Home

‘De muziekleraar in ons gezelschap zei: we moeten veel zingen, dat helpt

Koos Bienefelt was net 18 toen hij werd gedwongen te werken in nazi-Duitsland

Tachtig jaar geleden kwam de Tweede Wereldoorlog ten einde. Er zijn steeds minder mensen die uit eigen ervaring over de oorlog kunnen vertellen. De Volkskrant sprak met zes van deze laatste ooggetuigen.

Door Marjon Bolwijn

Fotografie Stephan Vanfleteren

Koos Bienefelt is een van de half miljoen Nederlandse mannen die tijdens de Tweede Wereldoorlog dwangarbeid hebben verricht in nazi-Duitsland. Als scholier van net 18 jaar werd hij op een vroege ochtend in november 1944 van zijn bed gelicht, met nog 52 duizend mannen in Rotterdam en Schiedam. De nu 98-jarige Bienefelt heeft meer goede dan slechte herinneringen aan de oorlogstijd, vertelt hij, wat ook iets over zijn karakter zegt.

‘Ik had een vrolijke en beschermde jeugd in Zierikzee, in een gezin met acht kinderen. We woonden boven de zaak van mijn vader, die bierbottelaar was en gazeuse en limonade met koolzuur maakte. Na schooltijd hielp ik met het spoelen en vullen van de flesjes. Op de lagere school had ik een vriendinnetje, Roosje van Dijk, mijn eerste liefde.

‘Het was altijd feest bij ons thuis, dat kwam vooral door mijn moeder, die graag gekkigheid uithaalde. Ze had allerlei attributen, zoals een scheetkussen, waarmee ze bezoekers in verlegenheid bracht zodra ze gingen zitten. Er kwam weleens een predikant bij ons logeren, die voor de zondagsdienst naar ons eiland reisde. Mijn moeder stopte een nepsnottebel in haar neus voordat ze hem een kom soep aanbood, waarop de predikant bedankte.’

‘Ik was 13 jaar toen de Duitsers Nederland bezetten. In het begin merkte ik er weinig van. Er liepen wat soldaten door Zierikzee, waar we nauwelijks last van hadden. In 1942 verhuisde Roosje met haar ouders en broertje naar Amsterdam en verloor ik haar uit het oog. Alles veranderde voor ons toen de Duitsers in februari 1944 ons eiland, Schouwen-Duiveland, onder water zetten. Ze waren bang voor een landing van de Engelsen. Alle burgers werden geëvacueerd.

We gingen naar Rotterdam, waar een zus van mijn moeder woonde. We konden niet allemaal bij haar terecht, zij had ook acht kinderen, dus werden we verdeeld. Ik kreeg een kamer in huis bij een kleermaker, zijn vrouw en hun 40-jarige dochter. In Rotterdam vervolgde ik de hbs.’

‘Het was vrijdagochtend 10 november om een uur of zeven, toen er ineens een Duitse soldaat naast mijn bed stond. ‘Mitkommen’, riep hij. Ik lag voor school het boek Kleider machen Leute te lezen, kleedde mij snel aan en stopte mijn bijbeltje, mondharmonica en een onderbroek in een rugtasje. De soldaat joeg mij naar buiten, op straat zag ik allemaal mannen uit huizen komen. Ik had geen idee wat er gaande was.

‘De Wehrmacht bleek huis-aan-huispamfletten te hebben verspreid, waarin mannen van 17 tot 40 jaar werden bevolen zich te melden voor tewerkstelling in nazi-Duitsland. Er stond op wat ze moesten meenemen: warme kleding, stevige schoenen, dekens, bescherming tegen regen, een vork, lepel, bord, drinkbeker en boterhammen voor een dag. Het pamflet had ik niet gezien, dus ging ik onvoorbereid weg, zonder al die spullen.

De mondharmonica waarop Koos Bienefelt speelde in de veewagon richting Dachau.

‘Alle opgepakte mannen uit de buurt werden naar één plek gedreven, vandaar moesten we marcheren naar de grote houthallen van de firma Stolk in Delfshaven. Na uren wachten kregen we rond drie uur ’s middags het bevel naar Delft te lopen, waar we ’s avonds laat aankwamen en eindelijk wat te eten en drinken kregen. Onderweg stond mijn moeder aan de straatkant. Ze liep een stukje met mij mee – echt mijn moeder om dat te durven – en gaf mij een tasje met een fles melk en een pannetje, dat later nog van pas zou komen.

