Home

‘Toen ik een uniform van de Waffen-SS kreeg, wist ik dat het foute boel was, maar ik kon geen kant op

Jan Hendriksen belandde op zijn 16de bij de Waffen-SS

Tachtig jaar geleden kwam de Tweede Wereldoorlog ten einde. Er zijn steeds minder mensen die uit eigen ervaring over de oorlog kunnen vertellen. De Volkskrant sprak met zes van deze laatste ooggetuigen.

Door Rik Kuiper

Fotografie Stephan Vanfleteren

Hij werd erin geluisd – anders kan Jan Hendriksen het niet zien. De nazi’s rommelden hem, 16 jaar oud pas, in de laatste maanden van 1944 de Waffen-SS in, zonder dat hij dit wilde. Eruit stappen was onmogelijk.

In zijn Arnhemse woning vertelt Hendriksen (96) er op zakelijke toon over, al heeft het hem zijn hele leven dwarsgezeten. Op een stoel heeft hij een map vol documenten klaargelegd, op tafel ligt het ‘levensboek’, zoals hij het noemt: zijn levensverhaal, opgetekend door een vrijwilliger. Tien jaar geleden overhandigde hij kopieën van dat boek aan zijn ex-vrouw, zijn kinderen en andere familieleden.

‘Omdat ik als jongen vliegtuigbouwer wilde worden. Ik stond in 1944 al ingeschreven om te beginnen aan de middelbare technische school, maar de oorlog gooide roet in het eten. Toen ik daarna terugkeerde in de maatschappij, hadden we geen geld voor de opleiding. Uiteindelijk ben ik boekhouder geworden.’

‘Ik werd op 10 juni 1928 geboren in Rotterdam. We woonden boven herenmodezaak Au bon marché, waar mijn vader winkelchef was. De Joodse eigenaar had vestigingen in meerdere steden. In 1934 werd mijn vader ontslagen. Hij moest plaatsmaken voor een Joodse man die vanwege de opkomst van Hitler vanuit Duitsland naar Nederland was gevlucht.

‘Na zijn ontslag moesten we verhuizen. We hadden het niet breed. Een buurman vertelde mijn vader dat de NSB iets kon doen aan de maatschappelijke misstanden en de werkloosheid. Toen is hij lid geworden – tot ongenoegen van mijn moeder, die tegen de beweging was. Er mochten van haar geen raambiljetten van de NSB en geen prinsenvlag worden opgehangen.’

‘Wij hadden thuis niets te doen, er was geen speelgoed, niets. Toen las ik in het Nationaal Dagblad, de nationaalsocialistische krant waarop we geabonneerd waren, over de Jeugdstorm. Ik vroeg of ik erbij mocht. In een oud gebouw kregen we verhalen te horen, we zongen liedjes en er was een groepje dat aan modelvliegtuigbouw deed. Zo is mijn interesse in de luchtvaart ontstaan.’

‘Meteen op de ochtend van 10 mei belde een stel rechercheurs aan. Ze kwamen mijn vader arresteren vanwege zijn NSB-lidmaatschap. Hij werd vastgezet in de gevangenis aan de Noordsingel, met meerdere mensen op een cel.

‘Vier dagen later kwam hij vrij, nadat de gevangenis was geraakt bij het bombardement op Rotterdam. Hij liep in gevangeniskleding bij ons de straat in, maar durfde niet aan te bellen. Mijn zusje zag hem en haalde hem naar binnen. Hij was helemaal in de war. Het duurde even voor hij weer normaal deed.’

Jan Hendriksen, destijds 11 jaar, met een speldje van de Jeugdstorm.

Familiearchief

‘Nee. Ik herinner me vooral de mensen die vanuit de binnenstad door onze straat liepen. Sommigen belden aan voor onderdak. Er stond ook een gezin voor de deur met een vogelkooi met een parkietje erin.’

Die eerste oorlogsjaren waren zwaar voor het gezin Hendriksen. Lopend ging de kleine Jan naar de mulo, een flink eind verderop. Hij gaf onderweg soms een zakje meel af bij de bakker. Later kon hij brood ophalen. Bij de Jeugdstorm leerde hij boksen en judo. Ook zong hij met ongeveer vijfhonderd andere Jeugdstormers mee in de De Ruyter cantate, een stuk over zeeheld Michiel de Ruyter. In een geleend uniform trad hij tot ver buiten Rotterdam op.

