Home

‘Veel te lang is gedacht dat verzet alleen maar bestond uit gewapende strijd.

Op 8-jarige leeftijd veranderde Hanneke Lankhout van een Joods stadsmeisje in een katholiek onderduikkind.

Tachtig jaar geleden kwam de Tweede Wereldoorlog ten einde. Er zijn steeds minder mensen die uit eigen ervaring over de oorlog kunnen vertellen. De Volkskrant sprak met zes van deze laatste ooggetuigen.

Door Ellen de Visser

Fotografie Stephan Vanfleteren

In het voorjaar van 1944 veranderde de 8-jarige Hanneke Lankhout van een Joods stadsmeisje in een katholieke dorpeling. De Brabantse pater Theo Verhoeven zat in het complot, samen met de nonnen: Hanneke kreeg een spoedcursus katholicisme, leerde het Weesgegroet uit haar hoofd, ze werd gedoopt en op 4 mei deed ze met haar klasgenoten haar eerste heilige communie.

Het had allemaal te maken met de les die Hanneke in sneltreinvaart had geleerd, de allerbelangrijkste les voor onderduikkinderen: niet opvallen. In Eerde, een dorpje vlak bij Veghel, was ze op haar twaalfde onderduikadres beland en daar kon ze naar school, op voorwaarde dat ze op geen enkele manier de aandacht zou trekken. Haar levensverhaal was erbij verzonnen: haar ouders waren omgekomen bij het bombardement op Rotterdam, zij woonde nu bij haar oom en tante en ze was geboren in Surabaya, daarom had ze zulk donker haar.

Van tante Zus, de verzetsvrouw die haar bij dreigend verraad steeds naar een ander adres bracht, had ze eerder nóg een les geleerd, toen ze druk kwebbelend in een volle treincoupé had gevraagd of ze geen gele Jodenster op hoefde. Nooit over die ster praten, had tante Zus haar ingeprent, dat zou haar dood kunnen betekenen.

Hoe klein ze ook was, Hanneke vergiste zich nimmer meer. Ze vierde de bevrijding in Eerde, bij Jan Jansen en zijn pas bevallen vrouw Joske, die haar een warm thuis boden. Als ze bang was, mocht ze bij hen in de bedstee kruipen.

Van haar onderduiktijd zijn zelfs foto’s, dankzij onderduikopa Bernard, die een camera had. Na de bevrijding werd ze herenigd met haar moeder en haar broertje Paul, die elders, los van elkaar, ondergedoken hadden gezeten. Alleen haar vader kwam nooit meer thuis.

Ruim tachtig jaar later kent Hanneke Gelderblom-Lankhout nog altijd stukjes van de catechismus uit haar hoofd. Vrolijk dreunt ze de teksten op, terwijl haar man Hans aan de ronde tafel in hun Scheveningse huis koffie met koek serveert. ‘De pater heeft mij later verteld: Hanneke, jij bent onder dispensatie gedoopt.’ Ze moet er smakelijk om lachen: ‘Geweldig, hè?’

Ze weet dat veel onderduikkinderen de oorlogsjaren als een trauma hebben ervaren. Toen vijftig jaar na de bevrijding het onderzoek naar die groep op gang kwam, werd duidelijk dat van de naar schatting vierduizend Joodse kinderen die de oorlog in de onderduik hadden overleefd, een flink deel beschadigd was geraakt. Ze hadden een gevoel van verlatenheid ervaren dat nooit meer over was gegaan, velen kampten met overlevingsschuld.

Van dat diepe verdriet heeft zij nooit last gehad. Ze is vaak bang geweest, ze heeft zich eenzaam gevoeld, ze moest zich overal opnieuw aanpassen en altijd lief zijn, maar die emoties hebben geen vat op haar gekregen. Dankzij haar kordate moeder, zegt ze, die haar na de oorlog ‘stevig op haar poten heeft gezet’.

Resoluut: ‘Waarom ik het heb overleefd en een ander niet? Die vraag is verkeerd. De vraag moet zijn: ik heb het overleefd, wat doe ik met dat geschenk? Ik heb het omgedraaid in iets positiefs. Máák er wat van, die opdracht heeft mijn moeder me meegegeven.’

‘Mijn vader. Hij was lithograaf en had in Duitsland gestudeerd. Daar had hij in 1938 de Kristallnacht meegemaakt, de nacht waarin de ruiten van Joodse winkels werden ingegooid. Dus toen vier jaar later hier het bericht kwam dat alle Joden naar een werkkamp zouden gaan, zei hij: ja, ammehoela, ik weet wat dat betekent, dat gaan we niet doen.