‘Er waren honderden mannen, maar niemand die ik kende. Op het station werden we in veewagons gepropt. Het eerste uur dat we onderweg waren, was de sfeer bedrukt. Op een gegeven moment hoorden we in de wagon naast ons gezang, waarop we begonnen mee te zingen. Ik speelde op mijn mondharmonica. In ons midden was een cabaretier die grappen begon te vertellen.

‘Het moment kwam dat de eerste moest plassen. Er ontstond een lacherige sfeer. We dronken samen mijn fles melk leeg, zodat daar in kon worden geplast. Iemand haalde het rooster aan de bovenkant van de wagon eruit, zodat we de fles door het gat konden legen. Mijn pannetje gebruikten we voor wie meer kwijt moest.’

‘Na een week onderweg te zijn geweest kwamen we in Dachau aan, waar we werden ondergebracht in een doorgangskamp, naast een concentratiekamp – ik hoorde pas na de oorlog wat het lot van de gevangenen daar was. We moesten puinruimen in München, dat regelmatig werd gebombardeerd. Met nog drie mannen werd ik uitgeleend aan een boer in een dorp. Daar kregen we goed te eten en zo konden we wat op krachten komen.

Koos Bienefelt (met bril) tussen andere mannen die waren opgeroepen voor verplichte deelname aan de Duitse oorlogseconomie.

‘Terug in Dachau werden alle vaklieden geselecteerd. Ik bleef over met zo’n vijftig man: studenten, scholieren, onderwijzers, een muziekleraar en een notaris. Er was nog een jongen van 18, met wie ik bevriend raakte; Piet en ik waren de jongsten. Na drie weken werden we per trein vervoerd naar Hohenbrugg an der Raab, aan de Oostenrijks-Hongaarse grens. Daar moesten we drie maanden in de bossen werken, bomen omhakken en stammetjes zagen voor tankvelden. Dat waren gaten van 4 bij 4 bij 4 meter, bedoeld om Russische tanks in te laten stranden. Het was winter, de sneeuw lag wel een meter hoog en het vroor soms hard. Mijn kleding was daar niet op berekend.

‘Elke ochtend om zes uur werden we gewekt en per trein van onze slaapplaats op stro in een schoolgebouw naar het bos gebracht. Op 27 februari 1945 werden de locomotief en de voorste wagon vanuit de lucht beschoten. De trein kwam tot stilstand en we sprongen uit de achterste wagon. In de voorste wagon hoorde ik gekerm. Met een Italiaan heb ik de deur geopend, we zagen allemaal jongens van de Hitlerjugend: twaalf waren dood, een paar gewond. We hebben ze naar buiten gesleept en op het gras gelegd, wachtend op hulp. Deze beelden zijn mij nog een paar dagen bijgebleven, daarna ebden ze weg.

‘Met Piet ging ik na het werk vaak het dorp in, bij boeren langs. Die gaven ons wat extra’s te eten, Sauerkraut met Schweinefleisch was het altijd. Normaal kregen we alleen aardappelsoep. De Oostenrijkse boeren wilden iets terugdoen, want na de Eerste Wereldoorlog had Nederland duizenden Oostenrijkse kinderen opgevangen om aan te sterken. Bij een van die boeren, Herr und Frau Pint, mocht ik met kerst komen eten. Ik moest eerst in bad en kreeg schone kleren – de eerste keer sinds 10 november. Van het kerstdiner herinner ik mij alleen griesmeelpudding met bessensap. En de tekst boven hun schoorsteen:

Ein jeder Schmerz läßt sich überwinden
Eine jede tiefe Wunde heilt
Nur eine Seele mußt du finden,
die alle Schmerzen mit dir teilt.

‘Ondanks de onvrijwillige situatie waarin we verkeerden, was het vaak een gezellige boel. Oudere mannen, die een vrouw en kinderen hadden achtergelaten, waren wel depri. De muziekleraar in ons gezelschap zei: we moeten veel zingen, dat helpt. Hij vormde een koor van ons. We zongen Nederlandse en Engelse liederen en zijn zelfs een keer uitgenodigd door de eigenaar van een kasteel in de buurt, om op te treden op zijn balkon. Het hele dorp was uitgelopen om naar ons te luisteren.