Op Dolle Dinsdag, 5 september 1944, werd Nederland overspoeld door geruchten dat de geallieerden op het punt stonden het land te bevrijden. Duitsers en NSB’ers raakten in paniek. Velen van hen probeerden het land te ontvluchten.

Op het Maasstation stapte Hendriksen met zijn moeder en zijn jongste zus op de trein. Zijn vader mocht niet mee, want weerbare mannen moesten van de NSB in Nederland achterblijven. Zijn oudste zus bleef bij haar schoonfamilie.

‘De trein bracht ons naar Westerbork’, zegt Hendriksen. ‘Daar hebben we een paar dagen in barakken gezeten. Daarna werden mijn moeder en mijn zusje naar Duitsland gevoerd. Ik moest achterblijven met de andere jongens die ouder dan 16 waren.’

‘Ik had er goed de pest over in. Wij werden naar een soort sportkamp gebracht in Ritterhude, bij Bremen. Daar werden we onder druk gezet. Ze zeiden dat we welkom waren, maar best iets terug konden doen. Bijvoorbeeld: in militaire dienst gaan.

‘De meesten hadden daar geen zin in, maar een aantal meldde zich toch aan. Zij kregen een rood lintje en stonden tijdens het appel bij elkaar. Ze kregen ook leukere activiteiten dan de jongens zonder lintje. Wie zich niet had gemeld, was een lafaard.’

‘Eerst niet. En toen hadden ze bedacht dat ik vanwege mijn belangstelling voor de luchtvaart wel Luftwaffehelfer kon worden. Dan kon ik hand- en spandiensten verrichten bij het luchtafweergeschut. Dat leek me acceptabel. Achteraf stom, want dat afweergeschut stond natuurlijk op plekken waar de geallieerden aanvielen, dus veilig was het daar niet. Toch tekende ik het formulier.

‘Op 1 januari 1945 kwamen we aan bij de kazerne. Daar kreeg ik van de foerier, die de kleding beheerde, toch een uniform van de Waffen-SS. Toen wist ik dat het foute boel was, maar ik kon geen kant op.

‘Op een van de gebouwen van de kazerne in Graz stond in grote letters: ‘Fahnenflucht gibt Todesstrafe’, op deserteren volgt de doodstraf. Dus je keek wel uit. Ik herinner me dat we op een dag allemaal in het gelid stonden, toen er een man naar voren werd gebracht. Ze lazen een vonnis voor, hij kreeg een sigaretje, werd geblinddoekt en door een vuurpeloton doodgeschoten. Dat deden ze om ons bang te maken.’

‘Tja. Ik dacht er niet over, ik was bezig met overleven. Ik wist niet wat er met me gebeurde. Die militaire oefeningen vond ik niet leuk. En van de oorlog wist ik ook niet veel.’

‘We leerden schieten met een oud geweer. Er ging maar één kogel per keer in en ze hadden een behoorlijke terugslag. Wat een kreng van een ding was dat!

‘Ik werd al snel ziek, de kazerne-arts constateerde een dubbele longontsteking en ik kwam in het ziekenhuis terecht. Daar kreeg ik hete lakens om de borst gewonden, want medicijnen waren er niet. Later brachten ze me naar een hersteloord. Door mijn ziekte was ik niet in de kazerne aanwezig toen de anderen hun bloedgroeptatoeage kregen en de eed op de Führer moesten afleggen.

‘In dat hersteloord kreeg ik slecht nieuws: mijn vader was geliquideerd, maanden eerder al. Ik vroeg om verlof, maar kreeg het niet. Ik moest het zelf maar verschmerzen.’

Hoe herdenken we de Tweede Wereldoorlog, als de laatste ooggetuigen niet meer leven?

Het zijn altijd de ooggetuigen die met hun herinneringen de Tweede Wereldoorlog dichtbij weten te brengen. Maar elk jaar zijn zij met minder, en wordt de vraag urgenter: hoe herdenk je de oorlog zonder hen?

‘Toen ik terugkeerde in de kazerne, waren de jongens met wie ik aan de opleiding was begonnen al naar het front gestuurd. Zelf ging ik ook, op 27 april 1945. We werden ingedeeld bij de SS-Panzerdivision Hitlerjugend. We liepen door Oostenrijk, van dorpje naar dorpje. Met dat geweer, ook al hadden we geen munitie. Op een dag kwam ons een motorordonnans tegemoet, een motorrijder die berichten doorgaf. Hij vertelde dat de oorlog voorbij was.

