Nederlanders hebben, misschien wel meer dan anderen, last van een verstoord zelfbeeld. We zijn zo’n lekker gek tolerant volkje, om maar een cliché te noemen. Maar ook: we hebben onze digitale zaakjes uitstekend op orde.
Eerlijk is eerlijk, dat laatste dacht ik ook lang. Waarschijnlijk stamt dat idee ergens uit de begindagen van internet. Nederland heeft een goede infrastructuur en eerder dan andere landen hadden Nederlanders de beschikking over betaalbaar en snel internet.
Deze week sprak ik met Cees Snoek, hoogleraar computerwetenschappen aan de Universiteit van Amsterdam. Hij zette me met beide benen op de grond: wat betreft rekenkracht voor AI-toepassingen zit Nederland in de achterhoede.
Die rekenkracht is essentieel. Voor de fasen in het trainingsproces van nieuwe AI-modellen en -toepassingen zijn gespecialiseerde computers nodig. Wie de beschikking heeft over rekenkracht, staat in de ontwikkelingen vooraan.
Dat OpenAI bijvoorbeeld sinds eind 2022 een toonaangevende rol speelt, heeft vooral met schaal te maken: een kwestie van zo veel mogelijk chips.
Dat de Amerikaanse, en in iets mindere mate de Chinese, bedrijven het AI-landschap domineren, is geen geheim. Met hun gigantische budgetten zijn ze in staat de benodigde peperdure Nvdia-chips te kopen en enorme AI-faciliteiten neer te zetten. De vorig jaar geopende AI-fabriek in Memphis van Musks xAI kostte 7 miljard dollar.
Zoiets moet Nederland ook helemaal niet willen.
Maar ook binnen Europa slaat Nederland een modderfiguur. Zelfs landen als Griekenland, Hongarije en Luxemburg hebben de beschikking over meer rekenkracht. Nederlandse wetenschappers moeten het doen met één supercomputer, de Snellius van Surf, de ict-organisatie van het Nederlandse onderwijs en onderzoek. Die Snellius is niet eens speciaal ontworpen voor AI-toepassingen.
Ook op andere digitale terreinen staat Nederland er eigenlijk helemaal niet zo best voor. De laatste tijd gaat het vaak over digitale soevereiniteit: Europa moet minder afhankelijk zijn van de grote Amerikaanse techbedrijven en meer op eigen benen staan. Die afhankelijkheid is een terechte zorg, nu de Verenigde Staten in korte tijd hebben bewezen geen betrouwbare bondgenoot meer te zijn.
Nederlandse overheden maken massaal gebruik van Amerikaanse cloud- en maildiensten. En ook hier geldt: we doen het op dit punt beroerder dan ons omringende landen.
Een kaartje dat onlangs op LinkedIn rondging, illustreert dat op pijnlijke wijze. Nederland is voor ruim 60 procent afhankelijk van Microsoft. In Duitsland, waar overheden veel meer gebruikmaken van lokale diensten, is dat slechts 4 procent.
Logisch dat de Tweede Kamer wil dat de rijksoverheid Europese bedrijven op één zet bij aanbestedingen van ict-diensten, maar staatssecretaris Szabó (Digitalisering, PVV) liet onlangs weten dat hij daar niet in mee wil. Weliswaar wil hij best werk maken van een zogenoemde rijkscloud, maar hij ziet de afhankelijkheid van Amerikaanse big tech niet als een probleem. Het argument: de Verenigde Staten zijn een belangrijke bondgenoot.
Blijkbaar is het kwartje nog niet helemaal gevallen.
Geselecteerd door de redactie
Lees hier alle artikelen over dit thema
Source: Volkskrant columns