertelt hij gewoon wat er gebeurde nadat hij zich als 18-jarige jongen uit het Gelderse Lichtenvoorde bij het verzet had aangesloten.

Waar zijn geheugen hem in de steek laat, vullen zijn kinderen en zijn acht jaar jongere vrouw Koos hem aan. Het plakboek op tafel dient als naslagwerk.

‘Jawel, maar dat weerhield ons niet. Als je niks doet, loop je geen risico, maar dan kom je er ook nooit weer uit, hè? En daar waren we te jong voor, om ons daarbij neer te leggen.’

‘Ik was betrokken geraakt bij de verzetsgroep rondom Joep ter Haar, de zoon van de veldwachter, die piloten van neergestorte vliegtuigen in veiligheid hielp brengen. In de herfst van 1942 werd ik via een vriend benaderd door een andere verzetsgroep. Ik was net begonnen op het gemeentehuis van Lichtenvoorde, waar ik verantwoordelijk was voor de uitgifte van persoonsbewijzen.

‘De vraag was of ik wilde meedoen aan een overval, zodat de verzetsgroep zo veel mogelijk blanco persoonsbewijzen kon bemachtigen. Dat heb ik gedaan. Ik heb ze in de kluis op een stapel gelegd en ervoor gezorgd dat zij de kluissleutel hadden.’

‘Meteen de volgende morgen. De hele kluis was leeg. Het persoonsbewijs was het jaar ervoor ingevoerd door de nazi’s, iedereen moest zo’n identiteitskaart hebben. Ik had er honderden alvast getekend, die waren allemaal rechtsgeldig.’

‘Nou en of. De burgemeester was een NSB’er, hij nam meteen contact op met de Sicherheitsdienst. Het was natuurlijk duidelijk dat er hulp moest zijn gekomen van binnenuit, dus alle werknemers van de secretarie werden gearresteerd. Ik was het meest verdacht, samen met de gemeentebode. Wij zijn naar de koepelgevangenis in Arnhem gebracht. Ik ben veroordeeld tot 6 jaar tuchthuis.’

Molthoff had het grote geluk dat hij nog minderjarig was – bijna de hele verzetsgroep is later opgerold en gefusilleerd. Daar kwam hij pas na de oorlog achter. ‘Dat was ontzettend triest. Dat waren mensen die ik kende, dikke vrienden zelfs.’

Hoe herdenken we de Tweede Wereldoorlog, als de laatste ooggetuigen niet meer leven?

Het zijn altijd de ooggetuigen die met hun herinneringen de Tweede Wereldoorlog dichtbij weten te brengen. Maar elk jaar zijn zij met minder, en wordt de vraag urgenter: hoe herdenk je de oorlog zonder hen?

‘Ik heb eerst vier maanden in Kamp Amersfoort gezeten’. Met stemverheffing: ‘Häftling 545 meldet sich.

‘In januari 1943 ben ik naar Vught gedeporteerd, waar ik moest helpen om het kamp te bouwen. Stenen sjouwen, bomen rooien, de omheining aanleggen. De hygiëne was slecht, we zaten onder de luizen – maar het allerergste was de honger. We kregen per dag twee sneetjes brood en een kop soep.

‘In Amersfoort hebben we zelfs het voedsel van de honden gestolen, die beesten kregen verrekte goed te eten. Een vriend van me leidde ze af, zodat ik het vlees kon wegpakken, ik stopte het zo onder mijn pet. De Duitsers kwamen er alleen snel achter, want de honden gingen tekeer van de honger. Maar toen waren we toch weer een paar dagen verder.

‘In juni 1943 ben ik naar een Duits tuchthuis gedeporteerd. Ik heb in fabrieken moeten werken en bij boeren op het land, en heb puin geruimd na geallieerde bombardementen.’

‘Opgaan in de massa. Opvallen was het gevaarlijkste wat er was. Je wordt ook slimmer door de omstandigheden. Maar het was ook een kwestie van geluk, dat realiseer ik me heel goed.’