‘Half april moesten we naar een vliegveld bij München om kapotte startbanen te repareren – niet onze hobby. Op 20 april werden we bevrijd door de Amerikanen, die voor ons zorgden totdat op 3 juni de thuisreis begon, per trein en legervoertuigen. Piet en ik kwamen op 22 juni aan in Overschie. We gaven elkaar een hand en wensten elkaar het beste.

‘Bij het huis waar mijn ouders verbleven, stond een meisje de ramen te zemen. Zodra ze zich omdraaide, zag ik dat het mijn moeder was. Ze was altijd wat mollig geweest, maar door de hongerwinter was ze slank geworden. Ze keek verbouwereerd en zei: loop maar gauw naar binnen. Daar was mijn vader, blij verrast. Ik gaf hem de sigaretten die ik van Amerikaanse soldaten had gekregen. Hij stak er een op en viel bijna flauw, hij kon er helemaal niet tegen. Ik kan mij niet herinneren dat we spraken over wat ik had meegemaakt. Mijn vrouw vertelde ik er later wel over, mijn kinderen pas in 2006, toen ik mij in een flits afvroeg hoe het Piet zou zijn vergaan. Ik zocht hem op, we werden weer vrienden en haalden onze herinneringen op.’

‘Voor mij als 18-jarige was het één groot avontuur dat mij jong zelfstandig maakte. Daar heb ik mijn leven lang profijt van gehad.’

Hoe herdenken we de Tweede Wereldoorlog, als de laatste ooggetuigen niet meer leven?

Het zijn altijd de ooggetuigen die met hun herinneringen de Tweede Wereldoorlog dichtbij weten te brengen. Maar elk jaar zijn zij met minder, en wordt de vraag urgenter: hoe herdenk je de oorlog zonder hen?

‘Ik kreeg mijn hbs-diploma zonder examen te hoeven doen, maar studeren kon ik niet opbrengen. We keerden terug naar Zierikzee, waar ik als jongste bediende bij een bank ging werken. Het kantoorleven was niets voor mij, dus was ik blij met een oproep voor militaire dienst bij de luchtmacht. Omdat ik hoorde dat er een tekort dreigde aan chemisch analisten besloot ik na mijn dienstplicht te solliciteren bij het chemisch laboratorium van Philips, dat mijn opleiding tot chemisch analist betaalde. Ik ben met veel plezier bij Philips blijven werken, 25 jaar in de chemische fabriek in Maarheeze, waar ik eindigde als kwaliteitsmanager.

‘Na mijn pensioen heb ik met mijn vrouw Wies, rondzwervend met onze vouwwagen door Oostenrijk, Frau Pint bezocht, de boerin die mij in 1944 had uitgenodigd met kerst. Ze wist nog wie ik was. In 1995 gingen we naar het museum Yad Vashem in Jeruzalem, waar ik de naam van mijn jeugdliefde Roosje van Dijk zag staan: in 1942 omgebracht in Auschwitz.’

‘Daar heb ik geen speciaal gevoel bij, maar ik weet dat het bijzonder is. Ik zie het bij de jaarlijkse herdenking van de razzia in Rotterdam. In november waren we nog met vier man. De oudste was 101. Er zal misschien een dag komen dat ik de laatste ben.’

Goed kijken, dan houden de Duitse schijnvliegvelden de herinnering aan de Tweede Wereldoorlog levend

Misleiding is een onlosmakelijk onderdeel van oorlogsvoering. Dat heeft in het Nederlandse landschap verborgen sporen achtergelaten. Neem de tientallen zogenoemde schijnvliegvelden die de Duitse bezetter liet bouwen nabij echte vliegvelden. Hoe houd je de herinnering daaraan levend? En waarom?

Onderschat niet hoe belangrijk het is dat ook gekleurde mensen zich herkennen in de verhalen van de Tweede Wereldoorlog

Ooggetuigen lezen tachtig jaar na de bevrijding uit hun dagboeken: ‘Dichter bij de oorlog kun je niet komen’

In het televisieprogramma Wat wij hebben doorstaan vertellen ooggetuigen van de Tweede Wereldoorlog hun oorlogs- en bevrijdingsverhaal aan de hand van hun dagboeken en brieven. De zeven afleveringen van acht minuten zijn vanaf zondag te zien, direct na het NOS Achtuurjournaal.

Source: Volkskrant

Previous

Next