‘Veel kunstenaars die in zijn drukkerij hun etsen lieten afdrukken, zaten in het verzet. Zo kwamen we in contact met tante Zus, de schuilnaam van kunstschilder Ru Paré. Zij bracht me in het voorjaar van 1942 naar mijn eerste onderduikadres, in Ter Apel. Af en toe kwam ze bonkaarten brengen en dan hoorde ik van haar hoe het met mijn moeder en mijn broertje ging.’

‘Die wilde niet mee. Dan moet ik ergens op een zolderkamertje zitten, zei hij, en daar word ik hartstikke gek. Dan ben ik een gevaar voor mezelf en voor het gezin waar ik ondergedoken zit. Hij besloot om via Frankrijk naar Engeland te vluchten.’

‘Mijn moeder verpakte het als iets leuks. Ze vertelde me dat ik zou gaan logeren bij een lieve familie en dat ik daar weer zonder problemen buiten kon spelen. Kom, zei ze, dan gaan we samen je koffertje pakken. Ik heb mijn sprookjesboek erin gestopt en een pop. Ik ben alles kwijtgeraakt toen ik een keer in het holst van de nacht overhaast weg moest.’

‘Nee, wel met mijn onderduikmoeder en met tante Zus. Het was een heel verstandige beslissing van mijn ouders, zeiden ze, want anders had ik naar een werkkamp gemoeten. Zij hadden samen geholpen om dat te voorkomen. Zo is het me uitgelegd en dat heb ik moeiteloos geaccepteerd.’

‘Mijn moeder zat ondergedoken in een dorp een stuk verderop. Ze heeft na de bevrijding de halve provincie afgefietst en overal bij de plaatselijke pastoor gevraagd of hij soms een Hanneke kende. Ze wist dat ik ook in Brabant zat. Tante Zus had haar een paar weken eerder een brief van mij bezorgd voor haar verjaardag. Ze had de plaatsnaam boven mijn brief weggeknipt, want dat was gevaarlijke informatie, maar mijn slotwoord had ze laten staan: houdoe.

‘Ik herinner me dat mijn moeder haar fiets op de grond gooide, op haar knieën zakte en we elkaar om de hals vlogen. Toen wist ik: nu is de oorlog echt voorbij.

‘We zijn bijna een jaar in Veghel blijven wonen, de rest van Nederland was immers nog niet bevrijd. Paul is vanaf zijn onderduikadres in Grubbenvorst naar ons toe gebracht.’

‘Hij begreep er niets van, hij was 2 jaar toen hij wegging. Hij was opgenomen in een groot gezin, waar hij de jongste was. Hij vroeg me: is mam nou mijn echte moeder of heeft zij mij bij mam uit Grubbenvorst gekocht? Hij wist zich mij gelukkig nog te herinneren, dus ik werd zijn houvast. Ik heb hem ervan kunnen overtuigen dat hij echt bij ons hoorde.’

‘Twee jaar na de bevrijding is via het Franse verzet zijn laatste brief bij ons bezorgd, geschreven in Parijs. Hij voorzag dat hij het misschien niet zou gaan halen. Dit zou weleens mijn afscheidsbrief kunnen zijn, schreef hij.

‘Mijn vader is tot de Pyreneeën gekomen. Hij is opgepakt, naar doorgangskamp Drancy gebracht en van daaruit naar Auschwitz gedeporteerd. Hij staat op de transportlijst, maar in Auschwitz is hij nooit aangekomen. Dat betekent dat hij vermoedelijk heeft geprobeerd te vluchten en is doodgeschoten.’

Met haar onderduikfamilie heeft ze haar leven lang contact gehouden. Toen ze trouwde was Joske, haar onderduikmoeder, haar getuige, samen met tante Zus. Ze had een Yad Vashem-onderscheiding voor haar onderduikouders willen aanvragen, het eerbetoon van de staat Israël aan niet-Joden die met gevaar voor eigen leven Joden hebben gered.

‘Dat wilden ze niet. Jij bent altijd onze Hanneke gebleven, zeiden ze, het mooiste cadeau is dat we contact met jou hebben gehouden. Meer vroegen ze niet. Ja, echt fantastische mensen.’

Hoe herdenken we de Tweede Wereldoorlog, als de laatste ooggetuigen niet meer leven?

Het zijn altijd de ooggetuigen die met hun herinneringen de Tweede Wereldoorlog dichtbij weten te brengen. Maar elk jaar zijn zij met minder, en wordt de vraag urgenter: hoe herdenk je de oorlog zonder hen?

‘Nooit. Mijn moeder en tante Joske schreven elkaar, ik heb de brieven bewaard. Jullie hebben Hanneke geadopteerd, zei ze tegen mijn onderduikouders, en wij hebben jullie geadopteerd. Ze was ze eeuwig dankbaar, maar daar werd verder geen tamtam over gemaakt.