‘De groep werd ontbonden, we moesten het zelf maar uitzoeken. Ik sloeg mijn geweer stuk op een betonnen paaltje. Uiteindelijk werd ik door de Amerikanen krijgsgevangen gemaakt. In een weiland heb ik een gat gegraven, waarover we een paardendeken hebben gespannen. Daar sliep ik met een paar anderen.’

‘In oktober 1945 werden we per goederenwagon naar Amersfoort gebracht. Daar stond het perron vol leden van de Binnenlandse Strijdkrachten, stenguns in de aanslag. Ze brachten ons naar Kamp Amersfoort, dat na de oorlog als interneringskamp werd gebruikt. Ik was toen 17 jaar oud.

‘In februari brachten ze me naar een gevangenis in Rotterdam. Later kwam ik terecht in een tehuis van het Bureau Bijzondere Jeugdzorg. Op 14 mei 1946 werd ik buiten vervolging gesteld en ging ik weer bij mijn moeder wonen.’

‘Daar werd thuis niet over gesproken. Later leerde ik dat hij door het gemeentebestuur als vertrouwensman in het Bergwegziekenhuis was geplaatst, waar hij het nazisme moest bevorderen. Hij had er een kamer waar hij overnachtte.

‘Op een dag is hij achter het ziekenhuis geliquideerd. Hij zat op de fiets en kreeg zes pistoolschoten in de rug. Ik weet nog steeds niet waarom. Al mijn pogingen om antwoorden te krijgen zijn mislukt.’

‘Dat viel mee. Al vrij snel solliciteerde ik bij de gereedschapswinkel van Widenhoorn op de Westzeedijk. Ik ging er met mijn toezichthouder naartoe. De eigenaar heeft me waarschijnlijk uit humanitaire overwegingen in dienst genomen.

‘Bij latere sollicitaties wisten ze meestal ook van mijn verleden. Hoe dat kan weet ik niet, want zelf zweeg ik erover. Er zal een aantekening in de gemeentelijke administratie hebben gestaan. Ik mocht ook niet meer in militaire dienst, hoewel ik daar wel de leeftijd voor had. Later moest ik bij sollicitaties vaak uitleggen waarom ik niet in dienst was geweest.’

‘Toen ik verkering kreeg, vertelde ik niet wat ik in de oorlog had gedaan. Waarschijnlijk was de verloving niet doorgegaan als haar vader het geweten had.’

‘Pas toen ik in 2015 dat levensboek maakte. We waren toen al vijftien jaar gescheiden. Ze had geen belangstelling voor mijn oorlogsverleden. Tegen mijn drie kinderen zei ik: als je vragen hebt, kom maar op. Maar ze zijn nooit gekomen. Te beladen, denk ik.’

‘Dat vind ik een suggestieve vraag. Ik heb nooit de keuze gemaakt bij de Waffen-SS te gaan. Gevoelens van spijt of schaamte passen hier dus niet bij. Wel ben ik heel boos geweest en dat ben ik nog steeds. Deze hele gang van zaken heeft mijn verdere leven danig beïnvloed. Die tijd heeft een stempel op me gedrukt, terwijl ik willens en wetens niets verkeerd heb gedaan.’

‘Ik heb altijd de hoop gehad nooit meer een oorlog mee te hoeven maken. En wat zien we nu, tachtig jaar later? Dat het weer oorlog is in Europa. Het klinkt misschien overdreven, maar ik zou vooral willen zeggen: wees lief voor elkaar.’

Met dank aan Stijn Reurs.

Over de makers

Rik Kuiper is regiocorrespondent Utrecht en Flevoland en schrijft ook met regelmaat over de Tweede Wereldoorlog. Dankzij een medewerker van het Niod kreeg Kuiper in 2017 liefdesbrieven in handen van de tot levenslang veroordeelde oorlogsmisdadiger Willem van der Neut. Het heeft geresulteerd in de artikelenreeks Liefdesbrieven van een kampbeul, dat inmiddels ook is verschenen als boek.

Stephan Vanfleteren werkt sinds 1993 als freelancefotograaf voor onder meer de Volkskrant. Hij geniet bekendheid om zijn indringende zwart-witportretten. Daarnaast fotografeert hij landschappen, naakten en stillevens, in opdracht van kranten, uitgeverijen en musea.

Source: Volkskrant

Previous

Next