Geluk had hij toen hij in Rheinbach, een stadje ten zuidwesten van Bonn, op straat aan het werk was en elke dag een boterham met boter kreeg van een jongetje van een jaar of 6. De kleine Hans was gestuurd door zijn moeder, die medelijden had met die jongen uit Holland die zulk zwaar werk moest doen.

Als de bewakers even weg waren, stuurde ze haar zoontje de straat op met een stuk dikbesmeerd brood in een papieren zak. Die liet hij vallen tussen het puin, waarna hij spelend verder liep.

Na de oorlog vertelde Molthoff zijn vader over het Butterbrot van Mutti. Hij wist dat de vrouw het zwaar had, ze was een oorlogsweduwe met vijf jonge kinderen, haar man was in dienst van de SS aan het oostfront gesneuveld. ‘Toen zei mijn vader: als die vrouw jou toen heeft geholpen, dan wil ik haar nu helpen.

‘Hans heeft ruim een jaar bij ons gewoond, om zijn moeder te ontlasten. Hij ging naar school en sprak op een gegeven moment gewoon Nederlands.’ Zijn leven lang hielden Molthoff en zijn gezin contact met moeder en zoon in Duitsland.

Die naoorlogse vriendschap zou hij later in het groot herhalen. Als burgemeester van Hulst ging hij een stedenband aan met het Duitse Michelstadt, waar hij tijdens een kampeervakantie toevallig was beland.

Pas later hoorde hij dat burgemeester Erwin Hasenzahl als Stabsscharführer bij de Waffen-SS had gezeten. Zijn halve hand was eraf, vertelt zoon Teun, die met zijn zus elk jaar minstens één keer meeging naar Michelstadt: ‘Dat was aan het Oostfront gebeurd.’

De vader van Peter Molthoff stuurde hem tijdens zijn gevangenschap soms brieven. De bovenste was volgens de nazi’s te lang en dus kwam de envelop met inhoud retour.

‘Of hij spijt heeft betuigd, weet ik niet meer’, zegt Molthoff, ‘maar hij wilde het zo graag goedmaken. We hebben er een stevig gesprek over gehad.’ Molthoff zag geen reden de stedenband op te zeggen, integendeel. Stellig: ‘Als je oorlog wilt voorkomen, moet je vrede sluiten met je vijand.’

Zijn kinderen nam hij mee naar alle oorlogsherdenkingen waar hij naartoe ging, en dat waren er veel. ‘Ik vond het belangrijk dat ze wisten wat ik had meegemaakt. En ik wilde mijn kinderen niet met haat de wereld in sturen. Haat leidt tot niets.’

Hij volgt het wereldnieuws nog altijd, het maakt hem treurig. Alle inspanningen die hij met zijn generatiegenoten heeft gedaan om een nieuwe oorlog te voorkomen, lijken vergeefs geweest: ‘Ze hebben niets van ons geleerd.’

Zes weken na thuiskomst kreeg hij van het Rode Kruis drie zakdoeken, een borstrok en een paar tweedehands schoenen. Het ontvangstbewijs zit in het plakboek. Geestelijke bijstand hoorde niet bij het welkomstpakket, terwijl hij dat hard nodig had.

Een paar jaar na de bevrijding kreeg Molthoff van de overheid een buitengewoon pensioen toegekend, vanwege de blijvende gezondheidsschade die hij door zijn verzetswerk had opgelopen. Voor de beoordeling van die schade moest hij op gesprek bij psychiater en latere hoogleraar Jan Bastiaans.

Dochter Monique hoopt dat ze het verslag van die keuring nog eens kan inzien. ‘Ik weet dat ze zijn nek kapot hebben geslagen, die kan hij niet meer draaien. Maar de meeste schade moet psychisch zijn, en dat hebben ze kennelijk gemeten. Dat kan alleen maar als hij antwoord heeft gegeven op vragen.

‘Die antwoorden zou ik graag lezen. Want als wij ernaar vragen, en dat hebben we al zo vaak gedaan, dan zegt hij: nou, stop maar. De feiten wil hij wel vertellen, ook vandaag weer, maar dat zijn vooral de mooie verhalen. Alles blijft aan de oppervlakte.’