‘Ook Paul is het gezin waar hij mocht onderduiken altijd blijven zien. We kregen onze eigen moeder terug, maar die andere familie bleef, dus we kregen er iets bij, terwijl er al zo veel weg was. Dat bood houvast.’

‘Het was pure menselijkheid, moreel besef zo je wilt. Zonder dat ze daar ooit hoog over hebben opgegeven. Er was een kind in de problemen en zij vonden dat ze moesten helpen.’

Hanneke met haar onderduikouders Jan en Joske tijdens de oorlog.

Familiearchief

‘De kinderen van Jan en Joske zijn trots op hun ouders, zij vonden dat we de onderscheiding moesten aanvragen, als eerbetoon aan twee dappere mensen. Veel te lang is gedacht dat verzet alleen maar bestond uit gewapende strijd, Soldaat van Oranje, zeg maar. Maar wat mijn onderduikouders hebben gedaan, is ook verzetswerk.’

Ze herinnert zich de aansporing van haar moeder, vlak na de bevrijding: ‘De oorlog is voorbij, iedereen heeft wat meegemaakt en het is onze gezamenlijke taak om Nederland op te bouwen.’

Die woorden hebben de carrière van Hanneke Gelderblom-Lankhout vormgegeven. Ze was twaalf jaar D66-gemeenteraadslid in Den Haag, zat dertien jaar in de Eerste Kamer en was vijf jaar lid van de Raad van Europa. Ze is net terug uit Parijs, waar ze een bijeenkomst heeft bijgewoond van de organisatie Vrouwen voor Vrede.

In de weken voor 4 mei zijn er steeds weer scholen die haar vragen om haar oorlogsverhaal te komen vertellen. Het boek Hannekelief, over haar onderduiktijd, dat zes jaar geleden verscheen, wordt zelfs als lesmateriaal gebruikt. Ze snapt dat de leerlingen aan haar lippen hangen als ze vertelt dat ze een keer bij Bruno in het hondenhok heeft geslapen toen er gevaar dreigde.

Ze kan kinderen ook goed uitleggen dat ze op elk nieuw onderduikadres alle informatie van daarvoor moest wissen, voor haar eigen veiligheid. ‘Net als de harde schijf op jullie computer’, zegt ze er dan bij. ‘Je drukt op delete en dan kun je het nooit meer terughalen. Ik heb geen idee op welke plekken ik allemaal heb gezeten.’

Maar voor haar draaien al die spreekbeurten vooral om die ene boodschap: ‘Ik zie het als mijn opdracht om kinderen duidelijk te maken hoe belangrijk onze vrijheid is. Als ik er niet meer ben, zeg ik ze, dan moeten jullie ervoor zorgen dat dit een vrij land blijft.’

‘Zelfstandig en onafhankelijk blijven, niet door anderen laten bepalen wat jij moet denken en doen.’

Ze vertelt de schoolklassen altijd over haar eerste herinnering aan de oorlog. Ze fietste met haar moeder op straat, er kwam een vliegtuig heel laag aanvliegen van waaruit lukraak mensen op straat werden doodgeschoten.

‘Mijn moeder smeet haar fiets op de grond en dook met mij een helling af. Tot ver na de oorlog ging ik onder tafel zitten zodra ik een vliegtuig laag hoorde overkomen. Totdat mijn moeder zei: ‘Hanneke, hou daar nou eens mee op. Nederland is bevrijd. Als je een vliegtuig hoort, dan hoor je het geluid van de vrijheid.’

‘In iedere klas vraag ik of er misschien kinderen zijn die met hun ouders zijn gevlucht. Zij herkennen mijn angst voor het vliegtuig. Een paar jaar geleden deed ik mijn verhaal voor een grote groep middelbare scholieren en toen kreeg een van de leerlingen een gierende huilbui. Ik ben gestopt en naar hem toe gegaan. Dat heb ik ook meegemaakt, zei hij, en er is niemand met wie ik erover kan praten.

‘Leraren vertelden me later dat ik die jongen van een trauma had bevrijd, dat was niemand gelukt. Dat is toch bijzonder. Het is mooi om te zien dat ik vluchtelingkinderen kan helpen. Als ik over mijn angsten heen ben gekomen, kunnen zij dat ook.’

‘Dan zijn er nieuwe ooggetuigen, van andere oorlogen. Wij moeten de kinderen die hiernaartoe zijn gevlucht duidelijk maken dat zij hun verhaal moeten blijven vertellen. Zij kunnen de komende generatie leren hoe belangrijk vrijheid is.’

Source: Volkskrant

Previous

Next