Zoon Teun: ‘Hij had niks meegemaakt in het leven en toen kwam hij opeens in zijn eentje in een kamp terecht. Hij zag mensen in hun blootje. Hij zag kinderen geboren worden. Hij zag hoe medegevangenen werden doodgeschoten, hij zag hoe ze zelfmoord pleegden. Gewoon, door hun hoofd in een waterton te steken en een keer diep adem te halen. Die ervaringen hebben hem nooit meer losgelaten.’

Zelf zegt Molthoff daar alleen dit over: ‘Ik voelde me verlaten door God en de hele wereld.’

In de oorlogsjaren ontgroeide hij zijn familie. Zijn ouders zetten na de bevrijding hun oude leven voort, terwijl voor hem niets meer hetzelfde was. Ze spraken nooit meer over wat hij had meegemaakt, zoals de meeste mensen er na de oorlog het zwijgen toe deden. In de stilte zouden de emoties vanzelf wel wegebben, was de gedachte.

Het was zijn vrouw Koos die hem zag worstelen, die zijn nachtmerries meemaakte en hem in de beginjaren van hun huwelijk een beetje leerde praten.

Zij had heel andere oorlogservaringen dan haar echtgenoot. Samen met haar ouders en zus had ze ondergedoken gezeten nadat haar vader, burgemeester van Berghem, vanwege hulp aan Joden een mikpunt van de nazi’s was geworden. Ze was terechtgekomen op een boerderij in Ravenstein en daar had ze het ‘fantastisch’ gevonden, vertelt ze. ‘Lekker op het land werken en niet naar school.’

Ze stelde een praatprogramma op: maandenlang zou ze hem iedere zondagmorgen, bij een kop koffie, vragen stellen over de oorlog. Zo kwam ze langzaam meer aan de weet. ‘Het kostte hem veel moeite om te antwoorden’, herinnert ze zich.

Later vond hij ook steun bij Expogé, de Nederlandse Vereniging van Ex-Politieke Gevangenen uit de bezettingstijd, waarvan hij jarenlang voorzitter was. Daar kon hij met anderen praten zonder iets te zeggen, de gedeelde herinneringen waren genoeg.

Humor hielp ook. Toen hij als burgemeester van Hulst samen met Auschwitz-overlevende David Aronson een bevrijdingsboom moest planten en ze allebei met een schop stonden te graven, riep hij hem toe: Schneller, Mensch! Daar moesten ze allebei om lachen, hoe vaak was ze dat door de nazi’s niet toegebeten.

Zoon Teun: ‘Liep ik met mijn vader in Kamp Vught langs de omheining van prikkeldraad, dan zei ik: pap, welke paal heb jij hier de grond in geslagen? Dat heb je dan goed gedaan, want ze staan er nog steeds. Dat was onze manier om over de oorlog te praten.’

Twee jaar geleden hoorde Molthoff over een jonge gevangene met wie hij zich onmiddellijk verwant voelde: de Amerikaanse journalist Evan Gershkovich, die in een Russische cel zat op verdenking van spionage. Hij hoorde de oproep van diens vriend, journalist Pjotr Sauer, om een brief te schrijven – Molthoff aarzelde niet.

‘Ik weet wat zo’n knul denkt, ik heb zelf in die situatie gezeten. Uit eigen ervaring weet ik dat je er dan alles aan moet doen om je geest sterk te houden. Ik heb geschreven dat hij moed moest houden. Omdat het leven zo de moeite waard is.’

Over de makers

Ellen de Visser is wetenschapsredacteur en schrijft regelmatig over de Tweede Wereldoorlog. Eerder was ze betrokken bij Gestolen herinneringen, een project waarin ze met onderzoekers persoonlijke voorwerpen, die decennialang in Duitse en Nederlandse archieven lagen, wist terug te geven aan nabestaanden van gevangenen van concentratiekamp Neuengamme.

Stephan Vanfleteren werkt sinds 1993 als freelancefotograaf voor onder meer de Volkskrant. Hij geniet bekendheid om zijn indringende zwart-witportretten. Daarnaast fotografeert hij landschappen, naakten en stillevens, in opdracht van kranten, uitgeverijen en musea.

Source: Volkskrant

Previous

Next